titels blogs

Blog

De vloot

Van Noah

Mijn favoriete procrastinatiefilm is Waterworld. Hij speelt zich af in een postapocalyptische toekomst waarin de continenten onder water zijn gelopen. Eenzame held Kevin Costner jaagt er met zijn steam punk trimaran over de eindeloze baren. Hij drijft handel in spullen die hij van de zeebodem opduikt dankzij kieuwen die hij ontwikkeld heeft (don’t ask). Costner wordt voortdurend belaagd door zeerovers. Maar het is niet de actie die me boeit. Het is dat eindeloze wateroppervlak. Die ruimte! Die mogelijkheden! Iedere keer als ik moet werken zit ik fragmenten te bekijken op YouTube, dromend van een reset der mensheid, als individualist pur sang.

En iedere keer als ik tijdens mijn wandeling langs de vloot van Noah kom, moet ik aan Waterworld denken. Noahs moederschip ligt sinds mensenheugenis in het kanaal aan ‘mijn’ kade, vlak vóór de drie bruggen. Met het verstrijken der jaren is Noah een eenzame oude man geworden, met schichtige, wantrouwige blik. Ik knik hem altijd glimlachend toe, op een manier die je van een postapocalyptische kapitein mag verwachten. Ook pas ik mijn tred aan zodat het lijkt alsof ik zeebenen heb. Maar Noah knikt noch glimlacht terug. Hij mag mij niet. En de rest van de mensheid vermoedelijk evenmin.

Toch kan hij onmogelijk voor kluizenaar versleten worden, want hij bevoorraadt passerende binnenvaartschepen. Sommige schippers meren langszij aan, andere komen per bestelbus. Voor de laatste categorie rolt Noah vloekend vaten over de veel te smalle strip naar de kade. Hij verkoopt van alles, van rollen beschuit tot loodzware ankers. Maar Noah is meer dan een nautische bedrijfsleider.

Achter die schichtige ogen gaat de blik van een ziener schuil. Noah verzamelt namelijk scheepjes. Een half dozijn heeft ie inmiddels aan het moederschip vast gesjord. Ze lijken compleet doorgeroest. Toch weet hij ze op een of andere manier drijvende te houden. Inmiddels kunnen we spreken van een bescheiden vloot. En ik denk te weten wat hij ermee van plan is.

Lang voordat de global warming was uitgevonden, voelde Noah al aan zijn water dat het zeepeil zou stijgen. En dat dat sneller zou gaan dan de mensheid zou willen inzien. Het lijkt er op dat ie gelijk gaat krijgen. Zeker nu met die Oost-Duitse zomers zal het niet lang meer duren of de ijsberen komen langs drijven op het laatste stukje Noordpoolijs. Dan is het kanaalwater voor mijn deur gestegen tot aan mijn etage, de bovenste verdieping van vier woonlagen. Mocht Noah langs komen met zijn vloot, dan hoop ik dat hij mij zal oppikken. Zodat ik geen kieuwen hoef te ontwikkelen.

Maar ik voel nu al aan mijn water dat Noah niet voor mij zal stoppen. Dat hij alleen zal aanmeren voor mijn onderburen, bij wie het water tot aan de lippen is gekomen omdat ik hen de deur heb gewezen, uit angst dat ze mijn appartement zullen overnemen. Voor mijn slag is geen plaats aan boord, aldus Noah. Hij is dan misschien een eenzame man, hij houdt niet van einzelgängers die dromen van een decimering der mensheid om zelf tot hun recht te komen. Volgens hem is het de individualist pur sang die toe is aan een reset.

Dus. Terwijl zijn vloot met mijn buren richting toekomst vaart, zet ik de zaag in mijn laminaat. Voor Plan B. Een steam punk trimaran zal het niet worden, mijn vloot van laminaatvlotten is geënt op een andere favoriete procrastinatiefilm: Cast Away. Over een schipbreukeling. Daar ga ik nu alvast fragmenten van bekijken. Tot YouTube is ondergelopen.

De vloot van Noah
Klaar voor de zondvloed

Contact

Met de alien in ons

De belangrijkste reden waarom ik verhalen op Facebook plaats, is omdat ik zo contact kan maken met zielsverwanten. Daar bedoel ik niet alleen vrienden mee, ook mensen die ik helemaal niet ken. En mensen waar ik ogenschijnlijk weinig gemeen mee heb, of in het dagelijks leven niet snel zou ontmoeten. Die virtuele lijntjes vind ik bijzonder. Dus hoe bizar ik mijn universum ook moge presenteren, het is altijd de bedoeling dat de lezer iets herkent in mijn levensworstelingen en observaties. Hoe meer herkenning, des te krachtiger de connectie.

Natuurlijk is contact maken niet alleen voor een schrijver cruciaal. Het is een levensvoorwaarde voor iedere homo sapiens. De apensoort lijkt zich intrinsiek eenzaam te voelen, te hunkeren naar nóg meer broeders & zusters. Die bij voorkeur buiten bereik zijn. Waarom anders sturen we radiosignalen de ruimte in en proberen we uit diezelfde ruimte tekenen van leven op te vangen met enorme schotelantennes, terwijl we hier al met zijn acht miljarden langs elkaar heen praten? Alsof we onszelf het minst graag willen leren kennen.

Maar zelfs áls we contact kunnen maken met ander intelligent leven, dan is dat alleen zinnig met wezens waar we iets mee gemeen hebben. Die hier bijvoorbeeld ook wonen. Nou zijn er koffiedikkijkers die stellen dat UFO’s bestuurd worden door superieure aardbewoners, aliens die zich steeds terugtrekken in een dimensie die wij niet kunnen bevatten. Gaat uw lulkoekdetector vast van loeien. Toch loont het de moeite eens buiten uw doos te denken. Door een walvis onder de loep te nemen.

Uitgerust met het grootste brein ter wereld, houdt de potvis zich op in een ons grotendeels onbekend medium dat we oceaan noemen. Toegegeven, hun hersenen zijn in verhouding tot hun lichaamgewicht kleiner dan die van ons, maar ze communiceren op een niveau dat dat van ons wel eens zou kunnen overstijgen. Daarvoor maken ze gebruik van een klikachtig geluid. Aanvankelijk dachten wetenschappers dat dit slechts dienst deed als echolocatie, maar de klikcombinaties zijn zo extreem gevarieerd en complex, dat we van een taal moeten spreken, compleet met dialecten. Daarbij kunnen de mouse clicks ‘uitgeschreeuwd’ worden met een volume zo krachtig dat de signalen duizenden kilometers door het zeewater gedragen worden. Potvissen gebruiken de oceaan als een organisch internet.

Momenteel worden hun sound bytes geanalyseerd met behulp van kunstmatige intelligentie. Voor een juiste interpretatie dient de audio gekoppeld te worden aan gedrag. Maar potvissen observeren is lastig. Het dier moet niet veel hebben van de mens. Vermoedelijk bekijken zij ons zoals wij UFO’s waarnemen – met een flinke portie argwaan. Scheepsrompen staan bij hen te boek als Unindentified Floating Objects (die soms familieleden ontvoeren!). Van close encounters met bubbelende kikvorsmannen lopen ze een trauma op. Pas als wij zonder zuurstoffles in hun wereldje afdalen durven ze ons te benaderen. Sterker, free divers worden bedolven onder hun geklik. De potvis wil contact maken met de mens! Althans, zo zien wij dat graag.

Maar. Stel dat wij hun taal ooit ontcijferen. Stel dat we ooit kunnen terug klikken. Dan nog wordt het lastig communiceren. We leven immers in zeer verschillende omgevingen. Probeer een potvis maar eens duidelijk te maken hoe je een metrokaartje koopt in downtown New York. Dan zal hij je proberen uit te leggen hoe het is om in de complete duisternis van twee kilometer diepte op gehoor een reuzenpijlinktvis op te sporen. Zouden we elkaar ooit kunnen begrijpen? Misschien hoeft dat niet. Een vakantieliefde is immers zo betoverend door de taalbarrière. Misschien is de gewenste herkenning meer emotioneel dan praktisch, zoeken we slechts contact met een illusie die ons minder intrinsiek eenzaam doet voelen. Dan maakt het weinig uit of we dat signaal opvangen in de oneindige ruimte, de onmetelijke oceaan, of op het world wide web.

Contact met de alien in ons
Potvissen poseren in een verticale meditatiehouding om de fotograaf in de maling te nemen (zo heeft een analyse van hun morse ons geleerd)

Vader & zoon

En de autobeul

Iets verderop in de wijk woont een dertiger die er nog onguurder uitziet dan ondergetekende. Lang vet haar, pornosnor, kiloknallerpens en ogen zo diep in de kassen dat de man blind lijkt. Ik vermoed een rijk TBS-verleden – het type dat stiekem filmpjes maakt van veel te jonge buurmeisjes. Als ik een zoon had gehad, was hij zo geworden.

Moet gezegd worden dat hij consistent is in zijn verloedering, want hij rijdt uitsluitend in sloopauto’s. Drie heeft hij er voor de deur staan. Geërfde familiestukken? Alle drie verkeren in verregaande staat van ontbinding. Ongetwijfeld onverzekerd en ongeAPK’d, want hij rijdt er alleen mee over de kade. Heen en weer, ronkend, rochelend, reutelend, met halfzachte banden en een gierende distributieriem, de carrosserie krakend onder de corrosie. Als hij me met 3,2 km/u passeert staart hij door de nog nooit gewassen ramen met de chagrijn van een afgewezen kinderlokker.

Aanvankelijk zei ik tegen mezelf: niet zo snel met al die oordelen! Misschien is het een liefhebber met een kleine portemonnee! Zo een die járen Marktplaats afstruint op zoek naar unieke vehikels, collector’s items die hij dan schroefje voor schroefje restaureert! Een automotive dromer!

Misschien. Maar hij sleutelt op een manier waardoor ik weet dat hij niets van sleutelen weet. Hij gebruikt steeksleutels in plaats van dopsleutels. Maakt veel te bruuske bewegingen. Scheldt de nokkenas uit onder de motorkap. Rijdt bij voorkeur als er gepekeld is. Daarbij, zijn auto’s gaan steeds slechter lopen. Alsof hij de ontsteking expres verkeerd afstelt, de koppakking moedwillig laat lekken, de oliefilter met opzet laat verstoppen. Net zo lang tot de voertuigen bezwijken aan een vastloper of stikken in hun eigen vloeistoffen. Kortom, Hier is een autobeul aan het werk.

Gisteren heb ik gluurfoto’s gemaakt van zijn bolides. Die wil ik anoniem opsturen aan de RDW. Opdat de wagens in beslag in beslag genomen worden. En ze bij de sloper kunnen inslapen. Eindelijk, verlost uit hun lijden! Maar dat voelt fout, je buurman NSB’en. Daarbij, het blijft je droomzoon. Misschien moet ik eens contact met hem maken. Hem aanspreken op zijn gedrag. Vragen of ie die andere hobby niet weer kan oppakken (buurtkinderen zat!). Trekken we er een blikje Aldi-pils bij open. Laat ik hem eens goed uithuilen. Krijgt ie een hug van me. En rijden we gezamenlijk in een van zijn reutelende auto's naar de RDW. Voor een mooie biecht. Krijg er nu al een realityshowgevoel van.

De autobeul
Patina, of littekens als gevolg van jarenlange foltering en moedwillige verwaarlozing? Op de achterbank ligt een dichtgelast olievat (met daarin de resten van zijn natuurlijke vader?) om de assen onnodig te belasten

De gemummificeerde etaleur

Van de kansloze winkel

Het is niet iets waar ik graag aan herinnerd word. Aan mijn plan om middenstander te worden, nog niet zo heel lang geleden, ergens eind jaren negentig. Als voormalig filmrecensent wilde ik een ‘kwaliteitsvideotheek’ beginnen. Ik was op dat onzalige idee gekomen door de introductie van de DVD. Eindelijk een drager die het medium waardig is! dacht ik, na me jarenlang geërgerd te hebben aan de smoezelige VHS-bandjes. Ik zag mijn shop al voor me: een cinefiele oase waar filmliefhebbers van heinde en ver op af zouden komen. Door een tekort aan liquide middelen is het er nooit van gekomen. Sterker, ik had mijn masterplan geheel verdrongen tot ik het onlangs met Facebook-vriendin Pien over troosteloze etalages had.

Iedereen heeft er wel eens een gezien: zo’n winkel met een etalage zó deprimerend dat je weet dat daar never nooit een klant over de vloer komt. In mijn jeugd zat er op de Nieuwe Binnenweg een beschimmelde drogisterij waar jarenlang een ruggenkrabber-met-minihandje van één gulden aan een zuignap tegen de etalageruit geplakt hing. Iedere keer als ik er langs liep voelde ik een onstuitbare drang om naar binnen te gluren. Nooit een klant gespot. Jaren later kwam ik in Crooswijk te wonen tegenover een sigarenboer annex kiosk die nooit open was. Met vergeelde, door het zonlicht kromgetrokken softpornoblaadjes in de etalage. Grote kans dat het lijk van de eigenaar zich in gemummificeerde staat achter de toonbank bevond.

Een speciale subcategorie wordt gevormd door etalages die zo mistroostig zijn dat ze instant medelijden oproepen. De schoenenzaak op de foto is er zo een. Pien, die hem vereeuwigd heeft omdat zij eenzelfde fascinatie koestert voor kansloze winkels, viel als een blok voor de nihilistische, zeg maar post mortem styling. Toen ze eenmaal de moed verzameld had om naar binnen te gaan, raakte ze zo mogelijk nog dieper onder de indruk van het interieur, dat gevuld was met gesloten, tot aan het plafond opgestapelde schoenendozen. Alsof de eigenaar na inkoop van zijn waar de lust was vergaan om die op een aantrekkelijke manier uit te stallen.

Als ik toentertijd mijn videotheekplannen had doorgezet, was Pien nu op mijn vergeelde etalage gestuit. Dat zit zo. Het afblazen had niet alleen te maken met geldgebrek. Het was tot me doorgedrongen dat sommige ondernemers alleen maar willen ondernemen omdat ze dan geen baas hebben die zegt dat ze aan het werk moeten. Zo’n ondernemer was ik. Ik wilde videotheekhouder worden om de hele dag films te kunnen snoepen, niet om winst te maken. Als ik over voldoende startkapitaal had beschikt, was dat inzicht vermoedelijk tijdens de opstartfase – bij de inrichting van de shop – bij me ingedaald. Wat tot een knoeperd van een depressie had geleid. Én tot een troosteloze etalage, waarin een paar stoffige DVD-doosjes met softpornofilms. Ikzelf zou door Pien zijn aangetroffen achter de toonbank, in gemummificeerde staat, met één vinger op de pauzeknop van de DVD-speler. Het had een geweldige foto opgeleverd, dat wel.

Credit foto: Pien Niehe

De gemummificeerde etaleur
Alleen het linkermodel is beschikbaar

Bollywood by bus

Op de invalidenstoel

Voor een bewoner van een wijk waar de integratie volkomen mislukt lijkt, is het moeilijk de zegeningen van de multiculti te tellen. Een mens zou er bijkans nationalistisch van worden. Gelukkig maak ik ook momenten van verbinding mee die niet door de overheid gefabriceerd zijn. Zo trof ik in de bus richting U. een Indiase chauffeur die mij in mijn hoofd deed dansen. Maar niet voordat ik duizend doden was gestorven.

Ik had plaatsgenomen in de solo-stoel vooraan, die eigenlijk gereserveerd is voor invaliden. Hier zou ik gezellig met de chauffeur ‘mee’ kunnen rijden om dan onvermijdelijk in een middagdutje af te glijden. Het was me niet gegund. De man bleek miskend muzikant. Ik zat nog maar net of hij begon te fluiten. Vals. Aanhoudend. Ongegeneerd. Alsof er niemand anders in de bus zat. Toegegeven, ik was de enige passagier, en mogelijk invalide, maar dat maakte het niet minder onmenselijk.

Stapel werd ik van zijn gefluit. Niet alleen vanwege de dissonantie, vooral vanwege de ongeremdheid. Mensen die uit volle overtuiging iets doen waar ze geen enkel talent voor hebben omdat ze nu eenmaal opgevoed zijn door toegevende ouders, die moeten dood van mij. Al na een paar minuten begon ik naar de noodrem te zoeken. Vroeg ik me af of ik de voorruit kon inslaan met zo’n mini-hamertje. En bedacht ik een manier om de chauffeur te wurgen zonder de bus te laten crashen.

Op het moment dat ik mijn schoenveter om zijn hals wilde trekken, verscheen er een oogverblindend licht voor de bus. Een Aloha hakbar? Een close encounter met een UFO? Een bijna-doodervaring? Nope, we waren in een Bollywoodfilm beland! Opgeroepen door de fluit van de buschauffeur! Prinsessen met zijden jurken en klatergouden kroontjes, gadegeslagen door prinsen/buschauffeurs met taxi-snorren en imitatie Ray-Bans, sierlijk swingend op volksmuziek zo opzwepend dat die nooit een hit kan worden in ons saaie westen. Eigenlijk is Bollywood de enige cultuur waar iedere aardbewoner zich mee verbonden voelt.

Lang duurde ons uitstapje niet. Maar toen de bus weer op het asfalt terecht was gekomen, betrapte ik me erop met de chauffeur mee te fluiten. Vals. Aanhoudend. Ongegeneerd. Alsof er niemand anders in de bus zat. Om even later, in Neerlands grootste stationshal, nog wat invalide danspasjes te maken, dit tot grote ergernis van de Hollanders die opgevoed zijn door calvinistische ouders.

De ontregeling

Van de stadsmens

Over die wolkbreuk van gisteren. Even waande ik me in zo'n dramatische scène met Bogart & Bacall, waarbij de regenmachine zó hard aanstaat dat de acteurs bijna verzuipen. Na de opname werd mijn wijk nog eens gebombardeerd door hagelstenen zo groot als biologische struisvogeleieren. Een bijna hilarische overkill aan neerslag. Alsof het Opperwezen een woede-uitbarsting had gekregen, na zich dagen ingehouden te hebben met een passief agressieve hittegolf.

Ik persoonlijk ben niet zo van het genieten op balkonnetjes. Maar dit kleine leed wilde ik op de eerste rang meemaken. Doordrenkte fietsers, slippende Golfjes, water makende rijnaken, alles en iedereen probeerde dekking te zoeken. Prachtig, als de homo sapiens ontregeld raakt. Kan zijn façade even wegspoelen. En hij mens worden. Een verzopen filmster zelfs. Tijd dus voor een mooie wandeling - figureren in mijn eigen film noir.

De zelfmoordmagneet

En de mosselfietsen

Brullende dieselmotoren, fluoriserende pakken, grimmige blikken. Rijkswaterstaat én de rivierpolitie, druk manoeuvrerend in het kanaal. ’t Zál toch niet, verzucht ik. Alwéér eentje?

Als je bent opgevoed door iemand die het diverse keren geprobeerd heeft, ontwikkel je er een dikke huid voor. Terwijl ik zelfmoord toch als een uiting van levenslust beschouw. Immers, zelfdoders nemen geen genoegen met het Koude Prakje des Levens. Ze willen wég, naar een plek waar het mogelijk beter is, waar ze wél thuishoren. Daarvoor nemen ze een stap die veel moed vereist, naast de vanzelfsprekende wanhoop. Dat respecteer ik omdat ik zelf evenmin altijd trek heb. Van een heel andere categorie echter vind ik de sukkels die het slechts proberen. Dood aan deze drama queens! En waarom moet het uitgerekend voor mijn deur?

Soms lijkt het alsof ik in het epicentrum van zelfmoordend Nederland ben gaan wonen. Volgens mijn buurvrouw zijn er hier de afgelopen jaren vier springers uit het kanaal gehaald. Daar nodigt de overdaad aan bruggen blijkbaar toe uit. Zo ben ik op een zondagochtend in 2011 in een krimi ontwaakt toen ik de gordijnen opzij schoof en er aan de overkant een lijk uit het kanaal werd getrokken. Een springer van de Merwedebrug, zo zou blijken. Met dit beeld vers op het netvlies tikt het ontbijteitje toch net even anders.

En nu. Opnieuw een parelduiker? Kan ook om een liquidatie gaan. Of een ongeluk. Misschien die luidruchtige student-van-hiernaast, die met een blaas vol bier is thuisgekomen, de deur niet heeft gehaald, naar het kanaal is gerend voor een plasstop, zijn evenwicht heeft verloren en in het zwarte water is verdwenen. Natuurlijke selectie! grom ik misantropisch. Want ik kan enorm grimmig gestemd zijn.

Maar niet zo grimmig als de bergers. Onverminderd gaan ze door. Dreggend en peurend, met wilde gebaren en malende schroeven. Er wordt zelfs een enorme magneet ingezet waarmee ze een maand eerder een auto gevangen hebben, die overigens leeg bleek. Ditmaal willen de bolides niet bijten. De bijvangst, bemosselde fietswrakken, ligt verspreid op het gras van de kade. Ik inspecteer de overblijfselen met de cool van een patholoog anatoom.

Dan is het Schluss. Het materieel wordt opgeborgen. De mannen kijken teleurgesteld. Natuurlijk hadden ze liever de ongeruste familieleden uitsluitsel gegeven, hoe triest ook. Aan de andere kant, het kan loos alarm zijn geweest. Misschien heeft de vermiste zich inmiddels gemeld met een slappe app.

Wat de toedracht ook moge wezen, tot mijn verbazing ben ik enorm opgelucht. Mijn necrofiele bravoure is geheel vervlogen. Ik moet zelfs even slikken. Blijkbaar vind ik het meest loze alarm toch mooier dan de dapperste wanhoopsdaad. Of komt het doordat het spook-in-mij, dat niet wil bidden voor brune boon’n, als de dood is om zijn stoffelijkheid opgevist te zien worden? Eet je bord leeg! klinkt het in mijn achterhoofd als ik de mosselfietsen laat voor wat ze zijn. Ik sla een kruisje. En dank de goden dat ik opgevoed ben door een drama queen, in plaats van door een doorzetter.

De zelfmoordmagneet
Zware metalen

De droomvader

En zijn meiden

Vrijdagavond in de Intercity naar U. Tegenover mijn klapstoeltje neemt een vader met twee dochtertjes plaats in het viermanszitje. Hij is een slanke dertiger met stekels, stoppels en een parka. Een soort jonge versie van mijzelf, maar dan met christelijke glimlach. De meiden, een tweeling, schat ik op een jaar of tien. Ze zijn uitgerust met roze rugzakjes en koptelefoons vol K3. De knusheid straalt van hen af.

Als kinderloze man-met-kinderwens ben ik gelijk een beetje jaloers op de vader. Daddy cool, op pad met zijn meiden! Ouders beseffen vaak niet hoe bijzonder zo’n band met hun kroost is. Sterker, als ik mijn verlangen naar een gezinsleven opbiecht aan vrienden, drukken ze me gelijk op het hart dat ouderschap vooral een kwestie is van zelfopoffering. Alsof dat niet perfect past in mijn geromantiseerde plaatje!

Het trio zit nog maar net of de vader gebaart zijn dochters de koptelefoons af te doen. En begint hen vragen stellen. Hoe ze het gehad hebben bij mama. Wat voor spelletjes ze gespeeld hebben. Wat ze de leukste game vinden. En waarom. Wat er aan verbeterd zou moeten worden. En wat niet. Hij zit er bovenop, informeert naar ieder detail – alsof hij zelf mee had willen doen. Daarbij noemt hij zijn dochters steeds bij de naam, terwijl oogcontact volstaat om een misverstand uit te sluiten. Ook bizar is zijn neiging om over zichzelf in de derde persoon te spreken. ‘Pappa vindt dat Merel nu iets heel slims zegt,’ aldus een zelfvoldane Caesar.

De meiden, aanvankelijk verguld van al die aandacht, krijgen het op den duur zichtbaar benauwd van hem. Hoe dieper hij onder hun huid kruipt, des te hoekiger hun bewegingen, korter hun antwoorden, dieper hun zuchten. Na een uur hebben ze schoon genoeg van papa’s bonding. Daddy ain’t no cool no more.

Zelf voel ik de drang om hem een enorme bitch slap te verkopen. Dood moet deze papa! Mijn weerzin wordt zo heftig dat ik me afvraag waarom. Na de nodige soul searching valt de munt: als ik mij had voortgeplant, was ik geheid zo’n papa geworden. Zo’n man die de relatie met zijn koele vrouw niet had kunnen bolwerken, om zich na de scheiding op te werpen als ideale weekend daddy, daarbij voortdurend zijn inner child uit de kast trekkend om de band zo hecht mogelijk te maken. Zonder zich af te vragen of de kinderen daar wel behoefte aan hebben. Aan een papa die je beste vriend wil zijn...

Als we in U. uitstappen ben ik niet langer jaloers. De meiden, uitgeput van vaders klamme compassie, verlangen ongetwijfeld naar hun moeder die hun misschien nooit een knuffel geeft, maar wel alle ruimte gunt. In de stationshal trekken ze de hoofdtelefoons alweer over de oren om in de muziek te verdwijnen. Ikzelf verdwijn weer in mijn kinderloze universum, mijn zegeningen tellend, het ouderschap vervloekend. Maar wel een K3-deuntje neuriënd.

De droomvader
Who's your daddy?

Walking tall

And stand proud

Dit is mijn role model. Iedere keer als ik haar langs zie komen is ze wat krommer getrokken. Kyfose heet dat. Het oogt grimmig, alsof de persoon door het leven afgeranseld wordt. Toch lijkt haar tred iedere dag meer vastberaden. Worden haar stappen kordater. Haar schreden vlotter. Ze mag dan gebukt gaan onder de ziekte, die zal haar niet achter de geraniums krijgen.

Als ik haar tegenkom groet ze me met een glimlach die helemaal niet hoort bij een lichaam dat capituleert. Zó stralend. Ze zou verbitterd moeten zijn. Verzuurd. Verbolgen. Of in ieder geval verongelijkt. Maar geen spoortje te bekennen van het zelfbeklag dat sommige van haar leeftijdsgenoten verteert. En een enkeling van mijn generatie, zonder dat die daar een legitieme reden voor heeft. Ik ken er wel eentje.

Daarom wandel ik graag een stukje achter haar aan. Probeer ik haar bij te benen. Is ze mijn Rocky geworden: een knokker die lang voordat bel geluid wordt beseft dat ie de wedstrijd zal verliezen, maar zegeviert op karakter. Stand proud and walk tall, juist als je dat niet meer kan. Ik mag bidden dat ik net zo stralend eindig als zij dat doet.

Stand proud, walk tall
Stand proud, walk tall

Exoten onder elkaar

In de rioolbuis

Er is iets aan de hand met natuurliefhebbers. Hun emotionele huishouding is van slag. Zodra ze een voet in een bos zetten beginnen ze ongegeneerd te genieten. Instant geluk ervaren op basis van een paar struiken, dat is niet geloofwaardig. Óf ze liegen dat het gedrukt staat, of het zijn drama queens. Want de mens hoort helemaal niet thuis in de natuur.

Dat we ons aan het eind van de voedselketen wanen, is hoogmoed. We zijn gebouwd voor HoogCatharijnes. Daarbuiten overleven we niet. Kijk maar eens goed naar die mooie natuur. Overal beesten die elkaar opvreten, honger lijden of anderszins creperen. Een soort Oostvaardersplassen, maar dan echt. Moet je natuurlijk wel oog voor hebben. Zoals ik, tijdens mijn meditatieve snelwandeling door het Willem-Alexanderpark.

Dat is een kunstmatige heuvel waarop woningen voor tweeverdieners verrijzen. Mijn aandacht hier gaat vooral uit naar de aanleg van de riolering, op zoek naar een mooi verhaal. Maar ik heb ook oog voor het groen. Dat is namelijk nog genieters-vrij: van god verlaten greppels en plassen en sloten waarin beesten elkaar opvreten. Ongerept en rauw. Typisch een plek waar je op een exoot kunt stuiten.

Een exoot is een dierensoort die als verstekeling meegereisd is met de cokeboot uit Colombia, of ontsnapt is uit het terrarium van je neefje. Een ongewenste vreemdeling die zich hier tegoed komt doen aan inheemse flora & fauna. Inmiddels zitten onze beekjes vol bijtschildpadden, onze bomen vol krijsparkieten, onze wandelpaden vol grote boze wolven. Dus waarom geen anaconda in de greppels van Willem-Alexander. Het idee van zo’n Fremdkörper tussen onze bloemetjes & bijtjes, daar kan ik nou van genieten. Misschien omdat ik de miscasting herken.

En anders doet deze fazant dat wel. Geïmporteerd door de Romeinen is deze exoot nu vooral een vreemde eend in onze stadsbijt. Met zijn verenpracht en kuierende motoriek hoort ie thuis in zo’n 17e-eeuws schilderijtje van een herderspaartje dat de liefde bedrijft in romantisch struweel. Niet tussen de high end heimachines. Toen ik het dier wilde benaderen voor een stukje verbinding, stootte het een noodkreet uit alsof IK de exoot was. Zijn alarm werd vanuit alle hoeken van het park beantwoord. EIGEN EXOTEN EERST! klonk het overal. Eenmaal omsingeld heb ik mijn heil gezocht in een braak liggende rioolbuis – de enige natuurlijke habitat van de schrijver. Om daar eens ongegeneerd na te genieten.