| De spookrijder | | Afdrukken | | E-mailadres |
|
Glaasje wijn met krantje op zondagmiddag in het saaie café. Niet mijn gewoonte op de Dag des Heren, maar soms wil ik dingen doen die normale mensen doen. Had om die reden ook een lange truttige regenjas aan gedaan, het model dat zinloos geweld aantrekt. Na drie glazen was ik tipsy (je bent een trut of niet) en besloot op huis aan te fietsen. Bij een druk kruispunt passeerde ik een wielrenner-in-racepak met helmpje. Hij stond netjes voor het rode stoplicht te wachten, terwijl ik het licht negeerde en vlak voor een toeristenbus naar de overkant schoot. Geen echt gevaarlijke situatie, maar close timing. Achter me hoorde ik de wielrenner iets roepen, alsof hij het tegen mij had. Aangezien ik geen wielrenners-in-stretchpakjes ken reed ik door. Toen ik even later langs het kanaal fietste, kwam hij naast me rijden. "Hé langjas!" riep hij me toe. "Wil jij soms een week meedraaien in Dijkzicht!? Afdeling revalidatie!? Kun je eens zien wat er gebeurt als je door rode lichten rijdt!" Ik was zo verbaasd door dit spontane contact, dat ik hem beleefd meldde al in een ziekenhuis te werken. Daarop sloeg hij opeens een heel andere toon aan: "Hé EIKEL, weet jij wel helemaal waar je mee bezig bent!?" Dat wist ik niet, maar ik wist nu wel dat ik met een gevaarlijke gek te maken had, want hij ging verder met: "Zal ik jou eens in het water smijten!? Zal ik jou eens in elkaar rammen? Op je bek slaan!" Bijna automatisch remde ik af en beet hem in mijn ruigste Rotterdams toe: "Blijf uit mijn buurt, jongeman! Ik heb geen behoefte aan jouw preken!" Deze hardcore truttigheid sorteerde geen enkel effect. Integendeel, hij begon steeds harder te vloeken: "Revalidatie, klootzak! Revalidatie! Ik ga jou in het water smijten!" Ik stapte trillend af en zocht dekking bij een groep dagjesmensen-op-Batavus. Geen overtuigend menselijk schild, maar de gek aarzelde nu. Hij zag dat-ie in de minderheid was, spoog op de grond en vervolgde kankerend zijn weg. “Revalidatie! Revalidatie!” Ik schudde mijn hoofd naar de dagjesmensen met een heb-je-toch-ooit blik. Maar er was me iets opgevallen aan de gek. Zijn ogen. Hij praatte starend, zonder mijn richting op te kijken. Hij had de ogen van een blinde. Of erger nog: van een dode. Een blind spook. En opeens viel het kwartje: dit was de geest van een wielrenner die zich ooit had dood gereden toen hij een rood licht negeerde. En nu iedere zondagmiddag dezelfde route moest rijden om dronken trutten als ik te behoeden voor een dodelijk ongeluk. Een teken Gods! Dat krijg je ervan als je op de Dag des Heren in saaie café’s krantjes gaat lezen met glaasjes meutjeswijn. Toch zal ik er geen rood licht voor laten staan. Wel heb ik de lange truttenjas naar de Kringloop gebracht. Een mens moet het gevaar niet over zich afroepen. En zeker niet op zondagmiddag, als normale mensen dingen doen.
|