|
Het moet in mijn kledingkast van mijn slaapkamer gebeuren. Da’s de enige plek in mijn flat die geschikt is voor een proefplantage. Rogge is de hele week bezig geweest om de kast te verbouwen. Dat valt niet mee, want je kunt je kont er niet keren. Ik laat hem zijn gang maar gaan. Rogge werkt niet graag samen, zeker niet met iemand die visie heeft. Hoe dan ook, Rogge timmert en schroeft, ik doe de boodschappen en kook. Voel me meer huisvrouw dan mastermind, maar als stille crimineel weet ik mijn mond te houden.
Vanochtend is Rogge afgereisd naar een growshop in de provincie om de ideale stekjes te kopen. Daar zouden ze ‘genetisch de beste’ zijn. Het zal wel. Ik heb geen tijd om me in dat soort details te verdiepen. Maar vanavond gaan we dus echt draaien. Heb een Valiumpje genomen. Niet dat ik me zorgen maak over de proef, wel over Rogge. Als-ie maar discreet doet met de plantjes in het trappenhuis.
De bel gaat. Rogge en de plantjes. Ik ren de trap half af. Te laat. Daar staat hij, met een tas vol ronkende drugs, volkomen relaxed met mijn bejaarde onderbuurvrouw te kleppen. ‘Zo jongeman, ben je weer aan het sjouwen!’ zegt ze met haar sigarettenstem uit de Eerste Wereldoorlog. ‘Gaan jullie samenwonen?’. ‘Samenwonen? Nee mevrouw. Hoezo?’ ‘Oh ik dacht dat jullie homofiel waren. Niet dat dat niet mag hoor. Alles kan tegenwoordig.’ ‘Nou mevrouw. Ik vind Rinus wel heel aardig hoor. Daarom help ik hem om zijn flatje op te knappen. Ik maak een mooie boekenkast voor hem.’ ‘Wat een aardig van je. Vroeger had hij gewoon een meisje, maar daar maakte hij altijd ruzie mee. Als je klaar bent, kun je dan misschien ook een klusje voor mij doen? Je woont straks toch boven me.’ ‘Eerst maar eens deze klus klaren, mevrouw.’ Als de buurvrouw haar deur heeft dichtgedaan sjokt Rogge de trap verder op. ‘Wat?’ reageert hij verontwaardigd als hij mij met rollende ogen treft. ‘Beetje sociaal smeerwerk is goed voor de plantage.’ Hij heeft nog gelijk ook. Maar hij moet wel van me afblijven.
Tien uur ’s avonds. De gordijnen zijn dicht. De slaapkamer is pikkedonker. Het is zover. Rogge doet mijn kledingkast open en we worden bijna verblind. Zeven fiere stekjes stralen ons tegemoet vanonder een op maat gemaakte lichtbak met zes tl-buizen. De kast is zo helder verlicht dat ‘t lijkt alsof er uranium verrijkt wordt. ‘Vakwerk Rogge. En wat staan de stekjes er mooi bij. Ik zal voor ze zorgen alsof het mijn kinders zijn.’ Rogge kan een trotse glimlach niet helemaal onderdrukken en rommelt nog even aan de elektra. Ik check of de kastdeur goed afsluit. ‘Ik hoop dat ik kan slapen met zo’n kerncentrale aan mijn hoofdeind.’ Rogge negeert me en pakt een antenneloos transistorradiootje. ‘Dit is een ionisator. Het geeft een elektronische lading aan stofdeeltjes in de lucht waardoor ze zwaar worden en de stank verdwijnt. Daar moet je het mee doen tot we een blower hebben gekocht.’ ‘Zware stofdeeltjes?’ Ik onderzoek het apparaatje en krijg een onaangenaam voorgevoel. Maar dit is niet het moment om te zeuren. De kweekkast heeft mijn kale flatje gezellig gemaakt. Dat is me met een kerstboom of vriendin nooit gelukt.
Half drie ’s nachts. Rogge laat zijn telefoon wel tien keer overgaan voordat ie eindelijk opneemt. ‘Hallo?’ klinkt het geïrriteerd. ‘Rogge! Word wakker! Het stinkt hier verschrikkelijk!’ ‘Rinus? Weet je wel hoe laat het is man?’ ‘Kan me geen reet schelen. Mijn hele flat stinkt naar hasj. Wat moet ik doen? Straks komt de politie.’ Rogge zucht. ‘Die politie kan helemaal niets doen. Je MAG zeven plantjes voor thuisgebruik hebben.’ ‘Ja maar straks sta ik in het trappenhuis bekend als de drugsdealer.’ ‘Helpt de ionisator niet?’ ‘Nee Rogge, die doet geen flikker. Hij maakt alles alleen maar heel erg plakkerig en statisch. Als ik een trui aantrek springen de vonken van me af.’ ‘Hoe kan dat nou. Je bent toch kaal.’ ‘Ik ben niet kaal, Rog. Ik ben gemillimeterd. En het stinkt hier ontzettend. Wat moet ik doen?’ ‘Ik kom wel naar je toe,’ zucht Rogge.
Een dik uur later staat hij voor mijn deur in het trappenhuis. ‘Jezus man, wat stinkt het hier,’ zegt hij met een duivelse grijns. ‘Stil lul. Straks worden de buren wakker. Ik zei je toch dat het stinkt. Wat moeten we nu doen? Raam open?’ ‘Nee joh gek.’ ‘Maar als ik geen raam opendoe hangt de stank straks in het trappenhuis.’ Rogge gaat naar de slaapkamer. ‘Heb je een vuilniszak?’ vraagt hij vermoeid. Ik geef hem een zak. Hij doet de kweekkast open, haalt de planten eruit en propt ze in de vuilniszak. ‘Wat doe je nu!? Die stekkies kosten geld!’ ‘Bij mij thuis gaan ze even hard stinken. Ik heb toch nog geen kweekruimte voor ze. Of zelfs maar een luchtfilter.’ Rogge vertrekt met de vuilniszak over zijn schouder de duisternis in. Alsof hij afgezaagde ledematen gaat begraven. Ik doe de lamp in de kast uit. ‘t Was mooi zolang het duurde.
|