titels blogs

Het evangelie volgens Johannik

Selectieve devotie van de 13e discipel

Of het nu komt door een streng religieuze opvoeding of juist door een atheïstische achtergrond, geen van mijn vrienden heeft iets met Geloof. Sterker, ze gruwen van refo’s, herkennen in elke priester een pedo en wensen de paus een kruisiging toe. Geloof is voor hen synoniem aan corruptie. Dan voel ik me gezegend. Bij ons thuis werd de Bijbel nooit opengeslagen, maar God evenmin verwenst. Alle ruimte voor een open mind. Zo kon het komen dat ik spontaan een religieus mens werd.

Ik heb God ontdekt via de koptelefoon. Niet een almachtige oude man met baard en sadistisch gevoel voor humor, maar een metafoor voor contact met het ‘al’. Klinkt zwaar, is licht. Als ik, geholpen door een paar slokken Albert Heijnschroefdopwijn, diep geconcentreerd naar muziek luister, voel ik mij zozeer verbonden met het alles & iedereen, dat ik dit als een religieus moment ervaar. Maar ja. Om me nou de hele dag met koptelefoon op een beetje verbonden te voelen met ‘t alles & iedereen, da’s op termijn niet bevredigend. Daarom besloot ik onlangs tot een bezoek aan een koor in de Dom. Zonder koptelefoon, met open mind.

Beetje huiverig fietste ik naar de kerk. Niet alleen vanwege een schroefdopkater, maar vooral omdat ik onbekend ben met christelijke rituelen. Word je als contactdiscipel wel getolereerd in het Huis des Heren? Moet je speciale kleding aan? Word je na afloop verondersteld te bidden? Mijn kerkgang was beperkt tot wat toeristische momenten, waarvan twee diepe indruk hadden gemaakt: een kleine, in de mediterrane rotsen uitgehouwen kerkgrot met gebocheld nonnetje omringd door een miljoen kaarsen. En, biggest motherf*cker of them all, de Sint Pieter, met zuilen zo dik als een dorpskerk. Dan is het toch maar behelpen in de Dom.

Om te beginnen maakte hij een erg kale indruk. Zal wel iets te maken hebben met de Beeldenstorm, maar hadden ze niet wat spullen terug kunnen zetten? Nu leek ’t mijn eigen antimaterische inrichting wel. Ook de ontvangst viel tegen. Ik had nauwelijks voet op heilige grond gezet of twee hoogbejaarde, bladmuziek uitdelende piranha’s beduidden me dat ik mijn muts moest afdoen. Een longontsteking oplopen voor de Heer wil ik best, maar op zo’n toon zul je mijn zieltje niet winnen.

De kerkgangers zagen eruit zoals gewone mensen. Laverend tussen capitulatie en wanhoop, zoekend naar berusting in een bestaan dat niet zo is uitgepakt als hen in hun jeugd was voorgespiegeld. Ze staarden door hun multifocusbrillen naar de vloer, wachtend op de rest van hun leven. In schril contrast hiermee fladderde er enkele personen langs in gewaden die de KKK gewoon is bij feestelijkheden te dragen, maar dan in het rood en zonder vrolijke puntmuts. Als iedereen er een aan zou trekken was mijn ontmaskering nabij.

Maar of het nu kwam door de katervermoeidheid of door de gebrandschilderde lichtinval, langzaam begon de Dom me te veroveren. Ik nam plaats achterin, zo onopvallend mogelijk, op een houten herniabank waarop mijn bruine jas als camouflage zou dienen. Mijn synapsen kwamen tot bedaren als een middernachtelijk padvinderskampvuur. Helaas werd het al rap drukker. Het grauw schoof aan. Ik kon een huivering niet onderdrukken, maar vermande me. Voor Contact was ik immers gekomen.

Een bel werd geluid. De figuren in rode gewaden verschenen voor het immense orgel. De oudste van hen nam het woord. Een priester? Hij zag er nogal pedofiel uit. Een echte preek stak ie niet af, maar nadat hij de inhoud der liederen had samengevat deelde hij wel sneer uit naar spiritualiteit, volgens hem een ‘klef’ begrip. Of mijn contactafgoderij daar ook onder viel bleef in het midden. Hij kondigde Psalm 9 aan. Het orgel en het koor zetten in, waarop de kerkgangers en masse opstonden en mee begonnen te zingen. Publieksparticipatie! Daar had ik niet voor betaald! Uit angst dat de priester zou komen checken of er voldoende geluid uit me kwam, playbackte ik uit volle borst mee. Maar hemels klonk het niet.

Na de psalm verstomden het grauw en het veel te nadrukkelijk Bruce Springsteenorgel. Het koor ging solo. En hoe. Schitterend klonk het. Melancholisch, euforisch, betoverend. Het bood wat alleen muziek de mens kan schenken, wezenlijker dan alle liefde & lust, kennis & macht bij elkaar: troost. De tranen liepen me over de wangen. Niet zonder gevaar overigens, want anders dan in de bioscoop, blootgesteld aan daglicht. En niemand had hier rode ogen. Misschien was ik wel té religieus.

Of waarschijnlijker: was het grauw helemaal niet bezig met Iets Hogers. Het zat te fluisteren, te frummelen, te frutselen. Te bladeren, te kuchen, te verzitten. Het verveelde zich als snotneuzen in de bios. Verstoorde mijn euforie. Zo kon ik geen contact maken met ’t alles & iedereen! Ook de dirigerende priester begon me op de zenuwen te werken. Hij was veel te expressief, zwiepte met het stokje als een dronken Jeltsin. Hoe kun je nu zwiepend tot God komen! DOOD MOEST IE! DOOD MOEST IEDEREEN! DOOOOOOOD!

Na een uurtje verstoorde devotie was het schluss. Het publiek sloeg de kladden op elkaar om al rap in ovatie te ontsporen, toch wel de forte van ons volk. Ik haastte me naar de uitgang, maar niet voordat ik 3,55 aan kleingeld in de mand van de piranha’s geworpen had. ‘Doneer naar draagkracht, RICHTPRIJS: VIJF EURO’ stond er bij de kerkdeur vermeld.

Nu zit ik weer thuis. Koptelefoon op de schedel. Flesje schroefdopwijn aan de mond. Gedownload koortje aan de oren. Contact makend met ’t alles & iedereen. Nou ja, met het alles & iedereen dat niet fluistert, frummelt, frutselt, bladert, kucht of verzit. Contact is dan misschien goddelijk, maar volgens het evangelie van Johannik is God ook maar een mens.

dom450