|
‘No, from FINland. I come from Fiiiinland,’ zegt de blondine met de hoge jukbeenderen en de onderkin en de omslagdoek. Ze is dronken en hangt om Rogge’s nek in café Brel. Rogge vindt het helemaal best. ‘I heared from Rokke that you guys have a drugs kartel, hahaha,’ buldert ze tussen twee lebbers door mijn richting op. Ze wappert haar tafelkleed omhoog om me een blik op haar monstrueuze boezem te gunnen. Ik hou niet zo van Scandinaviërs. Ze doen me denken aan sauna’s, zoet ontbijt en wandelvakanties vol muggenbulten. ‘I just looove criminals. They’re sooo sexy. I just looove rude men!’ Weer wappert ze met haar kleed. Zit Rogge er nu onder te graaien? Ik moet hier weg. Straks komt Hanna binnen. Zwangere Hanna. Zwanger van Suki. Nu kan ze nooit meer zwanger worden van mij. Straks sta ik hier nog te grienen. Ik moet hier weg. Ik moet wat met mijn leven doen. ‘Rogge. Hé Rogge. Hou even op met zoenen! Luister effe. Maak het niet te laat, hè. Morgen moet je gewoon werken. En zaterdag gaan we de stekjes halen. Hé Rogge! Ach zak erin. Ik zie je morgenavond.’ Ik stap de nacht in. Het is koud en het miezert. Ik voel me godverlaten. Wat zou een echte crimineel nu doen? Naar de hoeren gaan? Een fles Jack Daniels leegzuipen? Een taxichauffeur in elkaar slaan? Ik huiver, doe mijn capuchon op en pak mijn fiets. Het stukje naar huis rijd ik door alle rode lichten. Zelden was crime zo silent.
|