|
Het is druk in misdaadcafé Le Caravan. De invalide man is er weer (eet nu een portie kaas), de barman ook (leest nu Le Figaro) en er zitten zes dames op leeftijd te kaarten (poker?). Opnieuw laat de penose het afweten.
Rogge eet een broodje gehakt. ‘We moeten het grondig aanpakken bij mij,’ zegt hij terwijl hij een enorme kwak ketchup op zijn gehakt perst. Ik slaak heimelijk een zucht, want blijkbaar is Rog tot de conclusie gekomen dat mijn flatje, en vooral mijn persoonlijkheid, ongeschikt zijn voor een drugsplantage.
‘Dat stankprobleem is veel groter dan ik dacht,’ gaat ie verder. ‘Zo’n ionisator is leuk, maar als zeven stekjes al zo meuren hebben we voor een echte plantage een hele sterke blower nodig. En die lucht krijgen we pas onder controle als we de muren en naden met folie afgetaped hebben. Het moet een laboratorium worden, met een stanksluis van twee deuren.’
Ik knik bedrukt en snuffel aan mijn trui. Na het debâcle bij mij thuis ruiken al mijn kleren naar hasj. Terwijl ik de kast toch helemaal heb schoongesopt. ‘Een kelder zou het meest geschikt zijn,’ gaat Rogge verder. ‘Dan hebben we geen pottenkijkers en geen warmte- of lichtlekkage. We zijn de eersten die ruiken als er iets mis is.’ ‘Zo worden we onze eigen mijnkanaries. Waarom gaan kanaries eigenlijk eerder dood dan mensen in een mijn?’ ‘Dat weet ik niet,’ zucht Rog. ‘Je hebt toch een kruipkelder. Kunnen we de planten niet horizontaal laten groeien, als je het licht van opzij laat komen?’ ‘Ik denk het wel ja. Als je planten klein kunt houden met bonsai, dan kun je ze ook op hun zij laten groeien. Maar ik ga echt niet kruipend kweken.’ ‘En als we de kruipruimte uitgraven tot kelder? Maken we hem mooi vierkant voor een maximale opbrengst.’ ‘Weet je wel om hoeveel kuub aarde dat gaat!? Dat zijn duizenden boodschappentassen,’ stelt Rogge terwijl hij een onduidelijke rekensom maakt op een bierviltje. ‘En dan heb ik het over grote boodschappentassen, niet over Albert Heijntasjes.’ ‘En zware arbeid past niet in onze filosofie van professionele criminaliteit,’ merk ik scherp op. ‘Bovendien, waar zouden we die aarde kunnen lozen? In het hondenpoepparkje bij jou aan de overkant?’ Rogge schudt zijn hoofd. ‘Krijg je daar een enorme molshoop. Dat valt op.’ ‘Kunnen we de aarde niet subtiel via onze broekspijpen op straat lozen, zoals in Colditz. Doen we alsof we de hond uitlaten.’ ‘We hebben geen hond, Rinus. En ik ga er ook geen kopen.’ ‘En als we van die aarde nu eens lemen hut maken op jouw platje?’ ‘Een lemen hut op mijn platje,’ herhaalt Rogge. ‘Briljant.’ ‘Straks sta je opeens in de VVV-gids, gaan er toeristen aanbellen. ‘Bent u die man met dat lemen hutje op zijn platje?’’ ‘Dutroux had een goede kelder,’ zegt Rogge met een mond vol gehakt. ‘Ja, die had het grondig aangepakt. Maar die had ook geen last van stank. Tenminste, niet van hennepstank.’ Rogge’s broodje ruikt erg sterk. Ik word er een beetje misselijk van. Of zou het door Dutroux komen? Lijkenlucht schijnt nogal zoet te zijn. Misschien moeten we op Rogge’s platje een lijk neerleggen, om de aandacht van de plantage af te leiden. Hoeveel lijken zou je legaal in huis mogen hebben?
Hoe we het ook wenden of keren, een hasjbunker lijkt geen haalbare kaart. Al was het alleen maar omdat het huis erdoor zou kunnen verzakken. Met ons eronder. ‘Het moet op mijn zolder,’ besluit Rogge. ‘Dat is de veiligste plek. En we gaan voor kwaliteit in plaats van kwantiteit. Zo vaak mogelijk oogsten met zo min mogelijk planten.’ ‘Je bedoelt dat de planten zo dik mogelijk moeten worden?’ ‘Nee man, het gaat niet om de plant, maar om de bloem. We voeren het tempo van de seizoenen op door de planten dag en nacht onder TL licht te zetten. En we geven ze dwangvoeding met kunstmest. Net als in de bio-industrie. We hoeven dan niet meer dan twintig plantjes te kweken. Blijft de boete betaalbaar.’ Ik knik, opgelucht dat het toch echt bij hem gaat gebeuren. ‘Mijn huis heeft één nadeel,’ merkt Rogge peinzend op terwijl hij de barman wenkt. ‘Mijn buurvouw.’ ‘Jouw buurvrouw?’ Voordat Rogge kan antwoorden komt de barman met de rekening. ‘Hoeveel is de boete per plant eigenlijk?’ vraag ik nadat ik afgerekend heb. ‘Had ik een fooi moeten geven?’ ‘Duizend gulden geloof ik.’ ‘Twintig planten… Da’s twintigduizend gulden boete. Of de bak in.’ Ik ruik nog eens aan mijn trui.
|