| Proloog | | Afdrukken | | E-mailadres |
|
Het is stil op het patiëntentoilet. Veel te stil. Ik heb muzak nodig. Overal hoor je altijd muzak, maar als je een keer probeert te poepen naast een kamer vol ongeruste familieleden moet dat in een serene stilte. En het is niet eens mijn familie. Het donorhart had er al drie uur geleden moeten zijn. Zou de ambulance een ongeluk hebben gehad? Straks ligt het hart op straat. Zou je een los hart kunnen reanimeren? Ik veeg m’n kont af. En denk aan Rogge. Niet doodgaan, jongen, alsjeblieft niet dood gaan. We moeten nog zoveel stommiteiten begaan. Ik ga op mijn knieën zitten. Leun met mijn voorhoofd tegen de toiletdeur. Probeer me te concentreren. Rogge, Rogge, Rogge. Mijn partner in crime, mijn pain in the ass. Niet sterven lul, alsjeblieft, niet sterven.
|