titels blogs

Blog

Gouda's glorie

Onder Facebookvrienden

Met Carola, Henri en Nico

Gouda's glorie
Ontspannen zeg ik toch GVD!

De ideale sollicitant

En de vrijheid

Lang geleden, toen ik nog een ijverige werknemer was, kon ik bogen op twee sterke punten: het veroveren en het beëindigen van mijn functie. Voor mij geen grotere uitdaging denkbaar dan het schrijven van een open sollicitatiebrief, geen grotere opluchting dan het krijgen van een ontslagbriefje. Alles wat er tussen zat vond ik een ramp.

Alleen al het acclimatiseren kostte me iets van een jaar. De kantoorhumor, de neurotische regeltjes, de bazen met psychopathische trekjes, ik kon er niet aan wennen. Het veinzen van interesse (nee: passie!) voor werkzaamheden waarmee je een ander rijk ging maken. Het onderdrukken van eerlijkheid tijdens een functioneringsgesprek. Het aanhoren van voetbalpraat in de pauze of klaagzangen over onrecht op de werkvloer. Het staren naar de in slow motion tikkende klok. En dan hebben we het nog niet eens over lekker gek moeten doen op bedrijfsuitjes.

Gelukkig lijk ik het noodlot in mij mee te dragen. Het gros van de bedrijven waar ik werd aangenomen is vroeg of laat failliet gegaan, waarop uiteraard mijn ontslag volgde. Dan was het de kunst om zo teleurgesteld mogelijk te reageren. En pas om de hoek het rondedansje te maken. Dat gevoel van vrijheid, dat was iedere keer weer onbeschrijfelijk.

Toch mis ik het. Dat begin. Dat solliciteren. Dus misschien moet ik The Shining weer eens uit de kast halen en opsturen naar wat reclamebureaus. In de huidige conjunctuur is het toch niet erg waarschijnlijk dat ik als 56-jarige aangenomen wordt als junior copywriter. Voor een gijzeling hoef ik dus niet te vrezen. Maar dat kennismakingsgesprek, dat staat nu al in mijn agenda. Is dit uw ideale sollicitant? Zeker weten.

De ideale sollicitant
Kanjer

De filmhoerrr

Van Tuschinski

Hardcore filmliefhebbers als ondergetekende horen eigenlijk niet thuis in de bioscoop. Ik kom voor de film, om me te verliezen in een ander universum en wil zo min mogelijk met mijn medemens geconfronteerd worden. Daarom neem ik steevast plaats vooraan bij het doek en laat ik een paar stevige knoflookwinden om mijn territorium af te bakenen. Het mag niet baten. Om de een of andere reden werkt mijn zelfverkozen ballingschap als een magneet op popcornkauwers, rietjesslurpers, mobiele wauwelaars en knie-in-leuning-duwers die pal achter mijn fauteuil samenklonteren. Bij iedere wanklank draai ik me even om, om hen dood te staren met mijn jullie-moeten-allemaal-ontzettend-dood blik, maar dat levert me op z’n best een get-a-life-ouwe-lul blik terug op. Wat zij niet weten is dat er achter mijn intellectuele façade een filmhooligan schuilgaat. Ik ben veteraan van de Night of Terror.

In het chique Tuschinski vindt dit horrorfilmfestival plaats. Of moet ik zeggen slasher fest, want de programmering is toegespitst op cinematografische pareltjes waarin zo veel mogelijk ledematen, ingewanden en hectoliters varkensbloed over het doek gesmeten worden. De plotjes zijn verwaarloosbaar, de personages slachtvee, de close-ups gericht op organen, de montage  misselijkmakend. Alles draait om blood & gore. Volgens snobs dieptepunten van de wereldcinema. Maar voor filmkunst ga je niet naar deze cultavond. Je komt er voor het publiek.

Dat bestaat uit ‘intuïtieve’ filmliefhebbers. Te jong en te levenslustig om belast te zijn met de meest rudimentaire kennis van de filmgeschiedenis, annexeren ze strak van de speed het pluche met boodschappentassen vol toiletpapier. Toiletpapier!? Dat voeg ik mij ook af toen ik het festival voor het eerst aandeed, een jaar of dertig geleden.

Die pleerollen bleken een tool waarmee de bezoekers hun goedkeuren konden uitdragen, een geëxplodeerde versie van thumbs up zeg maar. De eerste filmslet was nog niet gevierendeeld of de rollen vlogen door de zaal, gevolgd door een offensief van colablikjes, koffiebekers, pakjes shag, uitgeharde zakdoeken, tonnen confetti en andere teringzooi die zoveel mogelijk teringzooi oplevert. Minstens zo indrukwekkend waren hun strijdkreten. Bij ieder topless sterretje dat het onderspit delfde werd er luidkeels ‘HOEEERRRR!’ gescandeerd, soms gespecificeerd wanneer de babe door piranha’s werd verscheurd (‘WATERHOEEERRRR!’), achter een auto aan gesleept (‘SLEEPHOEEERRRR!!’) of opgeblazen (‘LUCHTHOEEERR!!’). En ja, onder de bezoekers ook veel dames, die – uiteraard – het luidst scandeerden.

Het was allemaal even wennen voor een nieuwkomer als ik, maar zeker geen onaangename ervaring. Een bevrijding zelfs! Alsof ik tijdens een spontane gang bang ietwat ruw maar toch zeer bevredigend ontmaagd werd. Sterker, na een paar films kwam er ook bij mij een eerste ‘hoeeerrr!’tje boven. Nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar manifest van de juiste mentaliteit. Kleur bekennen na 10.000 onverteerbare denkfilms! Dat ik het na een paar jaar voor gezien hield kwam doordat ik, gekoesterd door de harmonie van ratelende kettingzagen en HOEEERRR!-koren, halverwege indommelde.

Het enige publiek waaraan ik me bij deze festivals geërgerd heb waren de filmrecensenten. Die herkende je onmiddellijk aan hun colbertjes, notitieblokjes, benauwde blikken en schrijnend gebrek aan wc-rollen. Wat deden die lui hier! Spionnen! Stasi’s! Nazi’s! Mocht ik ooit mijn come-back maken in het circuit dan zal ik, nu uitgerust met een snoepzak vol crystal blue van mr. White, plaats nemen pal achter deze intriganten, om bij iedere geplette babe even heel hard ‘PERSHOEEERRR!’ in hun nek te brullen.

De filmhoer
Zoek de recensent!

De bruggenbouwer

En de raaf

Als mensen het over hun middelbareschooltijd hebben wordt dat óf een zwelgen in nostalgie óf een wentelen in drama. Toch kunnen de meesten zich wel een leraar herinneren die favoriet was. Een zielsverwant die hem of haar erdoor gesleept heeft. Op het Rotterdamsch Lyceum was dat een hele uitdaging. De leraren waren er conservatief, opgebrand, cynisch. Het afvoerputje van pedagogisch Nederland, een enkele uitzondering daar gelaten.

Niet dat het mij wat uitmaakte wie er voor de klas stond. Op opstellen schrijven na was ik in geen enkel vak geïnteresseerd. Eigenlijk koesterde ik maar één ambitie: met zo laag mogelijke cijfers en een zo klein mogelijke marge mijn atheneum zien te halen. Als ik al opviel, dan kwam dat door mijn onopvallendheid. Toch was er één docent die een uitgesproken hekel aan mij had. K. zullen we hem noemen, leraar Engels. En wat voor een.

K. gaf geen les, hij brieste het. Hij praatte manisch, keek manisch, bewoog manisch; banjerde heen en weer voor het schoolbord als een hyena op amfetaminen. Zelfs autorijden deed ie manisch, zonder gordel omdat ie ooit bij een ongeluk door het open dak van zijn Eend gelanceerd was en zonder een schrammetje in de berm was beland. Als ie extra opgefokt was begon hij spontaan The Raven van Edgar Allan Poe te citeren. Integraal, uit het hoofd, met veel gesticulatie. Toch een dikke duizend woorden.

Razend populair was K. bij zijn leerlingen. Niet alleen vanwege zijn gepassioneerde doceerstijl, maar vooral omdat hij rondjes gaf in de kroeg tegenover de school, Café van Rhijn. Die tent was afgeladen met uitvreters van het Rotterdamsch, leerlingen die aan het eind van hun zakgeld urenlang in hetzelfde kopje koffie zaten te roeren. Dus als big spender K. ten tonele verscheen met een ‘Pils voor de hele zaak!’ klonk iedereen spontaan op K.’s gezondheid. Spraken boze tongen van vriendjes kopen, hij wist onmiskenbaar leven in de brouwerij te brengen.

Twee dingen zijn er tussen K. en mij voorgevallen. In de eerst plaats had ik een opstel geschreven over de zoon van het monster van Frankenstein dat hij gé-ni-aal vond. Alsof ie de nieuwe Poe had ontdekt, zo stond hij me voor de klas te bejubelen. Ik wantrouwde die lyrische, bijna exhibitionistische lof. Alsof het vooral over hem ging. Een aansteller, dat vond ik hem.

Toen kwam het eindexamen. Opnieuw kregen we een opdracht voor een opstel, uiteraard met een ander onderwerp. Wat K. zich niet realiseerde, was dat mijn werkelijke vernuft schuilt in het bouwen van bruggetjes tussen schijnbaar ongerelateerde zaken. Zo ook met dit onderwerp (god mag weten wat het was), dat ik sluw wist om te buigen naar mijn stuk over Frankenstein. Dat kende ik zo’n beetje uit mijn hoofd – toch een dikke duizend woorden! – en de recycling sloot naadloos aan bij mijn streven naar de marginale marge. Dat heb ik geweten.

Ziedend was ie. Hoe ik dit had durven flikken! Waar ik het lef vandaan had gehaald! Of ik soms dacht hem te kunnen naaien! Lager dan een acht had ie me niet kunnen geven, maar liefst had ie er een nul van gemaakt. Ik zat te trillen in mijn schoolbank, maar er speelde een sarcastische glimlach om mijn mondhoeken. Up yours, Mr. Raven.

Mijn atheneum heb ik gehaald met een marge van een tiende punt. K. trouwde met een leerlinge. En veertig K.-loze jaren zouden verstrijken. Tot het voorval me te binnen schoot en ik er een stukje over wilde schrijven. Laat ik nou diezelfde dag vernemen dat K. overleden was. Voodoo writing, bestaat zoiets? Naar zijn crematie ben ik niet gegaan. Een zaal vol oud-leerlingen die hun lof uiten over deze eigenzinnige, zeg maar anarchistische geest deed me onwillekeurig huiveren. Voor mij was ie vooral een frustraat die met andermans werk dweepte om eigen persoonlijkheid inhoud te geven.

Toch is zijn passie me bijgebleven. Misschien wel omdat er zoveel agressie in doorklonk. Een redeloze woede naar het universum waar ik me helemaal in kan vinden. Ik vermoed dat K. zelf net zo weinig trek had in de crematie als ik. Dat ie liever met mij een biertje was gaan drinken in café Van Rhijn, om daar nog eenmaal luidkeels The Raven te citeren, terwijl ik hetzelfde zou doen met The Monster’s Son, elkaar overschreeuwend op een steeds heviger brandend bruggetje.

De bruggenbouwer
Zegt de raaf, hij zegt...

Gouden bergen

Of gouden strop

Zoals sommigen van jullie weten ben ik inmiddels zo’n twee jaar bezig met een boek over mijn krankzinnige moeder. Het wordt een rariteit want amalgaam van roman, biografie, geschiedschrijving, documentaire, egodocument en vooruit, detective. De vraag is of ik het tot een eenheid heb weten te smeden, of dat het riekt naar overijverig gestookte moonshine.

Volgende week weet ik meer. Maandag stuur ik het manuscript naar een aantal vrijwilligers; bladenmakers, schrijvers, journalisten en gewoon kritische lezers. Die natuurlijk wel wat beters te doen hebben dan tekeer gaan met hun rode viltstift. Daarom heb ik hen gerustgesteld met de 45.000 woordjes die het telt. Je leest het in één ruk uit, liefst tijdens de grote boodschap. Wat ik er niet bij vertel is dat er nog 12 delen volgen.

Geen idee hoe het valt. Of er straks een hoonbulder over de telefoon klinkt of dat ik een week lang met veren in mijn derrière loop te kwispelen. Of toch maar besluit te solliciteren naar junior copywriter (m/v). Het is in ieder geval tijd om pas op de plaats te maken, nu mijn aanslag er met de dag venijniger op wordt. Ik wil licht zien aan het einde van de metrotunnel. Dus als ik hier volgende week wat euforische blurps plaats, doe dan net of ik ze uit de New York Times geknipt heb.

Gouden bergen
Somewhere...

De bokser

En de achterbuurt

De Utrechtse wijk waarin ik woon wordt grotendeels bevolkt door allochtonen. Als geboren & getogen Rotterdammer heb ik nooit moeite gehad met andere culturen. Zeker de Surinaamse en Antilliaanse levendigheid vond ik schwung geven aan de Nederlandse spruitjesgeest. Die vlieger gaat helaas niet op voor de orthodoxe sfeer die mijn huidige buurt beheerst.

Schotelantennes, zwerfvuil, jakkerende Golfjes, strak naar de straattegels starende hoofddoekjes en een schichtige burka bepalen het straatbeeld. Hanggroepjongeren intimideren achteloos bij de frietkraam, de laatste Nederlandse groenteboer is jaren geleden gevlucht nadat zijn ruiten voor de zoveelste keer ingegooid waren, om plaats te maken voor een beauty shop met witwasbalie. Arische kinderen en opwaaiende zomerjurken zijn een unicum. Mijn wijk is schoolvoorbeeld van mislukte integratie.

Of dit te wijten is aan de woningbouwvereniging die te veel mensen van dezelfde kansarme groep bij elkaar propt of aan etnische factoren zoals autoritaire opvoeding en aangeboren godsdienst, dat kan mij niet zoveel schelen. Na tien jaar achteruitgang is de wijk tot getto verworden, de sfeer zo grimmig dat ie ongewild onder je huid gaat zitten. Vooroordelen voedt. Zo denk ik op misantropische momenten dat de buren alle joden aan het gas wensen, homo’s verachten en het wel best vinden als terroristen cartoonisten om zeep helpen. Of dit ook werkelijk zo is weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is dat vooroordelen lelijk zijn – zelfs als ze kloppen.

Gelukkig is er de sportschool. In mijn gym, iets buiten de wijk, komt zo’n beetje heel multiculti Nederland trainen. Wel tien nationaliteiten heb ik er geteld. Iedereen is er gelijk, want iedereen heeft een lichaam dat sterker wil worden. Drie maal per week kom ik er, niet omdat ik zo van krachtsport houd, maar omdat je met een beetje spiermassa ouderdom afremt. Geen betere motivator dan ijdelheid.

Ze zullen me wel een rare snoeshaan vinden, met mijn kale kop, Charles Manson-baard en spierwitte kuiten. Een soort KKK-hogepriester in ruste. Als ze vooroordelen koesteren, dan laten ze daar niets van merken. Integendeel, de contacten zijn er even aangenaam als oppervlakkig. Hoffelijkheid is de norm. Soms geven ze me spontaan een tip als ik een oefening slordig uitvoer, niet om me de les te lezen, maar om blessures te voorkomen. En sinds kort krijg ik boksles van iemand die de vader van een hangroepjongere zou kunnen zijn. Hij haalt het beste in me boven, als ik mijn frustraties botvier op de bokszak en bij iedere dreun mijn vertrouwen in de mensheid – en in mijzelf – een beetje herstel. Volgende week met puntmuts op.

De bokser

"Een uppercut zei ik!"

Hipster Hannik

Werd vandaag uitgemaakt voor Canadese robbenjager

*gloeit na van trots*

Robbenjager
Altijd prijs aan het kanaal

Pokerface

En het grote zwijgen

Natuurlijk was Fatal Attraction die avond op tv. Een film over een vent die vreemdgaat. We lagen er samen naar te kijken, bij haar in bed. ‘Verschrikkelijk!’ riep ze verontwaardigd uit. ‘Hoe kan iemand zoiets doen! Je lief belazeren! Wat een rat!’ Een overontwikkeld ethisch bewustzijn, dat had mijn vriendin. Tenminste, ze wist altijd precies wat goed en vooral wat fout was. En die avond daarvoor was ik vreselijk fout geweest.

Ik had het met mijn ex gedaan. Zonder het op te biechten. Daar voelde ik me ontzettend schuldig over, maar echt spijt had ik niet. De seks was immers lekker geweest. Vertrouwd én spannend, want verboden. En eigenlijk had ik er ook wel recht op, een beetje aanrotzooien na mijn seksloze puberteit. Slettenbak Rein! Dus waarom nu peentjes zweten?

Als een plank lag ik naast haar. Vroeg me koortsachtig af of ze iets vreemds aan me gemerkt had, iets geroken misschien, of dat ze spontaan telepathisch was geworden. Maar ze had het veel te druk met foeteren op Michael Douglas. Ondertussen verstijfde mijn lichaam steeds verder, behalve daar waar ze dat graag gezien had na mijn inmiddels weken durende ‘koppijn’. Waarom toch die huiver voor ontmaskering? Bang voor een lel? Misschien ook een overontwikkeld ethisch bewustzijn? Of was ik een compulsief biechter, zo’n neuroot die bij de douane spontaan zijn anus aanbiedt voor rectaal onderzoek? Een ziek man, dat was ik zeker.

Maar hoe deden normale mannen dat dan, dat zwijgen en liegen als ze vreemd waren gegaan? Zouden die meer afstand bewaren? Hun lief zien als een wezen van Venus waar je nooit echt contact mee kunt krijgen maar wel lekker mee kunt seksen? Nee, dan ik. Van iedere nieuwe vriendin had ik mijn beste vriend gemaakt. Geen wonder dat ik al na een paar maanden geen zin meer had om het te doen. Kameraadschap en geilheid, het bijt elkaar.

Opgebiecht heb ik het niet die avond. Ook niet de volgende dag. Zelfs niet toen het uit was. Pas jaren later volgde een confessie, op een feestje. Vier keer was ze vreemdgegaan, vertrouwde ze me toe. Met vier verschillende mannen. Niet voor de seks natuurlijk, maar om los te komen van mij. Ze trok mijn grillen niet. Wilde meer afstand. Ik knikte begripvol, nam een teug van mijn pijpje en zweeg glimlachend. Die hele avond heb ik mijn gezicht in de plooi weten te houden. En me voorgenomen om met een kilo cokebolletjes in de endeldarm mijn pokerface te testen bij de douane van Schiphol. Echte mannen kunnen hun bek houden.

Pokerface
Talkin' to me?

Rein and the Art of Moped Maintenance

Met een opgevoerde stadshorzel

Ons plan was even roekeloos als ambitieus: met z’n drieën op twee brommers in drie weken naar de Pyreneeën. Heen en terug. Woehaa! Zelfs mijn maten, toch iets ouder want goed in zittenblijven, hadden nooit zo’n trip aangedurfd. Gelukkig was de oudste gezegend met een even onbevreesde als technische persoonlijkheid. Hij stelde voor om onze stadshorzels, een Yamaha en een Zündapp, ongenadig op te voeren en uit te rusten met speciale nummerborden waardoor we, eenmaal in België en Frankrijk, de B-wegen aldaar onveilig konden maken. Dat hebben we geweten.

Hoe aerodynamisch verantwoord we ook op onze tankjes lagen, bij iedere heuvel van meer dan 10% werden we ingehaald en afgesneden door luid toeterende Eenden en Snoeken die de wijsvinger op het voorhoofd drukten. Ook de elementen stelden ons op proef. Omdat het 20¾ dagen van de 21 dagen plensde en onze regenkleding waterabsorberend bleek, moesten we van vuilniszakken duikerspakken improviseren en onder druipende bomen tegen bliksem schuilen. Eenmaal in Zuid-Frankrijk waren we zo verkleumd dat we in een jeugdherberg onderdoken, waar we urenlang de slappe lach kregen van een schilderijtje van een ondergesneeuwd boerenlandschap. Zô’n vakantie.

Maar zelfs campings vielen buiten ons budget. Hadden jonge goden als wij niet nodig. Wildkamperen! Overal plempten we ons tentje neer. Soms strandden we in het pikkedonker in the middle of nowhere (vooral als ik kaart had gelezen) om bij het krieken vergejaagd te worden door een luid scheldende hooivork (‘Merrrde! Des campeurrrs!’). Steevast arriveerden we te laat voor de bank of supermarché, zodat we de zondagen moesten overleven op een slapgeregend kontje stokbrood of ons gedrieën moesten bedrinken met één pijpje bier. Survival, lang voordat dat een bedrijfsuitje werd.

Maar uiteindelijk bereikten we dan toch dat Baskenland. En wat was het er ruig! En mooi! En groen! En wat moesten we er in godsnaam doen, daar in de Pyreneeën! We gingen maar wat in het gras liggen, naar de wolken kijken, naar roofvogels die ongetwijfeld adelaars waren. We bakten verdacht ruikende eieren en dronken uit heldere beekjes waardoor we aan de dunne raakten. We lieten verbrande koppelingen afkoelen, vervingen geblakerde bougies, verankerden rammelende knalpijpen. Het enige wat ontbrak waren Baskische schonen die we achterop onze horzels tot ongekende hoogtepunten zouden rijden. Maar na één snipperdag wachtte de terugreis alweer op ons. Bovendien, na anderhalve week tien uur per dag losgetrild te zijn op een zadeltje zo smal als een trapleuning vielen we als vanzelf in coma, om slechts even wakker te schrikken van een grizzly die aan de scheef opgezette buitentent snuffelde.

Niets is er gebeurd, deze drie spannendste weken van mijn leven. Rijden deden we. Rijden, rijden en nog eens rijden, op onze knetterende mannelijkheden. We doken heuvelkommen in als de Rode Baron, ruftten berghellingen op als Evil Knievel, genoten van de spaarzame zon op onze (stiekem) helmloze koppen, onze lichamen tot op het bot vervuild maar badend in eeuwige jeugd. Zonder vangnet hebben we ons in het avontuur gestort. Uiteraard heb ik deze jongensdroom nooit meer kunnen evenaren, een dikke Harley en gevulde portemonnee ten spijt. Soms geeft het leven je even precies wat je nodig hebt wanneer je dat nodig hebt.

Rein and the Art of Moped Maintenance
Zonder vangnet

De Reus van Rotterdam

Says no cheese

Met maat Hans en nog twee Rotterdamse vrienden naar het Fotomuseum op de Kop van Zuid geweest. Genoten van de expositie ‘175 jaar fotografie in Rotterdam’. Wat me opviel was dat men op foto’s van eind 19e / begin 20e eeuw zelden lacht. Een verfrissend contrast met de manische positiviteit van onze eeuw, al vermoed ik dat die grimmige blikken vooral te danken zijn aan de ellenlange sluitertijden, een chronisch vitaminetekort en een flinke portie syfilis. Hoe dan ook, het inspireerde Hans tot dit staatsieportret.

Helaas moest ik de indrukwekkende beeldenreeks vooral rennend tot me nemen wegens een gemene voedselvergiftiging, waarvan ik de gevolgen op het toilet heb vastgelegd met een lachvrije selfie die nu ingelijst op eigen toilet prijkt.

De Reus van Rotterdam
No cheese for Hans!