|
10 jaar eerder
Zoals alle slechte plannen wordt ook dit plan in de kroeg beraamd. En zoals de allerslechtste plannen ziet ook dit plan het licht in een duistere Ierse pub. Ierse pubs deugen niet. De barlui doen alsof ze geen Nederlands verstaan, tappen doodgeslagen bier en draaien jengelmuziek die in hun vaderland al jaren verboden is.
Maar als je met je ziel onder je arm drinkt, maakt de entourage niet uit. En wij zijn hard toe aan een doodgeslagen biertje. Want business is slow voor Rinus & Rogge. Of eigenlijk niet bestaand. We bruisen van de ondernemingslust maar onze plannen komen maar niet van de grond. En dan tetteren die Ierse roots ook nog eens extra vals door de speakers. And the landlady's legs opened wide with deliiiiiiiight.
‘Rog, we moeten iets doen met ons leven,’ stel ik nadat ik in mijn beste cockney tevergeefs heb gevraagd of de muziek wat zachter kan. ‘We zijn zo slim. En we doen zo weinig. Daar moet een markt voor zijn.’ ‘Jij vond mijn idee van de Rijdende Pizzabakker niets,’ antwoordt Rogge geïrriteerd. ‘Pizza’s bakken in een rijdend bestelbusje, da’s pure waanzin.’ ‘Consumenten doen een moord voor verse pizza’s. ‘Ach man, jij was elke avond naar het Brandwondencentrum afgevoerd.’ ‘Daar had ik toch iets op gevonden.’ ‘Je bedoelt dat rubberen tuigje waarmee je je in de bus wilde vastbinden?’ ‘Mobiel & Stabiel was niet zomaar een tuigje. Het was een multi-inzetbaar concept. Ook geschikt voor busconducteurs.’ ‘Er bestaan helemaal geen busconducteurs meer.’ ‘Voor astronauten dan. Duikbootkapiteins. Tankcommandanten. Ik moet er nog patent op aanvragen.’ ‘Tuigje of niet, je kon niet eens rechtop staan in dat busje, Rogge. Daar ga ik mijn erfenisje toch niet aan wegspoelen. Of aan jouw Razende Nachtslijter. Weet je dat businessplan nog, met een afgekeurde SRV-wagen vol bier naar studentenfeestjes scheuren? Zonder APK. Zonder drankvergunning. Kom nou toch.’ ‘’t Is gewoon een kwestie van doen, Rinus. Jij durft niet te investeren.’ ‘En jij moet niet lullen want je hebt niet eens een rijbewijs. Waarom verzin je altijd iets waarvoor een rijbewijs nodig is?’
Rogge krabt verongelijkt aan zijn Stan Laurel-coupe. Met zijn slaapkamerogen en natuurlijke nonchalance zou hij bijna voor een mooie jongen kunnen doorgaan, als hij niet voortdurend met zijn mond open liep. Wat gaat er toch om in dat brein van hem? Hij barst van de ideeën. En eerlijk is eerlijk, met een slok op lijken ze wel wat. Maar als je even doorvraagt blijken het allemaal luchtruïnes.
‘Nee Rogge, dan Scheveningse haring op de markt van Berlijn verkopen. Midje zomer. Dat zou inslaan als een bom volgens jou. Maar geld voor een koelwagen had je niet.’ ‘Met een aanhangwagen vol ijsblokjes waren we een heel eind gekomen.’ ‘Was ík een heel eind gekomen ja, want ík had die auto naar Duitsland moeten rijden. En dan hadden we daar, zonder een minuut slaap, acht uur lang lauwe rauwe vis aan bratwurstliefhebbers moeten slijten.’ ‘Ik denk dat ze ervan gesmuld zouden hebben.’ ‘En ik denk dat we halverwege door de ANWB Alarmcentrale van de weg geplukt zouden zijn, met een kapotte kar vol rottende vis.’ ‘We hadden een deal kunnen sluiten met zo’n bedrijf dat dagelijks op Duitsland rijdt. Iets met snijbloemen of zo.’ ‘Ja hoor. Haring die naar tulpen geurt en tulpen met een viswalm.’
Rogge zwijgt wijselijk. Als ik zo’n kwade dronk heb valt er toch niets met me te beginnen. Mokkend nippen we aan ons bier. Ik kijk eens in de barspiegel. Wat een verbeten kop heb ik gekregen. Geen wonder. Soms lijkt mijn leven een aaneenschakeling van lulligheden. Van de scheef ingenomen discobroek op het eerste schoolfeest, de knoflookwind bij het eerste afspraakje, de spermavlek op mijn sollicitatiecolbertje tot de omgedonderde Harley voor het terrasje. Tijd dat ik een nieuwe koers ga varen. Een vent word. In het diepe spring. Ik leun met beide ellebogen op de bar en stel gedecideerd: ‘Rog, we moeten de criminaliteit in.’
Rogge kijkt me aan. Trekt een wenkbrauw op. En begint te grijnzen als een Ierse bommenlegger. De barman zet de muziek nog een tandje luider, maar we horen het gejengel niet meer. We slaken een zucht. Misdaad. Yes. Eindelijk iets zinnigs in ons leven. Nou ja, eigenlijk dromen we al jaren van criminaliteit. Punt is dat het crime light moet zijn omdat we niet van geweld houden. Of van mensen bang maken. En er bestaat weinig lichte criminaliteit waar we ook nog eens geschikt voor zijn. Als we het talent hadden om Rembrandts te vervalsen, safes te kraken of banken op te lichten, hadden we ook wel een fatsoenlijke baan kunnen vinden.
Maar de teerling is geworpen. En of het nu komt door de Ierse hersenspoeling of door onze grenzeloze ambitie, opeens gaat Rogge met beide ellebogen op de bar leunen en zegt op gedecideerde toon: ‘Laten we een hennepplantage beginnen.’
‘Hmmm. Een hennepplantage. Da’s laagdrempelig. En light. Illegaal, maar niet misdadig...’ ‘Sterker nog,’ zegt Rogge, ‘cannabis wordt tegenwoordig medicinaal toegediend. Tegen pijn bij kanker. En ook bij AIDS helpt het geloof ik.’ ‘Dus hasj is een wonderelixer geworden. Maar kun je er verslaafd aan raken?’ ‘Rinus, je kunt overal verslaafd aan raken. Mijn tante was verslaafd aan veterdrop. En geloof me, daar kun je flink ziek van worden. Maar daar ga ik me echt niet verantwoordelijk voor voelen.’ ‘Wist je dat ik wel eens een plak hasjcake van de Hells Angels gekocht heb.’ ‘Van de Hells Angels?!’ ‘Yep. Die stonden met een stand op een popfestival. Eerst merkte ik er helemaal niets van, dus na een kwartier heb ik de hele plak maar opgegeten. En toen begon ik vreselijk te flippen.’ ‘Wie eet er nu hasjcake van de Hells Angels!’ ‘Dat lag niet aan hen, ik had gewoon een overdosis opgegeten. Zeg, zou ik lid kunnen worden van de Hells Angels denk je?’ ‘Ik denk dat er niemand op deze aarde minder geschikt is om Hells Angel te worden dan jij, Rinus.’ ‘Hoezo? Ik heb toch een Harley?’ ‘Je durft niet harder dan negentig met dat ding.’ ‘Ik ben een defensief rijder.’ ‘Hou het nou maar op hennep kweken.’ ‘Ja, misschien ben ik meer het type van de silent crime.’ ‘Silent crime? Wat is dat nou weer?’ ‘Net verzonnen. Broeierige criminaliteit. Mastermindachtig.’ ‘Uh huh.’ ‘Al Pacino is silent crime.’ ‘Al Pacino is een filmster. Die heeft helemaal niets met misdaad te maken.’ ‘Ik heb wel eens een mug shot van hem gezien.’ ‘Misschien moet jij ook maar eens een politiefoto van je laten maken. Gooi een ruit in bij het politiebureau. Loud crime noemen we dat dan.’ ‘Leuk hoor. Nog een biertje?’
Drie dooie biertjes later lopen we zwijgend richting huis. Een hennepplantage. Zakken met zwart geld. Een grootbeeld kleuren-tv. Een magnetron-met-heteluchtoven. Een waterbed. Een gereviseerde SRV-wagen. En vooruit, een koelwagen met haring voor Rogge. Maar dit gaat om meer dan geld. Dit gaat om zelfrespect. Rinus & Rogge, capi van de Lage Landen. Meesters van het Circuit.
Bij de hoek steekt Rogge zijn hand uit. ‘Ik bel je morgen. Es kijken of je met een kater nog kloten hebt.’
|