titels blogs

Blog

Hartje Aldi

Voor de EGO's

De Aldi. Ik kom er graag. Voel me er thuis zowat. Ieder bezoek maakt me ervan bewust hoezeer ik op de bodem van de maatschappij ben beland – in de tegenhanger van de golfclub zegmaar. Veel werklozen en afgekeurden zal dit besef moedeloos maken. Ikzelf kom er juist door bij mijn kracht. Het afvoerputje der supers geeft mij het idee dat alles alleen nog maar kan meevallen in het leven. Sterker, dat alles mogelijk is. Dat ik mijzelf opnieuw kan uitvinden.

Die behoefte aan een nieuwe verschijning is ook de reden dat ik mijn baard heb laten staan. Niemand vindt het een verbetering, behalve ikzelf. Omdat ik er een ander mens door lijk. Kies maar uit: een Hells Angel in ruste, een opa met platjes, een vergeten schrijver... Of gewoon een ouwe lul in de Aldi. Ik vind het allemaal best. Alles liever dan die jongere oudere die zijn studies en banen en relaties verklooide door te lang charmante grapjes aan de toog te blijven tappen. Mijn kroegtijger moest dood. Waarvan akte, al voel ik hem nog regelmatig stuiptrekken.

Ik vermoed dat er ook legio vrouwen zijn die hun baard willen laten staan. In plaats daarvan houden ze op met het verven van hun grijzende lokken. Waardoor er automatisch tien kalenderjaren bijgetikt worden. Dat hebben ze ervoor over, om zich niet meer de femme fatale te hoeven voelen. Ze zijn hun film noire meer dan beu.

Wat authentiek! lees je bij dit soort metamorfoses op Facebook. Zeker. Maar de vraag is hoe Onze Lieve Heer deze mannen en vrouwen in godsnaam gaat koppelen. Want het is leuk om van jezelf te weten dat je je charmes en good looks gecamoufleerd hebt, de ander ziet je natuurlijk gewoon als een ouwe lul of dito doos. Het oog wil ook wat, om over de rest van het lichaam nog maar te zwijgen. Het is dus zaak elkaars inner slut te herkennen, dwars door die authentieke grijze haren heen.

Gelukkig is daar altijd de Aldi. Op een niveau dat de bedrijfsleiding verre overstijgt, worden er voor ons EGO’s (extra gerijpte ouderen) stilzwijgend plekken geregeld voor spontane ontmoetingen. In de meest deprimerende filialen uiteraard, omdat daar alles nog mee kan vallen en mogelijk lijkt. Een app is niet vereist, de goede verstaander herkent de locaties aan subtiele signalen. Dus. Mocht u tussen de kiloknallers, plofkippen en grabbelbakken een kroegtijger of femme fatale van weleer vermoeden, aarzel dan niet, en ga er onmiddellijk VOL mee op de bek. Want oud, dat bent u maar eenmaal in uw leven.

# YouToo

Hartje Aldi
Zoek de Hartje-borden!

Een 2018...

...als nooit tevorenl

Nieuwjaar 2018

Neef B. en Oom R.

Voornemen:

Vaker familie opzoeken, ook al word ik dan bulderend uitgelachen om mijn wijze levensraad.

Levensraad
Zoek de zeven verschillen!

Like a sex machine

Een kerstverhaal met ballen

Uit de speakers schallen de eerste noten van La Bamba. Onder mij dansen mannen in getailleerde blouses met sleutelbeenbrede kragen en enorme okselvlekken. Dat doen ze met vrouwen in veel te wijde synthetische broeken en oversized colbertjes onder stijf gelakte coupes. Ik hang over de balustrade en tuur naar de dansvloer, als een antropoloog die vanuit een helikopter een pas ontdekte Indianenstam in het Amazonewoud bestudeert. Op veilige afstand.

De dansvloer is rond en wordt omringd door afzetpaaltjes met koordjes die de vloer de allure van een rode loper geven. In de vloer zijn spotlampen aangebracht waarvan het licht weerschitterd wordt in de bolvormige discolamp aan het koepelplafond, waardoor de bezoekers zich in een klatergouden waterval wanen. De opsmuk moet hen zaterdagnachtkoorts bezorgen.

Die hebben ze hard nodig, want verder dan wat laffe pasjes komen de meeste feestbeesten niet. Ze bewegen hun benen alsof ze pantoffels afwerpen, hun armen alsof ze een bergwandeling maken. Elkaar aankijken doen ze niet, kunnen op geen enkele gewaagde move betrapt worden. Ze dansen alsof ze staan af te wassen. Da’s disco’s dirty little secret: het is een thuishaven voor passielozen.

En waar kun je beter afwassen dan in Bristol! Er kunnen een paar duizend man in deze tempel van kitsch. En sluit de muziek naadloos aan op hun hartstocht. Het ene doodgedraaide hitje na het andere is de revue gepasseerd vanavond. Boney M, Hot Chocolate, Tavares... Herhaling, daar houden de mensen van. Vandaar ook het razend populaire ritueel bij La Bamba.

Al bij de eerste noten heeft iedereen zijn bacootje op de bar geplempt om op de dansvloer een grote kring te vormen waarbinnen vrijgezellen elkaar dansend proberen te versieren. Zonder de haarlak zou het door kunnen gaan voor een zigeunerritueel, zeker ook omdat er wel eens eentje doordraait als ie te diep gesnoven heeft. Zo is er paar jaar geleden nog een vrouw doodgeschoten, zeggen ze. En de portier, die mij met onverholen minachting binnenliet, schijnt in een Rolls te rijden. Ze geven Bristol het rouwrandje dat mij trekt.

Toch kom ik hier vooral omdat de kroegen afgeladen zijn met kerstgezelligheid. Dan is zo’n discotheek tenminste consequent in haar kitsch. Wel moet ik onvermijdelijk terugdenken aan dat ene schoolfeest waarbij ik in Travolta-outfit verschenen was. Blauw velours pak, hagelwitte blouse met soulkraag, zwarte schoenen met Italiaanse hakken en bolle neuzen. Helemaal in tune met de tijd. Voor het eerst zagen de meisjes me staan, gaven de jongens me schouderklopjes, staken de leraren hun duim omhoog. The Man was ik.

Voor één avond dan. Ik miste mijn vettige spijkergoed. Mijn houthakkersblouse. Mijn suède stinklaarzen. Ik kon het niet opbrengen, dat blitsen. Kan het nog steeds niet, me opdirken en dan onbekommerd mee hossen met de massa, op ongezouten deuntjes vol slippende drummetjes, gespeend van ieder greintje overgave. Muzak die me lijkt vast te nagelen in de tijd.

Gelukkig is er ook in Bristol wel eens een tijdloos moment. Alsof de discobol mijn gebeden heeft verhoord, galmt er opeens een unieke, hees-geile stem door de tempel: ‘Fellas, I’m ready to get up and do my thing! I wanna get into it, man, you know! Get up, get on up! Get up, get on up!’ Ik aarzel geen moment. Plemp mijn glas neer, roets de trap af, spring de vloer op. En ga dansen. Zoals ze daar nog nooit gezien hebben. Met skiënde voeten. Kronkelend bekken. Bezwerende armen. Halfgesloten ogen. Lustige grijns. En zwiepende haarslierten, die zorgen voor een fontein van zweet in het discolicht. ‘Stay on the scene! Like a sex machine!’

Al na een minuut wordt The Godfather of Soul weggedraaid. Loopt mijn machine vast. Open ik mijn ogen. De dansvloer is bijna verlaten. De paar overblijvers staan in een kring om me heen. Nemen me op. Niet met de goedkeurende glimlach van La Bamba, maar met de achterdocht van een groep antropologen die op een sjamaan is gestuit. Ik recht mijn rug. Hijs mijn spijkerbroek op. Trek mijn houthakkersblouse strak. En verlaat het lauwe afwaswater met opgeheven hoofd, terwijl achter mij een ‘Heaven must be missin’ an angel’ wordt ingezet. The Hardest Working Man in Show Business has left the building.

Buiten op het Hofplein raast het verkeer rond de helverlichte fontein. Er staat een Rolls geparkeerd, scheef, op de stoep, met de ramen onder de pekelblubber. Even heb ik de neiging om achterin te stappen en me naar mijn mansion in Beech Island te laten rijden. Maar dan pak ik mijn fietsje en laat ik me verzwelgen door het zwarte gat van de Maasstad. Met nazwiepende haarslierten, dat wel.

Bristol
Bristols inner cirkel werd wel heel erg klein toen deze prille BN’er zich waagde in de klatergouden waterval van de discobol

Dominee onder predikers

In Gelaetsboeck

Het was de zoon van de dominee die mij het compliment gaf. Op een feestje. Hij zei dat ik oreerde als een dominee. En gelijk had-ie. Zeker met een slok op kan ik lullen als Brugman, liefst over het menselijk tekort. Zielenherder Hannik! Sinds deze eye opener wens ik mij heimelijk een kansel. Liefst in een kleine gemeenschap, zodat ik iedere ziel persoonlijk kan bereiken.

Nog niet zo lang geleden werden mijn gebeden verhoord. De globalisering transformeerde de wereld in een dorp. Tenminste, zo ervoer ik Facebook toen ik me er vestigde. Wat een knus gehucht! Iedere dag deed ik er glimlachend mijn ronde, ditjes & datjes zegenend met likes. Al mopperde ik soms als ik over de Ophef des Dags struikelde, ik bevond mij onmiskenbaar in het dorp van mijn Vader.

Dus waarom post ik dan nooit eens een mooie preek over een actuele kwestie die in Gelaetsboeck opspeelt? Iets met mens & maatschappij, ter afwisseling van mijn microkosmische bespiegelingen? Zeker in deze tijden waarin rede wordt weggehoond en emotie dicteert – een welhaast epidemische aanval op het gezonde verstand. Ik zou er iedere dag een blog aan kunnen wijden.

Maar dat doe ik niet. Want er is iets aan de hand met de goegemeente. Er lijken hier al massa’s predikanten rond te struinen. Met lichtontvlambare fakkels. En een speciale versie van de Schrift. Eentje die gecorrigeerd is. En daardoor veel preciezer dan de conventionele. Er staat exact in vermeld wat ‘goed’ is. En vooral wat ‘fout’. Van hoofddoekjes bij de politie tot geslachtsloze toiletten. Van de Witte de Withstraat tot zwartgeschminkte kinderfeestjes. Van referenda over referenda tot olifantenbeschermende olifantenjachtpartijen. Van masturberende stand-up comedians tot smeltende ijsberen. Van pianoplankende politici tot Twitterverslaafde presidenten. Werkelijk alles en iedereen wordt erin geduid. Reuze handig, zo’n leidraad richting Het Licht. Hoef je nooit te twijfelen over je pad of na te denken over je gedachtegang. Wijzen volstaat. Naar de Anderen, die nog niet gecorrigeerd zijn.

Want in het dorp zijn ook dissidente geluiden te horen. Van dwarsliggers, benieuwd naar beide kanten van het verhaal. Van ongelovigen, die geloven in de chaos der dingen, doordrongen van de gebreken der mensheid. Zij zweren bij hartelijkheid en humor, maar houden ook van kritische vragen. En geven volmondig toe het vaak niet weten. Er stroomt zelfspot door hun aderen.

Naarmate de preken der nieuwe dominees luider en talrijker worden, verstommen deze stemmen der Anderen. Slechts een enkeling waagt het nog om met een tegenargument of relativerend grapje vraagtekens te zetten bij een gecorrigeerde preek. Want vroeg of laat word je dan ontvolgd. Ontvriend. Ontmenselijkt. Of erger: voor racist versleten. Seksist. Fascist. Foob. Om uiteindelijk door Heer Suyckerbergh het dorp uitgejaagd te worden. Tot Gelaetsboeck gezuiverd is van alle tegengeluiden. En het dorp weer wordt zoals het behoort te zijn. Correct.

Ik merk dat mijn rondjes door Gelaetsboeck steeds korter worden. Mijn zegeningen vlakker. Dat ik bepaalde bewoners mijd omdat zij, ondanks hun vermakelijke ditjes & datjes, bij de minste aanleiding hun fakkel ontsteken. Dat put mij uit. Maakt me moedeloos. Misantropisch zelfs. Nog even en ik begin zelf te wijzen. Da’s vloeken in de kerk natuurlijk, dan maak ik van de Correcten mijn eigen Anderen. Terwijl we toch allen even gemankeerd zijn, met ieder zijn eigen gebruiksaanwijzing. Misschien moet mijn preek daarover gaan. Over de onvermijdelijkheid van het menselijk tekort. En de charme ervan. Desnoods voor een lege parochie. En anders voor een lynch mob.

Dominee onder predikers
De foto stamt uit 2012 en is genomen in de Utrechtse Dom

De lokeend

Van de RET

[Onderstaand fragment is afkomstig uit mijn roman-in-de-maak over schoolverlater Rinus in het Rotterdam van 1979. Rinus zit in een dip. Hij heeft zijn motor total loss gereden en zijn carrière van ongeschoolde baantjes ziet er al niet veel beter uit...]

Mensonterend voelt de degradatie. Als outlaw biker veroordeeld tot het olijfdrab van de RET! Tussen het grauw! De pendelaars, kantoorklerken, shoppers! En waarom brandt er altijd zo’n naargeestig licht in de tram? Zouden de ingenieurs doelbewust voor tl-buizen gekozen hebben om de reiziger te laten wegzinken in een overbelichte levensmoeheid?

Ik gluur vanuit het harde rode bankje naar mijn medemens. Zonder uitzondering asgrauwe gelaten. Alsof ze het er om doen. Wat weinigen weten is dat sommige reizigers figuranten zijn. Die moeten weifelende voetgangers lokken met hun aanstekelijke chagrijn, zodat de wagen volgepropt raakt en de ruiten beslaan. Dat oogt dynamisch.

Maar liever nog zo’n rollende depressie dan een kekke thematram. De Striptram waarop ‘TINGELINGELING!’ staat, als ware het de Pep. De Haventram met sleepbootjes dobberend op wilde baren. De Binnenstadsdagtram met psychedelische vormen. En de VVV-tram met scheef getekende diergaarde-chimps en een geknakte Euromast. Alles om te benadrukken dat een rit door de verregende havenstad toch vooral als een onvergetelijk avontuur ervaren moet worden.

In plaats van de dodenrit die het is. Onze trambestuurder jaagt zijn stalen ros ongenadig hard de stad door. De wagen reageert nukkig, stuurs, nijdig zelfs, neemt de bochten alsof hij zich niet langer door de rails laat harnassen. Een eeuw geleden zou de koetsier een hoefijzer in het gezicht hebben gekregen! Ondertussen word ik op mijn harde rode bankje heen en weer geslingerd, bid ik bij iedere zwenk dat de tram zal ontsporen en op zijn rechterzijde zal kantelen. Zodat de deuren geblokkeerd worden. En ik niet naar mijn werk hoef.

Er is nog een optie. Wat weinigen weten is dat aan het eind van de avond, als de tram op stok gaat in de remise, de lokeenden de luiken in de geribbelde wagenvloer openen. Dan dalen zij af in de SubZero, als zombies, naar een onderwereld waar we allemaal vandaan komen en ooit naar zullen terugkeren. Dus. Als ik de rit nu eens helemaal uitzit. En me onopvallend tussen hen begeef. Misschien dat ik dan kan opgaan in hun asem. Om te vervliegen, tot de rat race van het leven overgewaaid is.

De lokeend
Lijn 4 die op 13 maart 1979 uitbrandt op het Heemraadsplein tegenover mijn ouderlijk huis. De fik was veroorzaakt door kortsluiting – volgens de officiële lezing althans. (Geruchten deden anders vermoeden...)

De gijzeling

Van de journalist

‘Een gevoel van gijzeling zegt u...’ De bedrijfsarts kijkt me aan met de blik van een bedrijfsarts die zich afvraagt waarom ie in godsnaam bedrijfsarts is geworden. ‘Is dat niet een beetje... overdreven?’ Overdreven!? schiet het door mijn hoofd. Ha! Overdrijven is misschien my middle name, maar ditmaal sla ik toch echt de spijker op zijn kop! Ik vertel de arts hoe ik iedere ochtend kokhalzend van de stress naar mijn werk ga en ter plekke pillen moet slikken tegen de paniekaanvallen. Gevangen in mijn baantje, dat voel ik me! Daarbij, als íemand weet hoe het voelt om gegijzeld te zijn, dan ben ik dat. En wel hierom.

Lang voordat ik verviel tot loonslavernij verdiende ik mijn brood als freelance journalist voor een universiteitsblad. Als columnist om precies te zijn – specialist op de 400 woorden. Voor ordinaire waarheidsvinding had ik te veel fantasie. Maar omdat we per woord betaald kregen, wierp ik me regelmatig op als schrijver van langere artikelen. Die vielen op door markante onderwerpen als ‘acupunctuur bij veeartsenij’ en ‘harddrugsgebruik onder studenten’. Mijn meest ambitieuze artikel zou gaan over studeren in de gevangenis.

Vijf gevangenen wist ik op te sporen. In drie verschillende norren. Bijster lucratief bleek mijn plan niet, want ik moest er stad en land voor afreizen. Maar dan heb je ook wat. De poorten van penitentiaire inrichtingen Norgerhaven, Bankenbosch en De Marwei openden zich voor mij. A dream come true! Zeker ook omdat het gevangenisleven me in het bloed zit. Althans, in mijn fantasie. Tijdens speelfilms als Escape from Alcatraz zit ik steevast te broeden op een schier onmogelijke ontsnapping via de stortkoker van mijn flatje. Dus toen de gevangenisdeuren zich achter me sloten, voelde het als thuiskomen.

Geen van de jongens was gehandboeid tijdens de interviews. Ook de laatste gevangene niet, die gezien de lengte van zijn straf vermoedelijk vastzat voor moord. Aan het einde van dat vraaggesprek ging het mis. Niet vanwege de moordenaar. Het was de directeur van deze zwaarbeveiligde gevangenis die de visitatieruimte binnenstormde. Een ijzervreter met pneumatische polsen! Hij smeet de deur achter zich in het slot en richtte zich tot mij. Ik zou geen toestemming gevraagd hebben! Me niet geïdentificeerd hebben! De regels aan mijn laars gelapt hebben! Hij moest en zou de tape van me krijgen. Als bij toverslag ontwaakte De Journalist in me. Mijn unieke, maatschappij ontwrichtende interview hier achterlaten!? No way! Fuck the System! Het volk heeft recht op de waarheid! ATTICA! ATTICA! ATTICA!

Wel een uur lang heeft de gijzeling geduurd. Een paspoort had ik niet bij me. Rijbewijs evenmin. De redactie opbellen was uitgesloten, die zou me nooit geloofd hebben (eindredacteur tegen collega’s, wijzend naar de hoorn: ‘Jongens, dit is Hannik die zegt dat ie is gegijzHAHAHAHAHAHAHAHAHA!’). Ik zag me al afgevoerd worden naar een celblok vol overbehaarde, anaal gefixeerde zedendelinquenten.

Uiteindelijk hebben we het bandje ter plekke afgeluisterd. Waarna ik een verklaring moest ondertekenen waarin ik de Pneumatische Polsen recht gaf op ‘correctie’. Gelukkig is mijn handtekening een soort paraaf die weer oogt als een analfabetisch kruisje. Dus Fuck the System extra diep! Ik werd de gevangenis uit geschopt. Mét bandje. Waarna mijn artikel ongecorrigeerd werd gepubliceerd. En ik dat jaar de Pulitzer...

‘Meneer Hannik?’ hoor ik de bedrijfsarts zeggen terwijl ie op het fineer van zijn bureau klopt. ‘Bent u er nog? Zullen we u maar een weekje laten uitzieken? Even bijkomen van uw ‘gijzeling’?’ Heel veel gesprekken later hoefde ik niet meer terug te komen. En nog heel veel meer gesprekken later zou ik mijzelf veertig maanden gijzelen voor het schrijven van debuut Coef. Ook vandaag zit ik weer geketend aan mijn pc om korte verhalen en een eerste roman uit mijn toetsenbord te kloppen. Terugverlangen naar een gevangenisleven zonder ooit vastgezeten te hebben, is dat een kinky variant van het syndroom van Münchhausen?

Op de foto Norgerhaven, in 1993 gemaakt door Maarten Hartman voor het U-blad

De gijzeling
Ik heb rechten!

The Birds

Van Gannik

Of het nu ligt aan mijn achterbuurt, aan mijn doortochtflatje of aan mijn chagrijnige persoonlijkheid, het balkon áchter trekt duiven aan alsof het hun alma mater is. Of liever gezegd hun Dresden, want het wordt dagelijks belaagd met poepbombardementen. Terwijl ik toch degene ben die de huur betaalt, dus als er íemand zijn behoefte op mag doen ben ik dat.

Omdat me de lust ontbreekt om elk decennium het balkon te schrobben, heb ik een paar jaar geleden de balustrade uitgerust met plastic stekels die een veilige landing onmogelijk maken. Helaas joeg het concentratiekampsfeertje vooral mijn dates weg. Daarbij bleken de tiewraps en de siliconenkit waarmee ik ze verankerd had (de stekels, niet de dates), gevoelig voor de elementen die het balkon teisteren, waardoor er steeds meer stekels op het binnenplaatsje belandden. Nota bene tussen het zwerfvuil, waar ik altijd zo op mopper! Het was dus wachten op een buurtkind dat met doorboord oog de flat bij elkaar zou krijsen, waarop woedende ouders een lynchpartij richting kaaskop ‘Rrrien Gannik-van-vier-hoog’ zouden organiseren. Ik zie dat soort dingen aankomen.

Toen de laatste stekels bij een renovatie geruimd waren (de man van de woningbouwvereniging: ‘U gaat er nu toch wel wat van maken hè’), moest ik me behelpen met een plantenspuit. Een pro-actief offensief werd dat! Iedere keer als ik in ninja-zwart trainingspak met super soaker in ambush style over de keukenvloer naar het raam kroop, volgden de duiven mijn guerrilla met de blik die je verwacht bij het intakegesprek in het Pieter Baan Centrum. Ik heb nog overwogen de plantenspuit met accuzuur te vullen voor een doortastender effect, maar dan zou er beneden natuurlijk weer een kind gaan zeuren over een gesmolten gezichtje. Onze flat lijkt soms één lange klaagmuur.

Lang verhaal kort, ik ben nu voor duurzaam gegaan. Drie kraaien van onverwoestbaar hardplastic met bad ass uitstraling. Zij zullen de duivenformaties verjagen met hun boze oog. Althans, dat beweert de website. Vanmorgen zag ik alweer een duif tegen een van mijn killerkraaien aanschurken. Misschien moet ik ze met een vislijn dreigend laten wippen of er naargeestige geluiden bij maken. Feit is dat ik tot nu toe de enige ben die zich het leplazarus schrikt, steeds als ik een blik uit het keukenraam werp. Een Gannik-verschrikker, zou daar een markt voor bestaan?

Rhe Birds
Gannik en zijn trawanten

De instraling

Door de pony

Zoals gewoonlijk was mijn vraag weer eens veel te pragmatisch voor de geestelijke gezondheidszorg: is het mogelijk om mij onder hypnose terug te brengen naar het jaar 1979, naar het toilet van Café Sjaan op de ’s Gravendijkwal te Rotterdam om precies te zijn? Op die manier kan ik een gedetailleerde indruk krijgen van het toenmalige uitgaansleven, waardoor ik de couleur locale van mijn nieuwe roman een nóg waarachtiger uitstraling kan meegeven. Mentale research, zeg maar. Briljant idee vond ik zelf.

De hypnotherapeute, met zwartgeverfde pony en dichtgeplamuurde groeven, type ‘meesteres-voor-provinciale-parenclubs’, keek me aan met zo’n blik van christustepaardhebikweer. Terwijl het toch flink googlen was geweest naar een certified peut. De meesten beloven je een vorig leven terwijl ik al zo’n moeite met het huidige heb, of beschikken niet over de vereiste papieren. Ik mocht blij zijn dat ik tussen de wichelroedelopers zeggen & schrijven één hypnotiseuse trof met diploma en no-nonsense houding. En pony dus.

Uitgerekend zij reageerde vol onbegrip op mijn voorstel om samen het Rotterdamse uitgaansleven van de vorige eeuw in te duiken. Ik haastte me eraan toe te voegen dat ik mogelijk ook op wat jeugdtrauma’s zou stuiten. (Dat klonk wat sociaal wenselijker.) Maar toen ik begon te raaskallen over mijn gekke moeder die LSD-hypnose heeft gekregen van professor Bastiaans en toen terug moest naar het jappenkamp en daar bijna in gebleven is, onderbrak de therapeute me streng. Ze drukte me op het hart dat hypnose zoals je die op tv ziet, met idioten die als kippen gaat kakelen, theatrale onzin is. ‘Toneelhypnose’ noemde ze dat. Of me dat duidelijk was. Ik knikte bedrukt. En werd richting sofa gedirigeerd, alsof ik al in trance verkeerde.

Liggen, dat lukte me nog wel. Maar toen moest ik van haar ook nog eens ontspannen. Op commando. Eerst mijn ene been, daarna het andere. Ledemaat voor ledemaat, orgaan na orgaan. ‘CONCENTREER JE!!’ beet ze me toe als ik weer eens in een ‘planking’ schoot. Waarom kon ze me niet gewoon instralen, zoals echte hypnotiseurs dat doen! Ze zette een metronoom aan die me deed denken aan de klok van mijn oma die naar spruitjes en grijs gehakt stonk, details uit 1979 waar ik helemaal niet aan herinnerd wilde worden. Ik wilde naar de wc! ‘CONCENTREER JE!!’ klonk het weer.

Dus ik in mijn geheugen op zoek naar de plee van Café Sjaan. Kon hem met geen mogelijkheid vinden. Logisch, want daarvoor wilde ik nu juist in trance! Bovendien begon ik me zorgen te maken of ik misschien zo’n geval was dat extreem vatbaar is voor hypnose. Stel dat er diep weggestopte shit in me naar boven zou komen, met die zwartgeverfde pony naast me! Dat zou blijken dat mijn ouders me als peuter hebben laten ombouwen omdat ze liever een zoon wilden, dat ik door aliens ontvoerd ben voor spermatologisch onderzoek of dat ik door gymnasium 3 gegangbanged ben na het volleyballen! Of last but not least: dat ik opeens op de plee van Sjaan zit om daar voor eeuwig in de hypnose te blijven hangen! ‘CONCENTREER JEEE!!’

Niets gebeurde er. Helemaal niets. Ik heb daar drie kwartier liggen zweten zonder ook maar een pleeborstel voor de geest te kunnen halen. Het bleef duister in mijn bovenkamer. Geen uitstraling zonder instraling, dat was duidelijk. Nog geen portie provinciale SM kon ervan af. Ik voelde me bekocht met deze slappe hap. Morgen maar eens googlen naar een krachtiger therapie. Iets met een paardenmiddel. De zoon van Bastiaans, was die niet ook psychiater?

De instraling
Disclaimer: de foto is niet genomen tijdens de hypnosesessie, 
maar nagespeeld met een erkend wichelroedeloopster

De zilverrug

Met wolvenogen

Bijna dertig jaar kennen we elkaar nu, nog steeds maken we dezelfde flauwe grappen die onze vriendschap pantsert tegen de erosie des tijds. Begin jaren tachtig was hij als een oudere broer voor me. Hij leerde me spannende schrijvers kennen als Céline, Hamsun, London en Lovecraft. Urenlang konden we ouwehoeren over Star Trek’s Uhura, de afwijking van onze luchtbuksen of de inner logic van Monty Python. Terwijl we toch uit zeer uiteenlopende milieus stamden. Hij een slagerszoon die zich uit zijn milieu had geleerd, ik een zoon van de dokter die nergens voor wilde deugen. Kon hij rake karateklappen uitdelen, ik was een ster in het uitlokken van conflicten. Beiden zijn we beschadigd in onze jeugd. Hij fysiek, ik emotioneel.

Inmiddels heeft hij twee geweldige dochters grootgebracht en probeer ik wekelijks een verhaal te baren. Hij staat nu model voor personage ‘Frans’ in mijn aanstaande boek, een roman die zich afspeelt in het Rotterdam van 1979. Voor nieuwsgierigen volgt hieronder een fragment.


‘Rinus, zet m'n benen effe bij de reanimatiespullen,’ vraagt Frans als hij zijn kleedhokje opendoet. Ik pak de benen aan, samen met de sleutels van de kast. De prothesen zijn lichter dan verwacht, terwijl de broek, sokken en schoenen er toch nog aan vast zitten. Als ik ze in de kast van de staf plaats blijven ze rechtop staan. Eigenlijk zien de benen zonder Frans er vreemder uit dan Frans zonder benen – alsof zijn bovenlichaam heel secuur ontploft is. De holtes waarin hij zijn stompen vacuüm trekt ruiken naar vers zweet. Mijn oksels stinken naar angstzweet.

Steunend op zijn palmen schommelt Frans zijn dubbelgespierde romp in noodtempo over de zwembadtegels richting vijftigmeterbad. Hij heeft de massale lenigheid en autoriteit van een Zilverrug – een alfa gorilla die zijn territorium komt opeisen. Ik kan hem nauwelijks bijbenen. Bijna niemand in het Sportfonds kijkt op van deze toch niet alledaagse verschijning. Misschien komt dat doordat hij wel alledaags is. ‘Hé Frans, laat je biceps eens zien!’ echoot het. ‘Mr. Olympia!’, ‘Franzzz the Champ!’ Ik slof achter the Champ aan, handdoekje over mijn tanige schouders. De meeste jongens hier dragen een Speedo waarin je dinges groot lijkt. Mijn zwembroek is nog van het lyceum en uitgerust met een binnenbroek. De buitenbroek rafelt en heeft een ruitjespatroon waardoor mijn dinges er vooral verkreukeld uitziet.
‘Niet zo schichtig, RT!’ zegt Frans terwijl hij zijn romp met Erroll Flynnzwier op de rand van het bassin slingert om overzicht te krijgen. Een lollige Zuidwijker naast ons maakt een bommetje. Ik huiver van de spetters, sla de handdoek verder om me heen. Frans grijpt me bij een kuit en wijst naar een plek naast de duikplanken. ‘Daaro. Daar gaan we liggen. Bij die brunette. Die heeft bij ons in de slagerij gewerkt. Zúlke kokosnoten. En die blondine ernaast, da’s haar zus, die mag jij.’ Ik knik en verlang naar mijn baantje aan de lopende band.

De brunette ligt op haar buik de Viva te lezen. Ze heeft zo’n volwassen lichaam met breed bekken en haartjes die uit het bikinibroekje kruipen. Een echte vrouw! Frans sluipt van achteren op haar af en sluit zijn handen om haar ogen. ‘Mag het een onsje meer zijn?’ vraagt hij grinnikend. Het Bekken draait zich schaterend om en toont haar boezem met de flair van een marktkoopvrouw. Terwijl de twee grappen maken over de slagerij, check ik de waterspiegel op haaienvinnen, maar krijg het gevoel alsof ik zelf beloerd word. Dat kan kloppen. De zus, een blondine met stekkerneus en zwaar voorhoofd, kijkt me aan met schalkse blik die ze laat afglijden naar mijn ruitjes. Ik schuif mijn handdoekje ervoor en ga een paar meter verderop zogenaamd zitten lezen in Martin Eden.

‘Je had je toch wel even kunnen voorstellen, Rinus Tinus!’ bijt Frans me even later toe. Hij zucht en gaat naast me op zijn buik liggen. ‘Volgens mij heeft die zus een oogje op jou.’
‘Die zus heeft een stekkerneus en een zwaar voorhoofd.’
‘Je moet érgens beginnen.’
Ik ga ook op mijn buik liggen. We luisteren zwijgend naar de kakofonie van het zwembad, turen naar bekkens en kokosnoten die stunten op de planken.
‘Zeg Frans.’
‘Zeg Rinus.’
‘Was je zenuwachtig, de eerste keer?’
‘Dat ik hier kwam zwem…’
‘Nee, je weet wel.’
Frans grijnst vanonder zijn taxisnor. ‘Mijn eerste keer was met Bonnie van de apotheek. Die zat onder de puisten maar had flink wat hout voor de deur. En ik was natuurlijk zestien hè.’
‘Vond je het niet eng met je benen en zo.’
‘Ze had me hier al vaak gezien. Als ik haar nou had opgepikt in ’t Schaapje…’
‘Hé mister Bicep!’ klinkt het opeens achter ons. Twee gebodybuilde beach boys-met-permanentjes gaan op hun hurken tussen Frans en mij in zitten, hun stuitjes naar mij toe gekeerd. De grootste heeft tussen zijn schouderbladen een tatoeage van een tijger waarvan de snoet geknakt wordt als de gozer op zijn armen steunt. Frans begint met de boys te kletsen over steroïden, deurbeleid en de nuances van armpjedrukken. Ze praten net zo luid als de Kralingse uitzendkrachten, maar dan plat. Een serie lachbulders en schouderkloppen later vervolgen ze hun weg, hun brede schouders laverend door het glibberende zwemvolk.
‘Arie en z’n broer Joop,’ verduidelijkt Frans. ‘Geen lichten, maar beste jongens. Arie heeft soms wat emotionele problemen.’
‘Je bedoelt als ie niet hard genoeg op iemands hersenstam in heeft kunnen beuken?’
Frans knikt. ‘Dan wordt ie onzeker. Heeft ie behoefte aan een luisterend oor.'
‘Frans?’ klinkt het opeens. Er bungelen twee kokosnoten boven zijn hoofd. Boven het mijne hangt een zwaar voorhoofd. ‘Zin in een duik?’ vraagt het Bekken aan Frans. ‘Je vriend misschien ook?’ Frans kijkt me streng aan. Ik kijk benauwd terug. ‘Prima idee,’ zegt hij zonder zijn blik van mij af te wenden. ‘We komen zo.’
Als het Bekken richting bassin loopt met haar zus staren we haar kont achterna, te lustig om nonchalance te veinzen. Maar het is ’t Voorhoofd dat even omkijkt voordat ze in het water verdwijnen.
‘RT, ga je mee?’ vraagt Frans. ‘Nog effe lezen.’ ‘Je bent toch niet bang van die stekker hè.’
‘Ben gewoon niet zo in de stemming.’
‘Jij moet gewoon wat aan je uiterlijk doen. Zet eens een Black&Decker in die apenplaneetcoupe van je, en ga eens mee naar het krachthonk om je… ’
‘Jij hebt makkelijk praten, met die bouw van je.’
‘Heb IK makkelijk praten?’ Frans kijkt me een moment hard aan, draait zich dan zwijgend om en hobbelt naar de duikplanken. Bijna geheel op armkracht klimt hij de trap op naar de bovenste plank, hobbelt naar de rand, gaat daar op zijn handen staan, stompen triomfantelijk in de lucht, wel vijftien seconden lang. Het hele zwembad kijkt toe. De kakofonie verstomt. Dan zet hij zich af. En duikt hij het chloor in als een afgetrainde ijsvogel.

 

De zilverrug
'Frans' in 1983 op het toenmalige Muscle Beach te Hoek van Holland, links vooraan, met wolvenogen en taxisnor.