|
Het is een uur of twee, zondagmiddag. We zijn een beetje aan het opruimen in Rogge’s huis als opeens de deurbel gaat. Rogge’s deurbel gaat nooit, zeker niet op zondagmiddag. Kan geen meteropnemer zijn. Ook geen vriend, want die ziet-ie uitsluitend in de kroeg. En geen vriendin, want Rogge doet alleen aan scharrelen. Edmond dan? Rogge gaat opendoen. Ik wacht op strategische afstand in het gangetje. ‘GERRIE JONGEN VAN ME!’ klinkt het luid en vrolijk, waarna een hele hoop pakkerds volgen. Gerrie? Werd Rogge Gerrie gemoemd!? In de deuropening staat een mollige vrouw van middelbare leeftijd met bloemetjesjurk. Ze steekt haar kwabbige armen uit en drukt Rogge aan haar omvangrijke borst. ‘WE WAREN IN DE BUURT DUS WE DACHTEN WE KOMEN GEZELLIG EVEN LANGS!’ Ouders. Rogge heeft ouders. Maar mijn vrienden horen helemaal geen ouders te hebben. Ouders van vrienden ontstaan pas als die vrienden kinderen krijgen. En wij zijn extra ouderloos omdat we crimineel zijn. Voordat Rogge iets kan zeggen komt zijn moeder de gang in denderen, met nauwelijks zichtbaar in haar kielzog een magere man met grijs achterover gekamd haar en uilenbril. Vader Rogge. Hij trilt als hij zijn zoon een hand geeft. Zijn blik zit vol zorgen maar is doordringend. Dan kijken beide ouders mij aan. ‘Hallo, ik ben Rinus, een goede vriend van Ger,’ zeg ik met mijn charmantste grijns en schudt ze de hand. ‘DUS JIJ BENT NOU RINUS! WAT FIJN DAT GER ZULKE GOEDE VRIENDEN HEEFT!’ tettert moeder Rogge terwijl ze in een leeg verfblikje gaat staan. ‘WE HOORDEN VORIG JAAR DAT GER EEN NIEUW HUIS GEKREGEN HAD DUS WE DACHTEN, ALS-IE MAAR EEN BEETJE HULP KRIJGT WANT GER HOUDT ZELF VAN KLUSSEN MAAR JA MET ZIJN GEZONDHEID KOMT HET ER NIET ALTIJD VAN DUS DAN ZIJN WE BLIJ MET IEDERE HULP DIE HIJ KAN KRIJGEN.’ Of het nu ligt aan haar woordenvloed of aan haar stem, moeder Rogge doet je gedachten al rap afdwalen naar een erg onbewoond eiland. Als ze naar de keuken is gehobbeld met een verhaal over afwassen en theezetten, gaan Rogge en zijn vader de woonkamer in. Pa Rogge laat niets van ergernis blijken over de troep. Ik gun hen wat privacy en ruim op de achtergrond de ergste rommel op. ‘Hoe gaat het met je, Gerard?’ hoor ik pa met gedempte stem vragen. Het is de toon van een vader die vreest dat hij zijn kind gaat overleven. Als moeder een paar minuutjes later de kamer inkomt met vers gezette Pickwick en koekjes uit Limburg, verstomt het gesprek tussen vader en zoon. ‘WAT EEN HEEEEERLIJK HUIS, GER. WAT EEN RUIMTE. JE MOET HET WEL NOG EEN BEETJE OPKNAPPEN HOOR EN EENS EVEN LEKKER SCHOONMAKEN MAAR GELUKKIG HEB JE ZO’N GOEDE VRIEND.’ Ik krijg een speelse knijp in mijn arm en hou even van deze vrouw. ‘MAAR NA DE THEE WIL IK HET HEEEEEELE HUIS ZIEN, HOOR GERRIE!’ brult ze quasi streng naar haar zoon en knijpt hem ook even in zijn arm. Rog en ik kijken elkaar aan. De Plantage. Hoe gaan we dit in godsnaam oplossen. Vluchten kan niet meer. We maken geen schijn van kans tegen deze gebloemde oerkracht. Rogge mompelt iets over te veel rommel op zolder, maar daar wil moeders niets van weten. ‘JE GAAT JE TOCH NIET SCHAMEN VOOR JE EIGEN MOEDER,’ zegt ze terwijl ze de trappen ophost met grote zweetplekken onder haar oksels. De drie mannen volgen in haar voetsporen. Hoe dichter we het zolderkamertje naderen, hoe sneller mijn brein ratelt. Ik moet iets verzinnen, ik moet iets doen. Te laat. Moeder Rogge opent de deur van de kwekerij. Ze stapt naar binnen. Ze kijkt naar de plantenbakken. De lampen. De zakken met compost. De blower. De ionisator. De oerkracht blijft stil. En stille oerkrachten zijn beklemmend. Na tien seconden stilte neem ik het woord. ‘Heeft Ger u dit niet verteld, mevrouw? We zijn bezig met het opzetten een orchideeënkwekerij. Daarvoor heeft Ger een speciale ruimte ingericht, want orchideeën zijn kwetsbare planten, die een speciale temperatuur en luchtvochtigheid nodig hebben, en beschermd moeten worden tegen parasieten. Het was een enorm karwei om zo’n laboratoriumsituatie te creëren. Ger heeft er wel een half jaar aan gewerkt, terwijl ik maar in de weg liep. Ik denk dat Ger u ermee wilde verrassen als het helemaal klaar is. Tenminste, zoiets heeft-ie zich wel eens laten ontvallen.’ In mijn achterhoofd hoor ik Pacino applaudisseren. Maar op Rogge’s zolder blijft het stil. Rogge durft me niet aan te kijken, staart met lijkbleek gezicht naar de vloer. Dan eindelijk: verlossing. ‘Wat een geweldig idee jongens,’ hoor ik moeder Rogge bijna fluisterend zeggen. ‘Wat fijn dat Ger eindelijk iets heeft waar hij voor wil gaan. Tropische bloemen kweken. Als kind hield hij al zo van de natuur.’ Ze lijkt een traantje weg te slikken. Haar zoon is een vakman geworden. Haar zoon heeft toekomst. Haar zoon blijft leven. Dan vermant ze zich en tettert nog een kwartier door over Gerrie’s jeugd vol zelfgekweekte sterrekers en zijn flair voor grasmaaien. Even hou ik weer van dit mens. Vader Rogge zegt niets. Maar zijn handen zijn opgehouden met trillen. En hij kijkt met opgetrokken wenkbrauw naar zijn zoon. Er speelt een glimlach om zijn mond. En Rogge? Die krijgt weer kleur. En geeft me een mislukte knipoog. Zelfs een Side Cock Sammy heeft wel eens een Hairy Ass Angelo nodig.
|