titels blogs

Harley-Davidson Low Rider

De John Holmes-sound van een eenzame wolf

Het is moeilijk uit te leggen aan iemand die op z’n zestiende niet onder de puisten zat, twee koppen kleiner was dan de gemiddelde prom queen en met zijn stem steevast drie octaven te hoog uitkwam, wat een motorfiets voor een puber kan betekenen. In mijn dagdromen was een motor meer dan instant machismo. Hij had een filosofische dimensie, maakte je tot een kruising van alpha dog en lone wolf. Een motorrijder was zo diep dat ie niet eens seks hoefde te hebben.

Infantiel als ik oogde, naïef was ik bepaald niet. Zo constateerde ik dat slechts enkele merken zo’n shot testosteron garandeerden. De meeste motorrijders reden op modellen die praktisch waren – of erger nog: sportief – met veel te veel cilinders die een kleinepikkengeluid produceerden. Sukkels! Het geheim van de smid lag besloten in less is more en more is more: zo min mogelijk cilinders met zoveel mogelijk cc’s. Ergo: een Harley-Davidson.

In die tijd reed er slechts een handjevol Harleys in Nederland rond. Ze waren een bezienswaardigheid, iets waarvoor het grauw uit haar krochten kroop. Ik kende het merk vooral uit tijdschriften. Research deed ik in vakliteratuur als Easyriders en In the Wind, chopperblaadjes die bol stonden van de blote tieten en opgestoken middelvingers. Voor dat soort flauwekul had ik uiteraard geen oog. Mijn hart sloeg over bij de Harley-Davidson Low Rider, ‘s werelds eerste echte fabriekscustom, met kings & queens zadel, gun metal grey fatbob tank en drag bar stuur. Beyond masturbation.

Jaren verstreken. Een nieuw decennium kondigde zich aan. Het rijbewijs was binnen, maar een Harley kostte in die tijd iets van 15.000 gulden. Daarvoor moest ik, even omgerekend, 233 jaar sparen van mijn ongeschoolde baantje als assistent-manusje-van-alles in het St. Clara Ziekenhuis. Dus toen een metamorfose in lone wolf urgent werd (ik was nog steeds maagd en dat werd alleen maar erger), besloot ik water bij de wijn te doen. Veel water. Het werd een derdehands Honda 550 K3. Yep, zo’n praktisch model met een kleinepikkengeluid. Maar daarmee zou vriend B. wel raad weten. Die was namelijk drie jaar ouder. En onbevreesd sleutelaar.

Een paar maanden later stond de 550K3 voor mijn deur. Vriend B. had hem niet alleen gereviseerd maar tevens in bordeaux-rood en Marianentrog-zwart gespoten. Très chic. Maar niet bijster chopperachtig. Gelukkig had hij wel zóveel gaten in de uitlaten geboord dat de Honda nu een middelgrotepenisgeluid produceerde. Daarbij had hij highway pegs gemonteerd waardoor ik met mijn knieën in de nek ultra cool door uptown Rotterdam kon cruisen. Een leek had dit aangezicht misschien een hoog bavianengehalte toegedicht, de ware aficionado herkende onmiddellijk een Captain America als ik over de tramrails van de Nieuwe Binnenweg glibberde.

Jarenlang heeft de viercilinderpik mijn zelfdunk opgekrikt. Het liefst op boulevardsnelheid, want echt scheuren durfde ik alleen met een slok op, zoals toen in de Maastunnel, stomdronken inhalend met 120 over de doorgetrokken streep. Toen ik eenmaal ontmaagd was en merkte dat mijn thrills toch meer op dát vlak lagen (en dat verbale zelfspot meer meiden aantrok dan een bavianenlook), hield ik het lone wolfen voor gezien. De tot op de velgen versleten 550K3 werd ingeruild voor een racefiets. En witte Batavus met crèmekleurig zweetzadel. Très chic.

Het rijbewijs verdween in een oude sok. Tot er begin jaren negentig onverwacht een tante de geest gaf. Kinderloos. Niet dat ze verknocht was aan haar neefje (toen ik haar opzocht in het ziekenhuis riep ze luidkeels: “Als zelfs Rein langskomt zal het wel echt beroerd met me gaan!”) maar ze liet me een erfenis na die al uit mijn zak brandde voordat de laatste tonen van Ivan Rebroff het crematorium uitgegalmd waren.

Dus, en dat voelde u al aankomen, werd er alsnog een Harley-Davidson Low Rider aangeschaft. En, dat voelde u ook al aankomen, het was te laat. Dat ligt niet aan hem. Hij rijdt als een mammoet, is gecustomised met geraffineerde details en ergonomisch verantwoorde higway pegs, en de tweecilinder 1340 cc produceert een ongekende John Holmes-sound. Maar hij geeft me Het Gevoel niet. Niet zonder puistjes, groei-achterstand en falsetto. Daarbij heeft het Harley-virus zich als ebola over Nederland verspreid; ieder weekend klimt het grauw in het zadel om als orthodontist slash outlaw biker verkeersregelaars op Laag Catharijne te intimideren. Harley is het permanentje onder de motorfietsen geworden. Beyond midlife crisis.

Maar verkopen durf ik hem niet. Mag ik niet. Doe je niet met een 35-jarige dagdroom. Wel ben ik overgegaan tot een rigoureuze maatregel: ik heb de Low Rider opgesloten in een raamloze garagebox. Aan de ketting gelegd, met voldoende olie in z’n mik om een paar decennia door te komen. Wachtend op een neefje dat mijn sterfbed aandoet.

honda-harley-def450