titels blogs

De debieltjes

En hun vriendschap

Ware vrienden zijn kameraden die je zo min mogelijk belasten, zo heb ik geleerd in het leven. Zij vragen je niet om mee te helpen bij een verhuizing, je hoeft ze geen logeerbed aan te bieden bij een scheiding en ook niet urenlang aan te horen bij calamiteit. Ware vriendschappen zijn oppervlakkig. Daarom was Harry zo’n goede maat.

‘Een beetje debiel’, zo omschreef mijn moeder hem ooit. Nou vond ze dat van ieder menselijk wezen, maar bij Harry kon je het wel plaatsen. Niet alleen vanwege zijn dikke bril, maar vooral doordat hij ‘de meest rudimentaire sociale vaardigheden’ miste, zoals we dat tegenwoordig zeggen. ‘Meer doener dan denker’ klinkt misschien wat aardiger. In ieder geval geen jongen die gemakkelijk vrienden maakt.

Gelukkig heb je op de lagere school weinig nodig om vriendschap te sluiten. Een paar peperdure Märklinlocomotieven volstaan. En aangezien Harry thuis een indrukwekkende spoorbaan had liggen, was hij per direct mijn beste vriend. Urenlang waren we zoet, hij met de techniek, ik met fantasieën over treinongelukken. Eenmaal op het lyceum merkte ik dat Harry toch wel anders was dan ik. Hij bleef hangen voor zijn baan en luisterde braaf naar zijn ouders, terwijl ik druk was met meisjes, bier drinken en wildplassen. Tenminste, daar droomde ik van, als ik thuis voor mijn aquarium zat.

Bijna iedere dag na school belde hij me op. ‘HALLO REIN DIT IS HARRY!’ (Hij praatte nogal luid omdat ie hardhorend was.) HOE GAAT HET MET JE AQUARIUM? GA JE MEE NAAR DE DIERENTUIN?’ We hadden een abonnement op Diergaarde Blijdorp dus gingen daar wandelen, anders zou het zonde zijn van dat abonnement natuurlijk. Een prima moment voor pubers om het over meisjes, bier of wildplassen te hebben. Maar, zoals gezegd, Har was meer een doener. Hij sjouwde een onbetaalbare 16mm filmcamera mee om dodelijk saaie filmpjes van dodelijk verveelde Blijdorpbeesten te maken. Ieder bezoek bestudeerde ik hem als een antropoloog, en vroeg ik me af waarom ik in godsnaam niet voor mijn aquarium was blijven zitten.

Bij Harry thuis voelde ik me nooit echt op mijn gemak. Zijn vader was een chagrijnige persfotograaf die wel 500 kilo woog, uit zijn nek zweette en een ongebruikt roeiapparaat op zolder had staan. Harry’s moeder zag er uit als een gekortwiekte oehoe, met kolossale ogen achter een vettige, hoornen leesbril. Ze praatte net zo luid als Harry (‘HALLO REIN WIL JE EEN KOPJE THEE?’) en zat de hele dag naar de politieradio te luisteren om haar man via het bakkie in te seinen als er ergens een mooi ongeluk gebeurd was. De thee die ze zette was inktzwart; ze dipte er suikerkoekjes in tot die een slappe kregen.

Soms mocht ik mee naar hun woonbootje op de Kaag. Dan gingen we zeilen. Vreselijk vond ik dat, want ik moest stil achterin blijven zitten. Nergens aankomen! Heel soms mocht ik aan de fok trekken, maar zelfs daarvoor vonden ze me te klunzig. Dan was hun Har een stuk handiger! Als ik toch iets stoms deed lachten ze me gedrieën uit. ‘Meer dromer dan doener,’ hoorde ik ze fluisteren – of: ‘Wat ís het toch een debieltje!’ De terugreis in de Volvo viel me altijd het zwaarst. Harry en zijn moeder benoemden alles wat ze naast de rijksweg zagen lopen of vliegen of creperen. ‘KIJK REIN DAAR LOOPT EEN KOE! KIJK REIN DAAR VLIEGT EEN REIGER! KIJK REIN DAAR LIGT EEN DOOD EGELTJE!’ Helemaal uitgeput hing ik dan ’s avonds weer voor mijn aquarium.

Eenmaal studerend zag ik Harry zelden meer. Ik was druk met aan meisjes plukken, bier drinken, wildplassen en studies verknallen. Daarbij had ik nieuwe vrienden gekregen, die me vroegen bij verhuizingen en bij me uithuilden als ze gedumpt waren door hun lief. Zo eens in het decennium wist Harry mijn nieuwe geheime telefoonnummer te achterhalen. ‘HALLO REIN DIT IS HARRY!’ klonk het dan opeens vanuit het niets. ‘HOE GAAT HET MET JE AQUARIUM?’ Niets veranderd! Alhoewel, hij verdiende nu bakken met geld als schade-expert bij een verzekeringsmaatschappij, een technisch vak waarvoor je een olifantshuid nodig had omdat je dagelijks door verongelijkte klanten verrot gescholden werd. Op het lijf geschreven! Een vrouw had ie niet, wel een peperdure zeilboot. Met fok. Lang duurde zo’n gesprek niet.

Een enkele keer probeert hij me nog wel eens te benaderen via mijn zussen of mijn site. Dan houd ik me even voor dood. Deels uit schaamte, want hij was toch wel mijn eerste vriend. Een echte kameraad, die me nooit belast heeft. Misschien dat ik hem koester voor later, als ik weer naar treinongelukken verlang. ‘HALLO HARRY DIT IS REIN! HOE GAAT HET MET JE MÄRKLINBAAN? GA JE MEE NAAR HET BEJAARDENTEHUIS?'

De debieltjes
De debieltjes op de lagere school. Helemaal rechts vooraan debieltje Rein.