titels blogs

Blog

De blik

En de blokjes

Soms duurt het even voordat ik helder heb welk verhaal er schuilgaat achter een foto die me inspireert. In dit geval achter een reeks van vier portretten, van mij gemaakt in het voorjaar van 1965. Twee springen er uit. De ene Rein heeft een billion dollar smile, de andere een blik die het ergste doet vermoeden. Ze zitten te spelen met debiliserende blokjes, ongetwijfeld op instigatie van een ongeduldige fotograaf.

Pas na een nachtje marineren begreep ik wat de knulletjes me willen vertellen:

De foto’s zijn nog steeds actueel. Het is een kwestie van volgorde. De bovenste volgorde illustreert hoe ik het leven ervaar, de onderste laat zien wat ik van dat leven probeer te maken door erover te schrijven. Gezien de blokjes is er voor die positieve houding wel een destructieve geest vereist.

De blik
Geen bloksnorretje onder tekenen!

Jingle hell

In een bevroren Schiedam

Ik was getipt door een vriend die de advertentie in de Havenloods had zien staan. ‘Platenverkopers hebben veel sjans,’ beweerde hij stellig. En aangezien ik mezelf beschouwde als een echte muziekkenner, zo een die niet alleen naar Top 40 luisterde maar ook naar klassieke crooners, was ik in de pen geklommen.

De ochtend van het sollicitatiegesprek had ik me verslapen. Ik moest me als de sodemieter aankleden: lange onderbroek, motorjack en ook nog eens mijn knalrode regenpak. Want anno 1979 bestond er dan nog geen gevoelstemperatuur, het vroor dat het kraakte.

Het stukje van de Mathenesserdijk naar Schiedam was zo glad dat ik bij iedere bocht een voet op het asfalt hield. Alsof ik door een Hogere Macht werd tegengehouden. Op een uitgestorven rotonde ging ik onderuit, in slow motion, voortglijdend als een omgewaaide oma op onderbinders. Toen ik mezelf en mijn Honda opgehesen had bleek er een flinke jaap in mijn pak te zitten. Ik zag eruit als een kerstman die door zijn rendieren te grazen was genomen.

Eenmaal bij de winkel aangeland had ik geen tijd meer om mijn pak uit te trekken. Ik deed in vol ornaat de deur open, om getroffen te worden door Paul McCartney’s Wonderful Christmastime. De kersthit van dat jaar, en met afstand de ergste aller tijden. De medewerker achter de balie had een kerstmuts over de oren getrokken, terwijl de platenzaak toch tot tropische temperaturen was gestookt. Ik stelde me voor en maakte duidelijk waarvoor ik kwam. De verkoper knikte. Hij had zwarte kringen onder de ogen. Er schemerde iets van wanhoop door in zijn blik. Was hij bang dat ik hem van zijn troon zou stoten? Kon hij de sjans niet aan? Hij wees me door naar het kantoortje áchter.

Nog voordat ik kon aankloppen werd de deur geopend door de uitbater. Een joviale dertiger met ijdel haar en rode broek. Hij schudde me de hand, schonk thee in en zette de kachel nog iets hoger. Vervolgens begon hij een verhaal af te steken over zijn LP-business. Grootse plannen had ie. Een imperium van platenzaken wilde hij opbouwen. In iedere stad een shop! ‘Zodat iedere dag als kerst voelt!’ Op de achtergrond hoorde ik Paul McCartney opnieuw inzetten.

De platenboer zocht een dynamische medewerker. Een muziekkenner, maar vooral een rasverkoper. ‘Een kanjer die weet what’s hot and what’s not!’ en ‘Een people’s person die de klant warm kan maken voor de nieuwste kersthit!’ Zijn hoofd was rood aangelopen van de emotie, zijn blik zo vurig dat er kooltjes in leken te branden. Hij nam me op alsof hij iets in mij herkende. Misschien kwam dat door mijn dynamisch opengescheurde rode regenpak, waarin ik het knap benauwd begon te krijgen.

De uitbater besloot zijn vlammend betoog met een ‘nu alleen nog even deze vragenlijst invullen’. Het was multiple choice. De vragen gingen allemaal over de Top 40, niet over klassieke crooners. Uit balorigheid heb ik overal keuze A omcirkeld. De platenboer scande mijn antwoorden. Allemaal correct! volgens hem. Hij schudde me de hand. ‘Don’t call us, we call you!’ zei hij met diabolische grijns. Onder mijn regenpak voelde ik een Niagara aan zweet over mijn ruggengraat kletteren.

Terug in winkel weerklonk opnieuw Wonderful Christmastime. Dat was het beleid kennelijk. Ik moest huiveren. De medewerker keek me aan alsof ie ieder moment in tranen kon uitbarsten. ‘NEEM ME MÉÉÉ!!’ las ik in zijn ogen. Even was ik bang dat hij zich aan mij zou vastklampen. Ik gaf hem een bemoedigende knijp in de schouder (zoals je dat doet bij een ter dood veroordeelde), en liet de platenzaak achter me.

De weg terug slipte mijn achterband bij iedere bocht, maar onderuit gegaan ben ik niet meer. Thuis stond de stem van de platenboer op mijn antwoordapparaat. Ik was aangenomen. Kon rekenen op een mooi salaris. Geweldige secundaire arbeidsvoorwaarden. Vette bonussen. Nog diezelfde avond heb ik hem een briefje geschreven. Dat ik afzag van de functie. En van de sjans, dacht ik erbij. De rest van de week heb ik iedere avond Bing Crosby’s White Christmas moeten draaien. Om Paul McCartney voorgoed uit mijn kerstgeheugen te spoelen.

Jingle hell
Simply having a wonderf... PETS!

Duurzaam tekort

In de toekomst

Lang geleden, toen ik nog een snotneus was die de Kijk las, bestond er zoiets als de Toekomst. Althans, dat beweerden futurologen. Zij presenteerden hun visioenen in fraaie tekeningen van vliegende auto’s, kolonies op mars en steden op de oceaanbodem. De beelden waren bij voorkeur gedateerd rond de millenniumwisseling, want ‘2000’, dat klonk in mijn jeugd nog als toekomstmuziek.

Bijster origineel of fantasierijk vond ik hun kristallen bol echter niet. Pas later besefte ik waarom. De concepten borduurden voort op al bestaande technologieën. Niets nieuws onder de zon! Bovendien maakte hun Toekomst een wel erg ordentelijke en optimistische indruk. Allemaal brave gezinnetjes, omringd door techniek die de mens dient. Geen spoor van overbevolking, wereldhonger, epidemieën en haves en have nots die elkaar naar het leven staan. De schaduwzijde van de mens, die ik zo goed had leren kennen uit persfotoboekenserie Het Aanzien van Negentienzoveel, zou in de Toekomst geheel en al verdwenen zijn. Zelfs op de zeebodem scheen het zonnetje.

Hoe kortzichtig de futurologen waren blijkt uit het feit dat geen van hen de informatierevolutie heeft voorspeld. In de Kijk nergens een tekening van een Zalando of een Facebook. Natuurlijk oogt zo’n homepage weinig fotogeniek, maar zelfs áls de visionairs het internet voorspeld hadden, dan zouden ze het opgediend hebben als een medium waar ideeën en ervaringen respectvol uitgewisseld worden. Niet als een digitale beerput waarin je kinderporno kunt bekijken, handgranaten kunt bestellen, andersdenkenden de huid kunt vol schelden of je buurman met webcambeelden kunt afpersen. Futuristen hebben een blinde vlek voor het menselijk tekort. Misschien wel een vereiste om in progressie te geloven.

Waar ik sinds de Kijk op wacht zijn journaalbeelden waardoor ik zeker weet dat ik in de toekomst terecht ben gekomen. Geen AH-karretje op Mars, maar aliens die Poetin de tentakel komen schudden. De eerste foto’s van het Hiernamaals, van de menselijk geest, van een droom. Giant-leap-for-mankind beelden. Maar ik kan wachten tot ik een ons weeg. We staan met z’n allen in de File der Vooruitgang, onze koekblikken vol behangen met high tech lulkoek.

Het enige wezenlijke verschil met Vroeger is dat er tegenwoordig tweemaal zoveel mensen zijn. Waardoor het menselijk tekort verveelvoudigd is. De nieuwe generatie futurologen werpt zich daarom graag op als onheilsprofeten die duurzaamheid prediken. Maar hoe duister hun kristallen bol ook, voor het menselijk tekort hebben ze nog steeds geen oog. Want de meeste stervelingen kunnen zich helemaal geen Toekomst veroorloven. Laat staan een duurzame. En de lezertjes van de Kijk zitten niet te wachten op een tekening van de mensheid die wegzinkt in haar plasticsoep van gesmolten poolijs. Hoe fraai de zonsondergang ook.

Gelukkig leven we nog even in het Heden. En daarin is toch één beeld dat indruk gemaakt zou hebben op de snotneus in mij: een stadion vol mensen die tijdens een concert een klein schermpje in de lucht houden. Weer iets wat futurologen gemist hebben. Maar zelfs áls ze de telefooncamera voorzien hadden, dan zouden ze geen tekening gemaakt hebben van filerijders die een gruwelijk ongeluk aan de andere kant van de snelweg vastleggen om er thuis van na te kunnen genieten. Misschien is dat de reden waarom we ons nu blind staren op een duurzame toekomst: we hebben nooit echt naar onszelf durven kijken in het vluchtige Heden. Heb ik het al over de selfie gehad?

Duurzaam tekort
De Kracht van het Nu voor het Straks

Confessies van een querulant

Zonder schimmel

Het is op Facebook als vloeken in de kerk. Opbiechten dat je allergisch bent voor activisme. Of beter gezegd: voor activisten. Ik vind ze zo belerend. Zelfvoldaan. Dogmatisch. Verwijtend. Ze luisteren niet naar tegenargumenten. Kijken niet naar zichzelf. Hebben geen zelfspot. En het ergste is nog dat er eentje in mijzelf schuilgaat. Een volbloed dierenactivist, screaming to come out. Maar laten we eerst het fenomeen eens op de vivisectietafel leggen.

Er was een tijd dat activisten mijn sympathie kregen omdat ze het op moesten nemen tegen een autoritaire overheid. Die stuurde de ME op hen af, met knuppels, traangas en politiehonden. Ook de kranten oordeelden streng over de anarchie. Tegenwoordig is activisme mainstream. Social justice warriors worden niet alleen bewierookt in talkshows, de overheid maakt vanuit haar politieke correcte spagaat steeds vaker een knieval voor hun progressiviteit. Sterker, tegenwoordig is het de ongeruste burger die een taakstraf wacht. Conservatisme is de nieuwe counter culture geworden.

Natuurlijk zijn niet alle activisten dogmatisch. En natuurlijk is het goed dat er misstanden aan de kaak gesteld worden. Anders verandert er nooit wat. Sterker, ik denk dat de meeste Nederlanders openstaan voor het nodige schaafwerk aan hun cultuur. Als de drammers wat minder zouden drammen. De vraag is of die dat willen. Want de activisten die de media domineren lijken er een dubbele agenda op na te houden.

Er zijn twee soorten. Allereerst de beroepsactivist. Die gebruikt zijn idealen om carrière te maken als geëngageerd kunstenaar, schrijver, filmer, wetenschapper of politicus. Deze pro’s zijn helemaal in tune met de tijdsgeest. Geen interviewer die hen durft te confronteren met hun onverdraagzaamheid. Dan heb ik meer op met de andere categorie: de querulant. Dat is een aandachtstrekker die zijn idealen inzet om maatschappelijk te ontwrichten. Het type dat waxinelichtjes gooit of plechtige stiltes verschreeuwt. Vaak een werkloze, of zelfs dakloze. Onverlaten waarin ik mijzelf herken.

Daar kwam ik achter toen ik een interview zag met een notoire anti-Piet activist. Ook dit jaar verscheen hij voor de camera’s om zijn landgenoten van racisme te betichten. Ik slaakte een zucht, terwijl ik toch geen Pietenfan ben. Maar bovenal herkende ik iets in hem. Was het die vuige baard? Die spottende oogopslag? Die onbetrouwbare grijns? Toen viel de munt. Ik zat naar mijn alter ego te kijken. Nóg zo’n ziel die het volk dat heerlijk avondje misgunt!

Opeens voelde ik een sterke verwantschap. Alsof er een oerkracht zich in mij manifesteerde. Geen anti-Pieter, maar een dierenactivist. Want dierenleed, dat kan ik niet aanzien. Mijn bloed gaat koken bij beelden van abattoirs, pelsfokkers of ganzenplukkers. Zelfs met ruiters heb ik weinig op, want geen paard laat zich uit vrije wil beteugelen. Zeker die arme schimmel niet als hij, gebroken door de vol gevreten goedheiligman en geteisterd door honderden kinderstemmetjes, zijn kunstjes op de kadekeien moet vertonen. Dieronterend.

Dus. Volgend jaar rond kunt u mij, zij aan zij met de anti-Pieters, bij de intocht horen schreeuwen. Voor een schimmelvrije Sinterklaas. Grote kans dat er tevens wat Boze Witte Mannen zullen staan, want die worden het zat als bejaarde pedo neergezet te worden. Om maar niet te spreken van de kinderen die niet langer misbruikt willen worden als pion van de speelgoedfabrikanten. Nog even en ons resten de Sinterklaasliedjes. Waar we dan gezamenlijk doorheen kunnen schreeuwen. In harmonie, want uiteindelijk zijn we allemaal dezelfde allergische kerkgangers.

Confessies van een querulant
En dan 's nachts nog eens de daken op

Sandemans halfje grof volkoren

En de U van het bakkermeisje

Mijn eerste hoed kocht ik op mijn zestiende. Voor schoolfeestjes. Om interessanter te lijken, maar vooral ouder. Met die hoed op transformeerde ik van een androgyne Smurf in een ruige rocker. Zeker als ik wild op Alice Cooper danste. Zoenen was dan nog een brug te ver, de meisjes zagen me nu in ieder geval staan.

Onlangs heb ik mijn tweede hoed gekocht. Om interessanter te lijken, maar vooral ouder. Niet voor een feestje. Voor het meisje van de bakker.

Het zal zo’n jaar of vijf geleden zijn geweest dat Het Begon. Ik vroeg haar om een halfje volkoren. Zoals iedere ochtend. Waarop zij mij begon te be-U-wen. Voor het eerst. Zonder aanleiding. Niet met een o-bent-u-misschien-die-geweldige-schrijver-die-ieder-moment-kan-doorbreken-U. Nee, het was de hé-ouwe-trekpop-moet-jij-niet-een-halfje-Viagra-U. Dat was even slikken voor mij, na een leven lang stelselmatig vijf jaar te jong te zijn ingeschat. Wat zeg ik, tien jaar, als we mijn moeder meerekenen.

Toch heeft het meisje van de bakker gelijk. Volgens de wc-kalender word ik volgend jaar zestig. Het voelt alsof iemand een practical joke met me uithaalt. Of dat er een vloek over me is uitgesproken. Want geestelijk ben ik steeds nog iets van veertig. Emotioneel zelfs een jaar of zestien. Als ik lang in de spiegel kijk zie ik die knul er nog doorheen schemeren (stadium I van ontkenning). En eigenlijk verwacht ik dat ook het bakkersmeisje hem ziet schemeren (stadium II van ontkenning). Maar dat doet ze niet. Ze vuurt de ene na de andere U op mij af. Dan kijk ik maar wat om me heen, of ze het misschien tegen een échte zestigjarige heeft.

Het komt allemaal door mijn weerzin tegen volwassen worden. Normale mensen, die doen aan levenfasen. Zij doorlopen stadia, groeien na hun zestiende emotioneel dóór, kiezen voor huwelijk en kinderen. Als ze zestig worden, zijn ze opa. Is hun cyclus voltooid. Not me. Ik ben nog steeds op zoek naar het begin van de Cirkel des Levens. Bijna zestig jaar van rondjes rennen, dat doet rare dingen met een mens.

Uit protest tegen de ouwelullen-U’s heb ik besloten me voortaan tien jaar te oud te laten inschatten (stadium III van ontkenning). Dat doe ik door een poolbaard te laten staan. Een anachronistische lederen jas te dragen. En een hoed op te doen. Een Sandeman-from-hell hoed, die instant ontzag afdwingt. Ik zie het al helemaal voor me.

Die dag regent het zoals ’t in geen maanden gedaan heeft. Dikke druppels kletteren op de rand van mijn hoed om van mijn lederen schouders te sijpelen. Ik zwiep de bakkersdeur open zoals alleen een man van statuur dat kan. Mijn silhouet neemt bezit van de deuropening. Er gaat een siddering door de winkel. Moeders nemen hun kinderen in de armen, opa’s maken ruim baan voor me. Met gedecideerde tred stap ik op de toonbank af, die terstond in de bar van een westernsaloon transformeert. Ik grom om een halfje grof volkoren, de overige klanten negerend. Buiten flitst een bliksemschicht en weerklinkt een donderklap. Het meisje van de bakker aarzelt, alsof ze achter de toonbank naar een verbale shotgun zoekt, naar een hier-heb-je-je-zakje-bobo’s-Sandemannetje-U. Maar ik schud langzaam het hoofd. Veeg de druppels van de rand van mijn hoed, die ondanks de hoosbui strak is blijven staan. Het meisje van de bakker moet even slikken. Ze neemt me op zoals ze in jaren niet gedaan heeft. Overhandigt me het brood. ‘Het volkoren is extra grof,’ vertrouwt ze me toe met licht trillende stem. Ik werp haar iets toe wat lijkt op een diabolische glimlach, leg een tientje op de toonbank, tik met mijn wijsvinger tegen de hoedenrand en stap, zonder op wisselgeld te wachten, de winkel uit. Achter me zwiept de deur dicht als de hellepoort, boven me bereikt de zondvloed haar hoogtepunt.

Het statuur weet ik vol te houden tot ik weer thuis ben. Dan trek ik mijn anachronistische jas uit. Doe ik een knusse pyjama aan. Zoek ik een YouTubeje van School’s Out. En ga ik wild voor de spiegel dansen. Met hoed op uiteraard. Stadium IV, de slotfase van ontkenning, is misschien wel de mooiste.

Sandeman
Sandeman in actie bij de bakker

De vlucht naar voren

Van de dagdromer

Iedereen doet het. In het geniep, want het is niet iets waar je graag voor uitkomt. Sterker, je voelt je er per definitie schuldig over. Vooral Facebookers zijn er verslaafd aan. Uren en uren zijn ze d’r zoet mee. Tijdens het maken van een spread sheet, onder de tafel bij een OR-vergadering, tijdens het invullen van het belastingformulier, bij het installeren van de laserprinter. Over procrastineren heb ik het natuurlijk. Niets zo krachtig als het vluchtgedrag van de digitale uitsteller.

Misschien ben ik zelf de ergste der procrastinanten. Zo heb ik tijdens het schrijven van dit stukje stiekem YouTubejes zitten bekijken over het probleemoplossend vermogen van de octopus, over Charlie Parkers eerste optreden, over Jordan Petersons kijk op Trumps intelligentie, over de oorlogszuchtigheid van chimpansees, over de casting van Elaine voor sitcom Seinfeld, over Jack Kerouacs dronken moeder, over de alien abduction van Travis Walton, over Tom Waits die liedjes zingt aan de keukentafel van Coppola, en over de hink-stap-sprongvlucht van de eerste helikopter in 1907. Iedere seconde ervan heb ik mij schuldig gevoeld.

Met reden. De volwassene-in-mij beschouwt dit als pure tijdsverspilling. Ik had me nog zó voorgenomen om vandaag aan dit stukje voor Facebook te werken! Aan de andere kant, ik ben aan het stukje begonnen omdat ik geen zin had om aan mijn boek te werken. En aan dat boek ben ik ooit begonnen omdat ik het niet langer kon opbrengen om teksten te redigeren. En aan dat redigeren ben ik ooit begonnen omdat me de lust verging om te studeren. En aan die studie ben ik ooit begonnen omdat ik als de dood was voor een baan. Eigenlijk is alles wat ik ooit gedaan of geleerd of gemaakt heb voortgekomen uit een diepgewortelde weerzin tegen datgene wat ik eigenlijk moest doen.

De vraag is of de procrastinant zijn leven wegspoelt aan trivia en social media, of dat ie het er juist mee verrijkt. Want in al dat escapisme kunnen we tegentonen horen doorklinken die de ruis van het alledaagse doorbreken. Frisse lucht in ons maatschappelijk vacuüm. Misschien is de procrastinant dus gewoon een dromer die alleen inspiratie kan putten uit zaken die niet op werk lijken. Zoals de beste seks gepaard gaat met een zekere schaamte, zo begint het grote genieten voor de procrastinant pas als het schuldgevoel toeslaat.

Of zijn er uitzonderingen? Zeker. ‘Invisible People’ op YouTube bijvoorbeeld. Tien minuten durende filmpjes over veelal hoger opgeleide dakloze Amerikanen. Over bad luck, angst, survival, solidariteit, wanhoop en hoop, ons toevertrouwd door onzichtbare zielen. Hun getuigenissen verspillen geen seconde van onze tijd. Misschien omdat hun umwelt ons voorland is, misschien omdat ze ons influisteren dat de rat race voorbij gaat aan de essentie van ons wezen. We zijn niet voor niets allen procrastinant.

Dus. Tijdens de tienduizenden uren die we van ons leven hebben weg geprocrastineerd, hebben we vermoedelijk meer opgestoken van dat leven dan tijdens de momenten dat we onszelf forceerden om wat van het leven op te steken. Maar na dit Facebooktegeltje moet u weer verder met uw hectiek. En ik met mijn roman over een dagdromende schoolverlater. Dat wil zeggen, nadat ik een YouTubeje heb bekeken over de hoogste golf ooit besurft (33 meter, Portugal, 2014). Voel me er nu al schuldig over.

De vlucht naar voren
Invisible surfer

De hittegolf

En het afwaswater

Het was nog warmer dan het nu is. De ergste hittegolf sinds mensenheugenis, zei men. We lagen op bed. Naakt. Badend in elkaars zweet. Het raam wijd open, de luxaflex neer. Beneden raasde het verkeer door het lauwe afwaswater van de nacht. Toeterend... bandenpiepend... wegstervend...

We waren dronken, zoals altijd na het uitgaan. We hadden liederlijke seks gehad, zoals altijd na het drinken. Nu smeulden we na als de half verkoolde resten van een veldslag, deinend op de geluidsgolven uit de speakers, de pick-up op repeat voor een hypnotische cadans.

Tegen mijn gewoonte in bleef ik die nacht bij haar. Misschien omdat ik te moe was. Misschien omdat ik besefte dat dit Het Moment was. Dat het nooit beter zou worden dan deze ogenschijnlijk banale, slapeloze droomnacht. Omdat het universum even klopte. Het Lot ons elkaar gunde.

Natuurlijk is het niet ‘aan’ gebleven. Ik was te moeilijk, zij te onzeker. Die obstakels verdwenen alleen met een wijnhoofd. Dan werden we beesten. Lounge lizards die elkaar al in de kroeg in een target lock namen, elkaar onbeschaamd tegen de toog opvreeën tot ze door verbolgen stamgasten en barmannen de tent uit gejaagd werden. Triomf der lust!

Nu is ze met een man die geen drank nodig heeft om te genieten. Hij hoeft niet moeilijk te doen om zichzelf te zijn. Hij is een man met balans. Innerlijke rust. Een man die altijd blijft slapen en haar dan overstelpt met liefde. Bij hem is ze nooit onzeker, hoeft ze nimmer aan de wijn. Met hem klopt het universum. Iedere dag opnieuw.

Tot er een hittegolf uitbreekt.

Dan kan ze de slaap niet vatten. Doet ze het raam wat verder open. Zet ze die ene grijs gedraaide plaat op repeat. Trekt ze een fles wijn open. En deint ze weg op de hypnotiserende geluidsgolf, terwijl beneden het verkeer door het lauwe afwaswater van de nacht raast. Toeterend... bandenpiepend... wegstervend...

De hittegolf
Venetian blinds

De vloot

Van Noah

Mijn favoriete procrastinatiefilm is Waterworld. Hij speelt zich af in een postapocalyptische toekomst waarin de continenten onder water zijn gelopen. Eenzame held Kevin Costner jaagt er met zijn steam punk trimaran over de eindeloze baren. Hij drijft handel in spullen die hij van de zeebodem opduikt dankzij kieuwen die hij ontwikkeld heeft (don’t ask). Costner wordt voortdurend belaagd door zeerovers. Maar het is niet de actie die me boeit. Het is dat eindeloze wateroppervlak. Die ruimte! Die mogelijkheden! Iedere keer als ik moet werken zit ik fragmenten te bekijken op YouTube, dromend van een reset der mensheid, als individualist pur sang.

En iedere keer als ik tijdens mijn wandeling langs de vloot van Noah kom, moet ik aan Waterworld denken. Noahs moederschip ligt sinds mensenheugenis in het kanaal aan ‘mijn’ kade, vlak vóór de drie bruggen. Met het verstrijken der jaren is Noah een eenzame oude man geworden, met schichtige, wantrouwige blik. Ik knik hem altijd glimlachend toe, op een manier die je van een postapocalyptische kapitein mag verwachten. Ook pas ik mijn tred aan zodat het lijkt alsof ik zeebenen heb. Maar Noah knikt noch glimlacht terug. Hij mag mij niet. En de rest van de mensheid vermoedelijk evenmin.

Toch kan hij onmogelijk voor kluizenaar versleten worden, want hij bevoorraadt passerende binnenvaartschepen. Sommige schippers meren langszij aan, andere komen per bestelbus. Voor de laatste categorie rolt Noah vloekend vaten over de veel te smalle strip naar de kade. Hij verkoopt van alles, van rollen beschuit tot loodzware ankers. Maar Noah is meer dan een nautische bedrijfsleider.

Achter die schichtige ogen gaat de blik van een ziener schuil. Noah verzamelt namelijk scheepjes. Een half dozijn heeft ie inmiddels aan het moederschip vast gesjord. Ze lijken compleet doorgeroest. Toch weet hij ze op een of andere manier drijvende te houden. Inmiddels kunnen we spreken van een bescheiden vloot. En ik denk te weten wat hij ermee van plan is.

Lang voordat de global warming was uitgevonden, voelde Noah al aan zijn water dat het zeepeil zou stijgen. En dat dat sneller zou gaan dan de mensheid zou willen inzien. Het lijkt er op dat ie gelijk gaat krijgen. Zeker nu met die Oost-Duitse zomers zal het niet lang meer duren of de ijsberen komen langs drijven op het laatste stukje Noordpoolijs. Dan is het kanaalwater voor mijn deur gestegen tot aan mijn etage, de bovenste verdieping van vier woonlagen. Mocht Noah langs komen met zijn vloot, dan hoop ik dat hij mij zal oppikken. Zodat ik geen kieuwen hoef te ontwikkelen.

Maar ik voel nu al aan mijn water dat Noah niet voor mij zal stoppen. Dat hij alleen zal aanmeren voor mijn onderburen, bij wie het water tot aan de lippen is gekomen omdat ik hen de deur heb gewezen, uit angst dat ze mijn appartement zullen overnemen. Voor mijn slag is geen plaats aan boord, aldus Noah. Hij is dan misschien een eenzame man, hij houdt niet van einzelgängers die dromen van een decimering der mensheid om zelf tot hun recht te komen. Volgens hem is het de individualist pur sang die toe is aan een reset.

Dus. Terwijl zijn vloot met mijn buren richting toekomst vaart, zet ik de zaag in mijn laminaat. Voor Plan B. Een steam punk trimaran zal het niet worden, mijn vloot van laminaatvlotten is geënt op een andere favoriete procrastinatiefilm: Cast Away. Over een schipbreukeling. Daar ga ik nu alvast fragmenten van bekijken. Tot YouTube is ondergelopen.

De vloot van Noah
Klaar voor de zondvloed

Contact

Met de alien in ons

De belangrijkste reden waarom ik verhalen op Facebook plaats, is omdat ik zo contact kan maken met zielsverwanten. Daar bedoel ik niet alleen vrienden mee, ook mensen die ik helemaal niet ken. En mensen waar ik ogenschijnlijk weinig gemeen mee heb, of in het dagelijks leven niet snel zou ontmoeten. Die virtuele lijntjes vind ik bijzonder. Dus hoe bizar ik mijn universum ook moge presenteren, het is altijd de bedoeling dat de lezer iets herkent in mijn levensworstelingen en observaties. Hoe meer herkenning, des te krachtiger de connectie.

Natuurlijk is contact maken niet alleen voor een schrijver cruciaal. Het is een levensvoorwaarde voor iedere homo sapiens. De apensoort lijkt zich intrinsiek eenzaam te voelen, te hunkeren naar nóg meer broeders & zusters. Die bij voorkeur buiten bereik zijn. Waarom anders sturen we radiosignalen de ruimte in en proberen we uit diezelfde ruimte tekenen van leven op te vangen met enorme schotelantennes, terwijl we hier al met zijn acht miljarden langs elkaar heen praten? Alsof we onszelf het minst graag willen leren kennen.

Maar zelfs áls we contact kunnen maken met ander intelligent leven, dan is dat alleen zinnig met wezens waar we iets mee gemeen hebben. Die hier bijvoorbeeld ook wonen. Nou zijn er koffiedikkijkers die stellen dat UFO’s bestuurd worden door superieure aardbewoners, aliens die zich steeds terugtrekken in een dimensie die wij niet kunnen bevatten. Gaat uw lulkoekdetector vast van loeien. Toch loont het de moeite eens buiten uw doos te denken. Door een walvis onder de loep te nemen.

Uitgerust met het grootste brein ter wereld, houdt de potvis zich op in een ons grotendeels onbekend medium dat we oceaan noemen. Toegegeven, hun hersenen zijn in verhouding tot hun lichaamgewicht kleiner dan die van ons, maar ze communiceren op een niveau dat dat van ons wel eens zou kunnen overstijgen. Daarvoor maken ze gebruik van een klikachtig geluid. Aanvankelijk dachten wetenschappers dat dit slechts dienst deed als echolocatie, maar de klikcombinaties zijn zo extreem gevarieerd en complex, dat we van een taal moeten spreken, compleet met dialecten. Daarbij kunnen de mouse clicks ‘uitgeschreeuwd’ worden met een volume zo krachtig dat de signalen duizenden kilometers door het zeewater gedragen worden. Potvissen gebruiken de oceaan als een organisch internet.

Momenteel worden hun sound bytes geanalyseerd met behulp van kunstmatige intelligentie. Voor een juiste interpretatie dient de audio gekoppeld te worden aan gedrag. Maar potvissen observeren is lastig. Het dier moet niet veel hebben van de mens. Vermoedelijk bekijken zij ons zoals wij UFO’s waarnemen – met een flinke portie argwaan. Scheepsrompen staan bij hen te boek als Unindentified Floating Objects (die soms familieleden ontvoeren!). Van close encounters met bubbelende kikvorsmannen lopen ze een trauma op. Pas als wij zonder zuurstoffles in hun wereldje afdalen durven ze ons te benaderen. Sterker, free divers worden bedolven onder hun geklik. De potvis wil contact maken met de mens! Althans, zo zien wij dat graag.

Maar. Stel dat wij hun taal ooit ontcijferen. Stel dat we ooit kunnen terug klikken. Dan nog wordt het lastig communiceren. We leven immers in zeer verschillende omgevingen. Probeer een potvis maar eens duidelijk te maken hoe je een metrokaartje koopt in downtown New York. Dan zal hij je proberen uit te leggen hoe het is om in de complete duisternis van twee kilometer diepte op gehoor een reuzenpijlinktvis op te sporen. Zouden we elkaar ooit kunnen begrijpen? Misschien hoeft dat niet. Een vakantieliefde is immers zo betoverend door de taalbarrière. Misschien is de gewenste herkenning meer emotioneel dan praktisch, zoeken we slechts contact met een illusie die ons minder intrinsiek eenzaam doet voelen. Dan maakt het weinig uit of we dat signaal opvangen in de oneindige ruimte, de onmetelijke oceaan, of op het world wide web.

Contact met de alien in ons
Potvissen poseren in een verticale meditatiehouding om de fotograaf in de maling te nemen (zo heeft een analyse van hun morse ons geleerd)