| De poepduivenruimer | | Afdrukken | | E-mailadres |
|
Ooit, jaren geleden, was ik een dierenvriend. Een man-alleen-op-een-flat, die het gezellig vond dat de buurtduiven zijn balkon tot meeting point hadden verkozen. Gevederde vrienden. Helemaal ontroerd was ik toen twee tortels er een nestje gingen bouwen. Nou ja, nestje, stadsduiven zijn zo zwaar into urbanisatie dat ze zich niet verlagen tot het gebruik van natuurlijke producten. Ze bouwen het van moderne materialen, zoals patatvorkjes en stukjes maandverband. Zeer inventief. Helaas bleek het architectonisch talent van dit paartje niet mee geëvolueerd, want het nestje had een hoog Jackson Pollockgehalte en flikkerde voortdurend uit elkaar. En inmiddels begon ik me zorgen te maken: de jonkies waren uitgekomen en de regen kletterde als een moesson op hun toch al zo verzopen kopjes. Na rap beraad sloot ik een biobak voor ze in te richten. Bescherming tegen de elementen. Dat werkte. Zelden een moederduif zo dankbaar horen roekoeën. En ze leefden nog lang en gelukkig? Niet helemaal. Want kuikentjes worden duiven. Hele grote vieze hanggroepoepduiven zo blijkt. Vliegende zetpillen, die mijn hele balkon onderschijten tot een dikke laag onbewoonbaar verklaarde blubber. Daarbij lopen ze in die poep voortdurend te vozen, met luidloeiende, hysterische uithalen. Iedere ochtend word ik gewekt door hun poepneukgeluiden. Dood moeten ze. Inmiddels sta ik in de buurt bekend als de poepduivenruimer. Ieder kwartier sla ik toe. Met waterpistolen vol Glorix. De een na de ander knal ik van het balkon met mijn supersoakers, als een ware Ali Chemicali. Maar ze blijven komen. Want hoe harder ik schiet, deste meer gaan ze van me houden. Ik ben Thuis voor ze. Papa Biobak. Dat schiet je er niet meer uit. Misschien moet ik me meer op kinderen gaan richten. Die dragen luiers. En gaan pas vozen als ik in de VUT zit. Kinder coach. Dat klinkt goed. Maar da's een ander verhaal.
|