titels blogs

Blog

Ja, ik leef nog

In het oog van de storm

Een eerwraak die ontspoord is in een terroristische aanslag? We gaan niet speculeren. Wel vreemd om dit mee te maken in de buurt van je eigen flatje, zo’n dreigingsniveau 5. Politie te water en in de lucht, loeiende sirenes die door de straten scheuren. En een foon vol appjes van bezorgde vrienden. Pijnlijk genoeg word ik juist rustig van dit soort sferen. Misschien omdat ik ervoor ben opgevoed. Maar mijn dagelijkse wandeling voelde toch heel anders met die drone in de lucht, die werkelijk iedere voetstap van me leek te volgen. Alsof er opeens gehandhaafd werd in de wijk.

Wij waken over u
Een veilig gevoel

Het gras van de buren

Is altijd geler

Aan de overzijde van het kanaal, tegenover mijn afbraakflat, wordt een tweeverdienerswijk gebouwd. Duurzame woningen met laadpalen, een parkje en stromend water voor de deur. De droom voor ieder gezin! Als ik er langs loop tijdens mijn zondagse wandeling kan ik een schamper lachje niet onderdrukken. Want ik kijk toch een beetje neer op al dat burgergeluk. Dan vind ik mezelf opeens een heel speciaal iemand, met dat schrijftalent van me. En keer ik zelfvoldaan huiswaarts.

Wat mijn toekomstige overburen niet weten is dat ik een telescoop ga aanschaffen. Ter inspiratie. Om te kijken hoe moeder de vrouw vreemdgaat met de buurman. Hoe de dochter verslaafd raakt aan selfies maken onder de douche. Hoe de zoon zijn geheugen wegblowt. En hoe vader pornosites met Thaise transjes bekijkt. Kortom, hoe er barsten ontstaan in het vernis der normaliteit. Levert me vast een paar mooie blogs op.

Wat ik niet weet is dat het gezin ook een telescoop gaat aanschaffen. Ter vermaak. Want zij hebben gehoord dat er aan de overkant een zonderling woont. Zo’n schrijver die iedere dag idioot vroeg opstaat omdat ie ’s middags een writer’s blok heeft. Die te weinig onder de mensen komt omdat ie voortdurend moet schrijven van zichzelf. Die denkt dat heel veel ijsberen ook heel veel inspiratie oplevert. Die voortdurend YouTubejes zit te bekijken omdat ie nooit zin heeft om te schrijven. Kortom, zo’n getormenteerd kunstenaar die beter een burgermansbestaan had kunnen leiden. Levert vast vermakelijke beelden op.

Wat niemand mag weten is dat ik op zondag best wel eens bij mijn overburen zou willen aankloppen. Gewoon, om een bakkie te doen. Even bij te kletsen. We kennen elkaar immers als geen ander! Maar grote kans dat ik dan niemand thuis tref. Omdat het gezin net een wandeling maakt aan de overkant van het kanaal. Als ze daar zo langs de afbraakflats lopen kunnen ze een schamper lachje niet onderdrukken. Want ze kijken toch een beetje neer op al die troosteloosheid. Opeens voelen ze zich een hecht gezinnetje. En keren ze zelfvoldaan huiswaarts.

Het gras van de buren
Een pot duurzaam goud

Vrijdag de dertiende

Doomsday

Vandaag de dag is het precies zestig jaar geleden. Dat dictator Batista werd afgezet door revolutionair Castro. Dat Prins Bernhard aan de dunne raakte van Paraguay’s exotische spijzen. En dat ondergetekende het levenslicht zag, in de vrieskou van vrijdag 13 februari 1959. Ik vond het maar niets, zo buiten die warme baarmoeder.

Precies 525.816 uur later sta ik achter mijn toetsenbord. En vind ik het nog steeds niets. Dit leven zonder succes, relatie, kinderen en linkeroog. Bovendien word ik gekreupeld door een aanval van spit. Niet bukken! lees ik op internet. Gewoon doortypen! zegt mijn inner sergeant.

De tijdelijke invaliditeit dwingt me tot een zeldzaam moment van bezinning. Nederigheid. Dankbaarheid zelfs. Ik besef wat een mazzel ik heb gehad. Om geboren te worden in een oase van overvloed en zorg. In iedere andere samenleving was ik tot de bedelstaf veroordeeld, met die afgekeurde persoonlijkheid van mij. Al had ik dan vast geen spit gekregen.

Gelukkig duurt mijn dankbaarheid maar kort. Om plaats te maken voor dat vertrouwde gevoel van onvrede. Want in al die jaren buiten de baarmoeder heb ik me nooit ergens thuis gevoeld. Ook niet toen de aarde digitaal werd en zichzelf Facebook ging noemen, een verchroomde versie van het bestaan die roestplekken moet verdoezelen. Voel me een Fremdkörper tussen artefacten, een conciërge tussen carnavalsvierders.

Graag zou ik die Unheimlichkeit wijten aan de ongelukkige timing van mijn geboorte. Maar dat is onzin. Ik zoek het zelf op, de donkere luchten. Heb afzondering nodig om te kunnen schrijven. Om de juiste glans te vinden. De patina van melancholie oogt nu eenmaal sierlijker dan het geblikker van levenslust. Daarom woon ik in mijn verhalen, waarin ik het anderszijn kan vieren. Laten we het De Kracht van het Wegdromen noemen.

Maar laten we het ook niet mooier maken dan het is. Ik bivakkeer te vaak op de achterkant van de maan. In een duister vacuüm, tastend naar onderwerpen die wringen met de sunny side of life. Heel romantisch. Maar als ik niet oppas ga ik nog in mijn eigen kaalslag geloven. Gelukkig ben ik niet alleen. Gezien de reacties op mijn verhalen komen jullie graag schuilen in mijn schemerbestaan. Al was het maar om je even te laven aan de zwarte humor die het rijk is. Home is where the laughter is.

Over thuiskomen gesproken, nu mijn verjaardag de sfeer van een crematie heeft gekregen, rond ik af met een dankwoord. Zonder jullie was ik allang met typen opgehouden. Had ik mij nog dieper ingegraven in mijn krater. Was ik met een astroïde richting vergetelheid gelift. Had de spit gewonnen. Dus dank voor jullie leeshonger en schouderklopjes. Geeft de schrijver moed. Laten we het De Kracht van het Nog Net Niet Doorgebroken noemen.

Als icing on the cake ga ik nog even een scheve verjaardagswandeling maken. Eerst in het trappenhuis bijkletsen met de kickboksende schoonmaker voor tips bij onderrugpijn. Dan naar de drogist voor de meest verslavende pijnstiller die ze onder de toonbank verkopen. En allez hóp naar de volgende zestig jaar, met de veerkracht van een revolutionair die iets verkeerds gegeten heeft.

XR!

Zestig jaar
In één keer blazen!

Het equilibrium

Van een junkie

Equilibrium is mijn nieuwe devies. Na jaren van barhangen en kroegtijgeren heb ik mijn wilde haren afgeschud. Ik zoek stabiliteit. Voor mij geen portiekseks meer, geen LSD-trips, geen cocktail binges. Slechts een enkele keer bezondig ik me aan een flesje wijn, vergezeld van een sporadisch sigaretje.

Voor dat laatste haal ik zo eens in het kwartaal bij de sigarenboer een pakje shag (dat ik vervolgens laat uitdrogen in een lade). Ik kom er graag omdat het zo’n familiebedrijfje is met een dorpse sfeer. De dochter verwelkomt me met een ‘Zo, bent u daar weer!’ en lacht me speels toe, wat ik graag interpreteer als een flirt. Achterin de winkel hoor ik haar kettingrokende vader instemmend hoesten.

Dat was ooit. Maar niet weer. Sinds de familie mijn ware gezicht heeft gezien durf ik mijn smoelwerk er niet meer te vertonen. Achter al mijn schone schijn gaat namelijk een consumptiejunkie schuil. Een geldsmijter die in het halfduister van zijn woonkamer de koopgoten van het internet afstruint naar Onmisbare Dingen.

Een antieke leren jas. Een 27 inch 4k monitor. Authentieke mijnwerkersschoenen. Een full frame camerabody. De verleiding is groot omdat het altijd om nuttige spullen gaat. Maar ze zijn veel te prijzig voor mijn knip. Bovendien maak ik mezelf wijs dat ze me gelukkig zullen maken. Dat ik er generaties lang plezier van zal hebben. En vooral: dat ik er recht op heb. ‘Je hebt er recht op!’ hoor ik wijlen mijn moeder in mijn oor krijsen als ik weer eens op ebay zit te loeren. Al gauw wordt ze overstemd door wijlen mijn vader met een bulderend ‘Komt niets van in! Ga jij eerst maar eens je flat opknapp...’ Nog voordat hij zijn zin heeft kunnen afmaken is het kwaad geschied. Online betalen, het voelt zo gratis.

Dat gevoel duurt ongeveer een milliseconde. Dan gaat het duikbootalarm in mijn achterhoofd af. Word ik bevangen door een panisch schuldgevoel, dat escaleert in visioenen van deurwaarders, faillissementen en een ouwe dag als crackhoer in de catacomben van Hoog Catharijne.

Zover zal het niet komen. Ik heb mijn verslaving weten te beteugelen. Door uitsluitend binnen Europa te kopen, en wel bij firma’s die doen aan gratis retourneren. Probleem is dat er zich nu een nieuwe verslaving heeft aangediend: ik ben een retourjunkie geworden. Negen van de tien aankopen moeten terug van mijn hemelende vader, terwijl mijn moeder woedend de hellepoort dichtslaat.

Ik moet dus om de haverklap bij mijn sigarenboer aankloppen, het dichtstbijzijnde post.nl-punt in de buurt. Maar die winkel biedt de service in de verwachting dat ik me tot een impulsaankoop laat verleiden. Een slof Gauloises. Een Valentijnskaart. Een zakje kauwgomballen. Extreem onnuttige dingen. Terwijl ik er juist kom om geld te verdienen.

Inmiddels verwelkomt de dochter me niet meer als ik een koopzonde kom brengen. ‘Zo, bent u daar weer,’ klinkt het grimmig. Geen speelse lach maar een blik alsof ik op mijn retour ben. Achterin de zaak hoor ik haar vader een longblaasje oprochelen – het signaal dat ik tot ongenode gast ben verklaard.

Nu ben ik genoodzaakt voor iedere retourzending door te rijden naar een ander post.nl-punt, de Gamma. Maar ook daar begint mijn verslaving op te vallen, wordt de druk om een impulsaankoop te doen ondragelijk. Met als gevolg dat ik steeds thuiskom met een pak laminaat. Extreem nuttig! Liefst zou ik ze allemaal retour willen doen. Maar dat mag niet van wijlen mijn vader. ‘Je hebt er recht op!’ buldert hij in mijn ene oor, terwijl ik wijlen mijn moeder in het andere hoor krijsen dat ik weer moet gaan kroeghangen. Equilibrium, ik wou dat ik er nooit aan begonnen was.

Equilibrium
En dan luisteren naar de zang van parende walvissen

De tegeltuin

Voor verbinding

Het is mijn favoriete orgaan. Niet alleen vanwege zijn afmetingen, maar vooral door zijn functie. Ik kan ermee tijdreizen. Met mijn neus pik ik geuren op die me direct terugbrengen naar Toen. Het reukorgaan ontsluit de kluisdeuren van het geheugen.

Omdat deze flash-backs primair opgewekt worden zijn ze ook nog eens betrouwbaar. Dit in tegenstelling tot het actieve geheugen, dat de neiging heeft om het verleden bij elkaar te fantaseren. Zo heb ik zelf de neiging om mijn leven met terugwerkende kracht negatief in te kleuren. Dat doe ik niet opzettelijk, da’s een erfenis van een zwartkijkende ouder. Aard van het beestje. Geen therapie tegen opgewassen.

Nu zou ik graag beweren dat ik bij iedere snuif beelden doorkrijg van mijn jeugd. Van die vakantie op mijn opgevoerde Yamaha door de Pyreneeën, van die glimlach tijdens de sportdag op de middelbare school, van dat idyllische viswatertje vol zeelten bij Zestienhoven. Maar zo werkt het niet. De flashbacks zijn diffuus, bestaan uit emoties en stemmingen. Wat ze gemeen hebben is dat ze vederlicht aanvoelen. Misschien omdat ik toentertijd nog niet gebukt ging onder de déjà vu’s van het heden. Door veel te ruiken verjong ik mijzelf even.

Jammer genoeg is deze vorm van tijdreizen niet te sturen. Misschien maar beter ook, want dat zou ten koste gaan van de magie. Wel gebruik ik mijn orgaan bewuster. Iedere dag opnieuw. Even genieten van de unbearable lightness.

Ik had dus aangenaam verrast moeten zijn toen de gemeente afgelopen lente een bloempluktuin langs het fietspad naar mijn sportschool aanlegde. Opeens stonden er tientallen plantjes in geuren en kleuren wortel te schieten. Maar licht in het hoofd werd ik er niet van. Integendeel, ik ergerde me er dood aan. Dat had niets te maken met de plantjes zelf. Het waren de spreuken op de bloembakken. Zoals: Jij bent leuk / Kom lekker zitten / Je mag trots zijn op jezelf / Ben blij je te zien / Leuk dat je er bent / Een tuin met alle antwoorden / Wat zie jij er zonnig uit / Pluk de dag / Ik zou niets aan jou veranderen.

Niets mis mee? Alles mis mee. Ze klinken vals. Zalvend. Belerend. Aanmatigend. Therapeutiserend. De bordjes maken mijn gevoelens zwaar. Ze wekken de schijn op van spontane betrokkenheid, maar lezen alsof opgehoest tijdens een brainstormsessie van een reclamebureau, ingehuurd door een wethouder die wil scoren met een project over verbinding. Als je dat in deze buurt wilt bereiken moet je er een wietplantage neerzetten. Of ben ik weer eens negatief aan het inkleuren?

Natuurlijk laat ik mijn tijdreisjes niet ontsporen door een paar aalgladde tegeltjes. Ik snuif stug door met mijn herontdekte orgaan. Iedere keer als ik van de sportschool langs de bakken naar huis fiets, half zwevend op de endorfine, scherm ik mijn ogen af met mijn linkerarm. En ruik ik aan het verse zweet in mijn oksel. In de hoop op dat gelukzalige gevoel van die sportdag, toen zij naar mij glimlachte. Met een beetje mazzel hoor ik haar ook nog zeggen ‘Jij bent leuk!’ Maar dat is dan bij elkaar gefantaseerd.

De Tegeltuin
Ik zou alles aan jou veranderen!

De blik

En de blokjes

Soms duurt het even voordat ik helder heb welk verhaal er schuilgaat achter een foto die me inspireert. In dit geval achter een reeks van vier portretten, van mij gemaakt in het voorjaar van 1965. Twee springen er uit. De ene Rein heeft een billion dollar smile, de andere een blik die het ergste doet vermoeden. Ze zitten te spelen met debiliserende blokjes, ongetwijfeld op instigatie van een ongeduldige fotograaf.

Pas na een nachtje marineren begreep ik wat de knulletjes me willen vertellen:

De foto’s zijn nog steeds actueel. Het is een kwestie van volgorde. De bovenste volgorde illustreert hoe ik het leven ervaar, de onderste laat zien wat ik van dat leven probeer te maken door erover te schrijven. Gezien de blokjes is er voor die positieve houding wel een destructieve geest vereist.

De blik
Geen bloksnorretje onder tekenen!

Jingle hell

In een bevroren Schiedam

Ik was getipt door een vriend die de advertentie in de Havenloods had zien staan. ‘Platenverkopers hebben veel sjans,’ beweerde hij stellig. En aangezien ik mezelf beschouwde als een echte muziekkenner, zo een die niet alleen naar Top 40 luisterde maar ook naar klassieke crooners, was ik in de pen geklommen.

De ochtend van het sollicitatiegesprek had ik me verslapen. Ik moest me als de sodemieter aankleden: lange onderbroek, motorjack en ook nog eens mijn knalrode regenpak. Want anno 1979 bestond er dan nog geen gevoelstemperatuur, het vroor dat het kraakte.

Het stukje van de Mathenesserdijk naar Schiedam was zo glad dat ik bij iedere bocht een voet op het asfalt hield. Alsof ik door een Hogere Macht werd tegengehouden. Op een uitgestorven rotonde ging ik onderuit, in slow motion, voortglijdend als een omgewaaide oma op onderbinders. Toen ik mezelf en mijn Honda opgehesen had bleek er een flinke jaap in mijn pak te zitten. Ik zag eruit als een kerstman die door zijn rendieren te grazen was genomen.

Eenmaal bij de winkel aangeland had ik geen tijd meer om mijn pak uit te trekken. Ik deed in vol ornaat de deur open, om getroffen te worden door Paul McCartney’s Wonderful Christmastime. De kersthit van dat jaar, en met afstand de ergste aller tijden. De medewerker achter de balie had een kerstmuts over de oren getrokken, terwijl de platenzaak toch tot tropische temperaturen was gestookt. Ik stelde me voor en maakte duidelijk waarvoor ik kwam. De verkoper knikte. Hij had zwarte kringen onder de ogen. Er schemerde iets van wanhoop door in zijn blik. Was hij bang dat ik hem van zijn troon zou stoten? Kon hij de sjans niet aan? Hij wees me door naar het kantoortje áchter.

Nog voordat ik kon aankloppen werd de deur geopend door de uitbater. Een joviale dertiger met ijdel haar en rode broek. Hij schudde me de hand, schonk thee in en zette de kachel nog iets hoger. Vervolgens begon hij een verhaal af te steken over zijn LP-business. Grootse plannen had ie. Een imperium van platenzaken wilde hij opbouwen. In iedere stad een shop! ‘Zodat iedere dag als kerst voelt!’ Op de achtergrond hoorde ik Paul McCartney opnieuw inzetten.

De platenboer zocht een dynamische medewerker. Een muziekkenner, maar vooral een rasverkoper. ‘Een kanjer die weet what’s hot and what’s not!’ en ‘Een people’s person die de klant warm kan maken voor de nieuwste kersthit!’ Zijn hoofd was rood aangelopen van de emotie, zijn blik zo vurig dat er kooltjes in leken te branden. Hij nam me op alsof hij iets in mij herkende. Misschien kwam dat door mijn dynamisch opengescheurde rode regenpak, waarin ik het knap benauwd begon te krijgen.

De uitbater besloot zijn vlammend betoog met een ‘nu alleen nog even deze vragenlijst invullen’. Het was multiple choice. De vragen gingen allemaal over de Top 40, niet over klassieke crooners. Uit balorigheid heb ik overal keuze A omcirkeld. De platenboer scande mijn antwoorden. Allemaal correct! volgens hem. Hij schudde me de hand. ‘Don’t call us, we call you!’ zei hij met diabolische grijns. Onder mijn regenpak voelde ik een Niagara aan zweet over mijn ruggengraat kletteren.

Terug in winkel weerklonk opnieuw Wonderful Christmastime. Dat was het beleid kennelijk. Ik moest huiveren. De medewerker keek me aan alsof ie ieder moment in tranen kon uitbarsten. ‘NEEM ME MÉÉÉ!!’ las ik in zijn ogen. Even was ik bang dat hij zich aan mij zou vastklampen. Ik gaf hem een bemoedigende knijp in de schouder (zoals je dat doet bij een ter dood veroordeelde), en liet de platenzaak achter me.

De weg terug slipte mijn achterband bij iedere bocht, maar onderuit gegaan ben ik niet meer. Thuis stond de stem van de platenboer op mijn antwoordapparaat. Ik was aangenomen. Kon rekenen op een mooi salaris. Geweldige secundaire arbeidsvoorwaarden. Vette bonussen. Nog diezelfde avond heb ik hem een briefje geschreven. Dat ik afzag van de functie. En van de sjans, dacht ik erbij. De rest van de week heb ik iedere avond Bing Crosby’s White Christmas moeten draaien. Om Paul McCartney voorgoed uit mijn kerstgeheugen te spoelen.

Jingle hell
Simply having a wonderf... PETS!

Duurzaam tekort

In de toekomst

Lang geleden, toen ik nog een snotneus was die de Kijk las, bestond er zoiets als de Toekomst. Althans, dat beweerden futurologen. Zij presenteerden hun visioenen in fraaie tekeningen van vliegende auto’s, kolonies op mars en steden op de oceaanbodem. De beelden waren bij voorkeur gedateerd rond de millenniumwisseling, want ‘2000’, dat klonk in mijn jeugd nog als toekomstmuziek.

Bijster origineel of fantasierijk vond ik hun kristallen bol echter niet. Pas later besefte ik waarom. De concepten borduurden voort op al bestaande technologieën. Niets nieuws onder de zon! Bovendien maakte hun Toekomst een wel erg ordentelijke en optimistische indruk. Allemaal brave gezinnetjes, omringd door techniek die de mens dient. Geen spoor van overbevolking, wereldhonger, epidemieën en haves en have nots die elkaar naar het leven staan. De schaduwzijde van de mens, die ik zo goed had leren kennen uit persfotoboekenserie Het Aanzien van Negentienzoveel, zou in de Toekomst geheel en al verdwenen zijn. Zelfs op de zeebodem scheen het zonnetje.

Hoe kortzichtig de futurologen waren blijkt uit het feit dat geen van hen de informatierevolutie heeft voorspeld. In de Kijk nergens een tekening van een Zalando of een Facebook. Natuurlijk oogt zo’n homepage weinig fotogeniek, maar zelfs áls de visionairs het internet voorspeld hadden, dan zouden ze het opgediend hebben als een medium waar ideeën en ervaringen respectvol uitgewisseld worden. Niet als een digitale beerput waarin je kinderporno kunt bekijken, handgranaten kunt bestellen, andersdenkenden de huid kunt vol schelden of je buurman met webcambeelden kunt afpersen. Futuristen hebben een blinde vlek voor het menselijk tekort. Misschien wel een vereiste om in progressie te geloven.

Waar ik sinds de Kijk op wacht zijn journaalbeelden waardoor ik zeker weet dat ik in de toekomst terecht ben gekomen. Geen AH-karretje op Mars, maar aliens die Poetin de tentakel komen schudden. De eerste foto’s van het Hiernamaals, van de menselijk geest, van een droom. Giant-leap-for-mankind beelden. Maar ik kan wachten tot ik een ons weeg. We staan met z’n allen in de File der Vooruitgang, onze koekblikken vol behangen met high tech lulkoek.

Het enige wezenlijke verschil met Vroeger is dat er tegenwoordig tweemaal zoveel mensen zijn. Waardoor het menselijk tekort verveelvoudigd is. De nieuwe generatie futurologen werpt zich daarom graag op als onheilsprofeten die duurzaamheid prediken. Maar hoe duister hun kristallen bol ook, voor het menselijk tekort hebben ze nog steeds geen oog. Want de meeste stervelingen kunnen zich helemaal geen Toekomst veroorloven. Laat staan een duurzame. En de lezertjes van de Kijk zitten niet te wachten op een tekening van de mensheid die wegzinkt in haar plasticsoep van gesmolten poolijs. Hoe fraai de zonsondergang ook.

Gelukkig leven we nog even in het Heden. En daarin is toch één beeld dat indruk gemaakt zou hebben op de snotneus in mij: een stadion vol mensen die tijdens een concert een klein schermpje in de lucht houden. Weer iets wat futurologen gemist hebben. Maar zelfs áls ze de telefooncamera voorzien hadden, dan zouden ze geen tekening gemaakt hebben van filerijders die een gruwelijk ongeluk aan de andere kant van de snelweg vastleggen om er thuis van na te kunnen genieten. Misschien is dat de reden waarom we ons nu blind staren op een duurzame toekomst: we hebben nooit echt naar onszelf durven kijken in het vluchtige Heden. Heb ik het al over de selfie gehad?

Duurzaam tekort
De Kracht van het Nu voor het Straks

Confessies van een querulant

Zonder schimmel

Het is op Facebook als vloeken in de kerk. Opbiechten dat je allergisch bent voor activisme. Of beter gezegd: voor activisten. Ik vind ze zo belerend. Zelfvoldaan. Dogmatisch. Verwijtend. Ze luisteren niet naar tegenargumenten. Kijken niet naar zichzelf. Hebben geen zelfspot. En het ergste is nog dat er eentje in mijzelf schuilgaat. Een volbloed dierenactivist, screaming to come out. Maar laten we eerst het fenomeen eens op de vivisectietafel leggen.

Er was een tijd dat activisten mijn sympathie kregen omdat ze het op moesten nemen tegen een autoritaire overheid. Die stuurde de ME op hen af, met knuppels, traangas en politiehonden. Ook de kranten oordeelden streng over de anarchie. Tegenwoordig is activisme mainstream. Social justice warriors worden niet alleen bewierookt in talkshows, de overheid maakt vanuit haar politieke correcte spagaat steeds vaker een knieval voor hun progressiviteit. Sterker, tegenwoordig is het de ongeruste burger die een taakstraf wacht. Conservatisme is de nieuwe counter culture geworden.

Natuurlijk zijn niet alle activisten dogmatisch. En natuurlijk is het goed dat er misstanden aan de kaak gesteld worden. Anders verandert er nooit wat. Sterker, ik denk dat de meeste Nederlanders openstaan voor het nodige schaafwerk aan hun cultuur. Als de drammers wat minder zouden drammen. De vraag is of die dat willen. Want de activisten die de media domineren lijken er een dubbele agenda op na te houden.

Er zijn twee soorten. Allereerst de beroepsactivist. Die gebruikt zijn idealen om carrière te maken als geëngageerd kunstenaar, schrijver, filmer, wetenschapper of politicus. Deze pro’s zijn helemaal in tune met de tijdsgeest. Geen interviewer die hen durft te confronteren met hun onverdraagzaamheid. Dan heb ik meer op met de andere categorie: de querulant. Dat is een aandachtstrekker die zijn idealen inzet om maatschappelijk te ontwrichten. Het type dat waxinelichtjes gooit of plechtige stiltes verschreeuwt. Vaak een werkloze, of zelfs dakloze. Onverlaten waarin ik mijzelf herken.

Daar kwam ik achter toen ik een interview zag met een notoire anti-Piet activist. Ook dit jaar verscheen hij voor de camera’s om zijn landgenoten van racisme te betichten. Ik slaakte een zucht, terwijl ik toch geen Pietenfan ben. Maar bovenal herkende ik iets in hem. Was het die vuige baard? Die spottende oogopslag? Die onbetrouwbare grijns? Toen viel de munt. Ik zat naar mijn alter ego te kijken. Nóg zo’n ziel die het volk dat heerlijk avondje misgunt!

Opeens voelde ik een sterke verwantschap. Alsof er een oerkracht zich in mij manifesteerde. Geen anti-Pieter, maar een dierenactivist. Want dierenleed, dat kan ik niet aanzien. Mijn bloed gaat koken bij beelden van abattoirs, pelsfokkers of ganzenplukkers. Zelfs met ruiters heb ik weinig op, want geen paard laat zich uit vrije wil beteugelen. Zeker die arme schimmel niet als hij, gebroken door de vol gevreten goedheiligman en geteisterd door honderden kinderstemmetjes, zijn kunstjes op de kadekeien moet vertonen. Dieronterend.

Dus. Volgend jaar rond kunt u mij, zij aan zij met de anti-Pieters, bij de intocht horen schreeuwen. Voor een schimmelvrije Sinterklaas. Grote kans dat er tevens wat Boze Witte Mannen zullen staan, want die worden het zat als bejaarde pedo neergezet te worden. Om maar niet te spreken van de kinderen die niet langer misbruikt willen worden als pion van de speelgoedfabrikanten. Nog even en ons resten de Sinterklaasliedjes. Waar we dan gezamenlijk doorheen kunnen schreeuwen. In harmonie, want uiteindelijk zijn we allemaal dezelfde allergische kerkgangers.

Confessies van een querulant
En dan 's nachts nog eens de daken op