titels blogs

Blog

Het donorhart

Van Zuid

Als ik jeugdfoto’s mag geloven ben ik hier ooit als snotneus op de Spido gestapt om betoverd te worden door de almacht van de wereldhaven. Nu als ouwe lul neem ik de waterbus naar de duikbootloods van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij, alwaar ik met vrienden een reconstructie van het bombardement ga bezichtigen. Compleet met maquette, grofkorrelige panorama’s en een opgezette bommenwerper. Mooie aanleiding om in somberheid te zwelgen.

Tenminste, dat is het plan. Al turend naar de stad die ik op mijn zevenentwintigste ontvlucht ben – wég van de eenzaamheid die er door iedere straat leek te tochten – wacht ik op flarden uit de tijd dat overbewustzijn alles verscherpte tot het verpieterde. Maar er komen geen flarden. Niks geen toen. Er is alleen maar nu. En daarin schijnt de zon uitbundig op mijn muts, is het gezelschap even hartelijk als geestig en ligt zelfs het bombardement er kek bij. Wat me het meest verrast is dat het destijds zo onbewoonbaar verklaarde Katendrecht nu bruist van het leven met een markthal zoals de Markthal had moeten zijn; een hippe loods met geïmproviseerde eetplekjes, barbecue, oerpatat, zelfgebrouwen bier en mondharmonicaklanken. Dat is nog eens thuis komen!

Balen dus. Want eigenlijk had ik Rotterdam willen afschilderen als het betonnen verdwijnpunt dat ik gekend heb, het zwarte gat dat zieltjes vermaalde tussen glibberige kinderhoofdjes. Ook had ik iets dieps willen zeggen over eenzaamheid, dat je die niet kunt ontvluchten maar altijd met je meedraagt, in het beste gezelschap denkbaar. Om af te ronden met een dramatisch ‘ooit hoop ik te sterven in deze stad waarin ik niet leven kon,’ gestut door een zwart-witte selfie van getormenteerd gelaat. Helaas. Terwijl ik nageniet van Rotterdams bonzende donorhart, laat ik u deze propagandafoto als bewijs van mijn herboren chauvinisme.

Het donorhart
Lichtmatroos

Job de kynofoob

Van Zuilen

Het was zo rond de millenniumwisseling dat ik er kwam wonen. Ik had mijn twijfels over de buurt, want al rezen de yuppiewoningen er als paddestoelen uit de grond, Zuilen werd toch vooral geregeerd door allochtone straatterroristjes en Utrechts volksgericht. Maar ik was verliefd op het eengezinswoninkje. En wat zag het straatje er netjes uit! Wat mij over de streep haalde was dat het huis ernaast leeg stond. Al enige maanden, zo vernam ik. Tegen beter weten in hoopte ik dat het onbewoonbaar verklaard zou worden wegens loshangend asbest.

Maar een half jaar nadat ik mijn verhuisdozen had uitgepakt stapte er een volks paartje uit een bestelbusje. Job en zijn lief waren mijn nieuwe buren. Job was iemand waar je onmogelijk omheen kon. Met zijn enorme pens, kolenschopschouders, powerliftbenen, blonde staart en Elvis-bril maakte hij een onuitwisbare indruk op me. Holy shit, dacht ik, dat gaat gezellig worden.

Al spoedig sprak ie me aan. Aanleiding was de Harley die ik in de huiskamer had staan en in het weekend uitliet. Toen ik de motor de voordeur uit duwde kwam Job quasi nonchalant kijken. Zelf had hij iets verderop in een garage een ‘trike’ staan, zo verzekerde hij me, zijn pens fallisch vooruit duwend. ‘Met Keverblok en apehangerstuur.’ Voor zo’n driewieler heb je geen motorrijbewijs nodig. En The King had er ook op gereden, in zijn Vegastijd. Vandaar.

Job was een prater. Hij oreerde over de buurt, over hoe die achteruit was gegaan. Steeds platter werd zijn Utrechts. Op een gegeven moment had ie het over de ‘buitenlandse honden’. Even dacht ik dat hij kampte met kynofobie (en dan de xenofobe subvariant). Tot de munt viel. Hij was mij aan het peilen, wilde dat ik kleur bekende. ‘Het maakt mij geen reet uit waar mijn buren vandaan komen,’ antwoordde ik eerlijk en zonder te prediken, ‘zolang ik maar geen last van ze heb.’ Ik betrapte me erop mijn Rotterdams uit de kast gehaald te hebben.

Job was gesteld op mij. Wilde bonden. Buddy's worden. Ik hield de boot zo galant mogelijk af. Toen hij vroeg of ik internet wilde delen, verzon ik een smoes over vastlopend dataverkeer (huiverig dat zijn surfgedrag ooit naar mijn IP-adres zou leiden). Als ie in de tuin stond te barbecueën en me een moddervette plofburger aanbood, mompelde ik iets over parttime vegetarisme. Hij leek oprecht gekwetst toen ik een schutting tussen onze tuintjes optrok.

Om toch op goede voet te blijven kwam ik af en toe bij hem over de vloer om een evergreen van Elvis aan te horen en zijn galmende stereotoren op te hemelen. Dan glunderde hij. En als ik ’s zomers op mijn motor over de Amsterdamsestraatweg hobbelde en Job in de andere richting op zijn trike passeerde, zonder helm want driewieler, zijn pens nu als airbag puilend onder zijn T-shirt, staartje vrijelijk wapperend in de uitlaatgassen, resoluut aan zijn versnellingspook rukkend, dan groetten we elkaar met stevige wuif.

Job zat in de bouw zei hij, maar ik zag hem toch vooral thuis zitten. Bovendien schreeuwde zijn fysiek ‘afgekeurd’. En hij vertelde wel erg graag over zijn rammelende nieren. Dan trok hij zijn T-shirt omhoog, alsof de organen zich in de lawine aan vetrollen zouden manifesteren. ‘Die artsen van het UMC, da’s allemaal tuig,’ zei hij met een blik die naar een genocide aan een onzichtbare horizon tuurde. ‘Die moet je opvoeden. Als ze niet naar me luisteren, dan trek ik gewoon even een kastje van de muur.’ Ik knikte alsof ik zelf nooit anders deed.

Dat Job kapotte nieren had weerhield hem er niet van zijn huisje compleet te verbouwen. Een mini-villa maakte hij ervan, met keukeneiland. Of dat niet zonde was, met zo’n huurwoning? Hij nam me op alsof ik uit de provincie kwam. ‘De enige manier waarop ik nog verhuis is tussen zes plankjes,’ antwoordde hij dead pan. De woningbouwvereniging legde Job bij de verherbouwing geen strobreedte in de weg, ongetwijfeld als de dood dat ie ook bij hen muurkastjes zou komen losrukken. Daarbij was Job een vakman. De opvallend smaakvolle inrichting liet hij over aan zijn lief, een pittige blonde tante met stresswallen onder haar designbril.

Logisch dat Job zijn paradijsje op alle fronten tegen onverlaten probeerde te beveiligen. Rolluiken, tralies, braakbestendige sloten maakten het tot een Fort Knox. Of was het een Alcatraz? Toen er toch een keer werd ingebroken en hij de dief op een haar na te pakken had gekregen, kwam hij bij mij uithijgen. ‘Die heeft mazzel gehad. Ik had zijn schedel op de stoeprand aan pulp getrapt.’ Weer moest ik even slikken. De wijkagent, een oude schoolvriend van Job, fluisterde me in dat ik ‘die bolle’ niet al te serieus moest nemen. Grote mond, klein hartje.

Maar Job was meer dan een grote mond, zo bleek toen zijn autocassetteradio gejat was. Hij wist precies waar ie de dader moest zoeken. Diezelfde avond nog zag ik hem op een groep hangjongeren aflopen, in zijn eentje, zijn pens nu als een stormram vooruit, staart overeind in de nek. Hij sprak de jongens aan, even kalm als gedecideerd. Waarschijnlijk repte hij iets over stoepranden, want even later kon Job in zijn bestelbusje weer genieten van zijn favoriete Elvisbandje. Zonder een klap uitgedeeld te hebben.

Enkele jaren zou het duren tot Jobs nieren definitief waren losgerammeld. Tussen zes plankjes werd hij de villa uitgedragen. Naar de begrafenis ben ik niet geweest, want van een echte vriendschap was het niet gekomen. Maar een goede buur vond ik hem wel. Vooral omdat ik geen last van hem had (op de verherbouwing en een repeterend Heartbreak Hotel na). Maar ook omdat ie iemand was die me leerde mensen niet te beoordelen op hun praatjes maar op hun daden. Job walked the walk. Ik denk ook dat Onze Lieve Heer mild over hem zal oordelen, diens xenofobe kynofobie ten spijt. Ik zie Job al op zijn driewieler over de eeuwige jachtvelden scheuren, rukkend aan zijn pookje, buik vooruit, The King breed grijnzend achterop op de buddyseat.

Job
Ware klasse is niet te koop

J.A. vroeger!

In Dizzy!

Ziehier een gezellig samenzijn van vrienden in het Rotterdamse Ari, vernoemd naar de dochter van dichter J.A. Deelder en zo’n vijftig centimeter van diens huis verwijderd. Wat u niet ziet want (tactvol) buiten kader gelaten is de nachtburgemeester zelf, die op het terras aan een cocktail stond te nippen. Voor zover herkenbaar dan. Want in plaats van gekleed in driedelige stripes onder een streng monocle, had hij zich gehuld in een kort glimmend leren jekkie, claustrofobisch skinny jeans en wrap around shades. Deelder deed een Barry Hay zoals een bejaarde travestiet een Gloria Swanson zou doen voor de garderobespiegel. Ik begluurde hem met een tikje leedvermaak.

De teloorgang van het stijlicoon vond ik des te schrijnender omdat ik hem onlangs in een reportage had zien schnabbelen bij Rotterdamse directiepatsers, vermoedelijk om een knoeperd van een belastingschuld af te betalen. Dat ging hem moeizaam af. Hij stamelde, raffelde, brabbelde, maakte zenuwachtige grapjes. Alsof de amfetaminen zijn dictie en geheugen eindelijk gesloopt hadden. Een schaduw van de oude J.A.. En hij ging maar door.

Terwijl ik in Ari herinneringen ophaalde aan de tijd dat Rotterdam nog een authentiek tochtgat was en we onze verveling wegzopen in café Dizzy waar een autistische Deelder plaatjes draaide uit zijn koffertje, moest ik opeens terugdenken aan dat punkfestival, Rock against Religion in 1979. Jules was toen tussen de pokkeherriebandjes geprogrammeerd als literair (lees: komisch) intermezzo. Dat heeft ie geweten. Van top tot teen onder gerocheld werd ie door een zaal vol punkhuftertjes. De dichter vertrok geen spier. Hij ging maar door, met licht bevende stem, niettemin vastberaden, terwijl het slijm van zijn maatpak sijpelde. Een taalkrijger, dat was ie.

Dus. Misschien moet ik mijn zelfgenoegzame dedain eens uitbenen tot de jaloezie die eronder schuilgaat, en mijn hoed afnemen voor deze self made legende die Rotterdam haar hart heeft teruggegeven en onze literatuur met straattaal leesbaar heeft gemaakt. Al was het maar omdat hij zich kleedde als een heer in een tijd dat dat rebelser was dan alle leren fuck-the-system-jekkies bij elkaar. Laat Jules lekker zijn Barry doen – als ik dan maar niet met hem op de selfie hoef.

Ari
Zoek de nachtburgermeester!

De debieltjes

En hun vriendschap

Ware vrienden zijn kameraden die je zo min mogelijk belasten, zo heb ik geleerd in het leven. Zij vragen je niet om mee te helpen bij een verhuizing, je hoeft ze geen logeerbed aan te bieden bij een scheiding en ook niet urenlang aan te horen bij calamiteit. Ware vriendschappen zijn oppervlakkig. Daarom was Harry zo’n goede maat.

‘Een beetje debiel’, zo omschreef mijn moeder hem ooit. Nou vond ze dat van ieder menselijk wezen, maar bij Harry kon je het wel plaatsen. Niet alleen vanwege zijn dikke bril, maar vooral doordat hij ‘de meest rudimentaire sociale vaardigheden’ miste, zoals we dat tegenwoordig zeggen. ‘Meer doener dan denker’ klinkt misschien wat aardiger. In ieder geval geen jongen die gemakkelijk vrienden maakt.

Gelukkig heb je op de lagere school weinig nodig om vriendschap te sluiten. Een paar peperdure Märklinlocomotieven volstaan. En aangezien Harry thuis een indrukwekkende spoorbaan had liggen, was hij per direct mijn beste vriend. Urenlang waren we zoet, hij met de techniek, ik met fantasieën over treinongelukken. Eenmaal op het lyceum merkte ik dat Harry toch wel anders was dan ik. Hij bleef hangen voor zijn baan en luisterde braaf naar zijn ouders, terwijl ik druk was met meisjes, bier drinken en wildplassen. Tenminste, daar droomde ik van, als ik thuis voor mijn aquarium zat.

Bijna iedere dag na school belde hij me op. ‘HALLO REIN DIT IS HARRY!’ (Hij praatte nogal luid omdat ie hardhorend was.) HOE GAAT HET MET JE AQUARIUM? GA JE MEE NAAR DE DIERENTUIN?’ We hadden een abonnement op Diergaarde Blijdorp dus gingen daar wandelen, anders zou het zonde zijn van dat abonnement natuurlijk. Een prima moment voor pubers om het over meisjes, bier of wildplassen te hebben. Maar, zoals gezegd, Har was meer een doener. Hij sjouwde een onbetaalbare 16mm filmcamera mee om dodelijk saaie filmpjes van dodelijk verveelde Blijdorpbeesten te maken. Ieder bezoek bestudeerde ik hem als een antropoloog, en vroeg ik me af waarom ik in godsnaam niet voor mijn aquarium was blijven zitten.

Bij Harry thuis voelde ik me nooit echt op mijn gemak. Zijn vader was een chagrijnige persfotograaf die wel 500 kilo woog, uit zijn nek zweette en een ongebruikt roeiapparaat op zolder had staan. Harry’s moeder zag er uit als een gekortwiekte oehoe, met kolossale ogen achter een vettige, hoornen leesbril. Ze praatte net zo luid als Harry (‘HALLO REIN WIL JE EEN KOPJE THEE?’) en zat de hele dag naar de politieradio te luisteren om haar man via het bakkie in te seinen als er ergens een mooi ongeluk gebeurd was. De thee die ze zette was inktzwart; ze dipte er suikerkoekjes in tot die een slappe kregen.

Soms mocht ik mee naar hun woonbootje op de Kaag. Dan gingen we zeilen. Vreselijk vond ik dat, want ik moest stil achterin blijven zitten. Nergens aankomen! Heel soms mocht ik aan de fok trekken, maar zelfs daarvoor vonden ze me te klunzig. Dan was hun Har een stuk handiger! Als ik toch iets stoms deed lachten ze me gedrieën uit. ‘Meer dromer dan doener,’ hoorde ik ze fluisteren – of: ‘Wat ís het toch een debieltje!’ De terugreis in de Volvo viel me altijd het zwaarst. Harry en zijn moeder benoemden alles wat ze naast de rijksweg zagen lopen of vliegen of creperen. ‘KIJK REIN DAAR LOOPT EEN KOE! KIJK REIN DAAR VLIEGT EEN REIGER! KIJK REIN DAAR LIGT EEN DOOD EGELTJE!’ Helemaal uitgeput hing ik dan ’s avonds weer voor mijn aquarium.

Eenmaal studerend zag ik Harry zelden meer. Ik was druk met aan meisjes plukken, bier drinken, wildplassen en studies verknallen. Daarbij had ik nieuwe vrienden gekregen, die me vroegen bij verhuizingen en bij me uithuilden als ze gedumpt waren door hun lief. Zo eens in het decennium wist Harry mijn nieuwe geheime telefoonnummer te achterhalen. ‘HALLO REIN DIT IS HARRY!’ klonk het dan opeens vanuit het niets. ‘HOE GAAT HET MET JE AQUARIUM?’ Niets veranderd! Alhoewel, hij verdiende nu bakken met geld als schade-expert bij een verzekeringsmaatschappij, een technisch vak waarvoor je een olifantshuid nodig had omdat je dagelijks door verongelijkte klanten verrot gescholden werd. Op het lijf geschreven! Een vrouw had ie niet, wel een peperdure zeilboot. Met fok. Lang duurde zo’n gesprek niet.

Een enkele keer probeert hij me nog wel eens te benaderen via mijn zussen of mijn site. Dan houd ik me even voor dood. Deels uit schaamte, want hij was toch wel mijn eerste vriend. Een echte kameraad, die me nooit belast heeft. Misschien dat ik hem koester voor later, als ik weer naar treinongelukken verlang. ‘HALLO HARRY DIT IS REIN! HOE GAAT HET MET JE MÄRKLINBAAN? GA JE MEE NAAR HET BEJAARDENTEHUIS?'

De debieltjes
De debieltjes op de lagere school. Helemaal rechts vooraan debieltje Rein.

Het wasknijpersysteem

Van Céline

Een rolmodel. Een held waar je je aan kan spiegelen in onzekere of barre tijden. Als je op leeftijd bent mag dat eigenlijk niet meer. Behoor je er zelf een geworden te zijn. Toch heb ik mijn anti-held van vroeger dezer dagen harder nodig dan ooit. Het is de Franse auteur L.-F. Céline. Inderdaad: hartstikke fout in de oorlog.

Ik ontdekte Céline gedurende mijn ‘verloren jaren’, toen ik vers van het Atheneum mijn toekomst wegspoelde met ongeschoold werk en bivakkeerde in een muizenkeutelkamertje gespeend van televisie of telefoon. In zo’n universum gaat het lezen vanzelf. Niet dat dat nodig was. Reis naar het Einde van de Nacht verslond ik alsof het de bijbel van het menselijk tekort was. Achter een even genadeloos als hilarisch mensbeeld ontdekte ik een vakkundig gecamoufleerd romanticus. Een humanistisch misantroop! En die stijl. Zo ontzettend leesbaar - zelfs in vertaling - alsof hij de literatuur had ontdaan van haar krullendraaierij, spreektaal had omgebogen in levendige schrijftaal. Eindelijk een scribent die je niet in je achterhoofd hoefde te redigeren.

Maar dan dat foutzijn. Dat fascineerde mij toch ook wel. Niet dat ik zijn antisemitisch 'gedachtegoed' deelde, maar zo krachtig als hij zijn glazen had weten in te gooien (om uiteindelijk bijna gefusilleerd te worden), dat dwong bij mij toch een verwrongen respect af - alsof zijn gefulmineer de wanhoop van zijn romans waarachtig maakte.

Begin jaren tachtig was er weinig informatie voor handen over Céline. Het foutzijn had zijn carrière geen goed gedaan. Na lang speuren trof ik in een tweedehands Bzzletin een foto van de schrijver als veertigjarige charmeur. Met duivelse glimlach, badend in het succes van de Reis. Wat een uitstraling – zeker vergeleken met zijn Nederlandse epigonen. Ik lijstte de foto in en hing hem boven mijn Olympia. Om vervolgens geen letter te typen. En aangezien L.-F. maar twee leesbare boeken geschreven heeft verdween het lijstje na verhuizing in een lade en nestelde de auteur zich in het vooronder van mijn langetermijngeheugen. Tot het YouTube-tijdperk aanbrak.

Twee lange interviews staan er online, de ene opgenomen bij hem thuis, de andere in een tv-studio. Beiden dateren uit 1958, een paar jaar voor z’n dood. Ze geven een ontluisterend beeld van mijn foute held. Tot een oude, schichtige mompelaar was ie verworden, een autistische neuroot die oogcontact meed, zich in lompen hulde (thuis) of in een drie-maten-te-groot pak (tv-studio), om maar niet te spreken van zijn zelfgeplukte kipcoupe. En dat gebrabbel! Nauwelijks verstaanbaar. Met reden, want hij wilde geen enkele verantwoording afleggen voor zijn antisemitische pamfletten. Immers, hij was zélf de opgejaagde en vervolgde! Een pathetisch restje paranoïde mens. Alleen als hij lachte zag je iets terug van de gedreven romanticus.

Dat hij weer indruk wist te maken kwam door zijn uitspraken over het ambacht. Leunend op de werktafel, beladen met talloze velletjes gesystematiseerd middels wasknijpers, vertelde hij hoe hij een klad van 80.000 pagina’s beeldhouwde tot een manuscript van 800 waar dan een roman van 400 pagina’s uit gedrukt wordt. Hoe hij honderden Middeleeuwse gedichten verstouwd had om het metrum voor zijn proza onder de knie te krijgen. Hoe hij schrijven toch vooral beschouwde als zwoegen (‘Il faut payer!’). En dat hij niet verwachtte dat een volgende generatie een Reis zou kunnen schrijven omdat die nooit iets afmaakte…

Nu ik worstel met de laatste loodjes van mijn debuut zwiept Céline’s gesel dagelijks door mijn bovenkamer. Terwijl de uitgever het manuscript toch reeds als een ‘goed boek!’ bevonden heeft. Niettegenstaande dat uitroepteken weet ik dat het manuscript om een extra slag schreeuwt. Dat er twee hoofdstukken bij moeten, sommige personages uitdieping verdienen en de harde toon wel wat kwetsbaarder mag. Wasknijpers kopen en doortypen dus dus, hoezeer het me ook sloopt na drie jaar van non-stop graven in een verleden waarin ik niet eens wilde verkeren toen het nog een heden was. ‘Il faut payer!’ Kon ik eerst maar eens fout worden in een oorlog.

Céline
Il faut payer!

De spiegel

In de beerput

Dit zelfportret is van de hand van Tommy ‘Karate’ Pitera. Normaal gesproken schildert Pitera statisch fladderende kolibries. Dat is begrijpelijk, want hij zit in de bak. Levenslang. Voor moord op meer dan zestig mensen. Niet in de hoedanigheid van seriemoordenaar, maar als werknemer van de Bonano maffiafamilie te New York. Pitera was een drukbezette killer.

‘He scared the scary ones,’ zeiden collega’s over hem. Niet omdat hij zo koelbloedig moordde, dat konden ze allemaal wel. Het was Pitera's nazorg die de maffia deed huiveren. Een heel ritueel hield ie er op na: nadat hij iemand had doodgeschoten, bij voorkeur bij het slachtoffer thuis, trok hij zijn (eigen) kleren uit, sleepte hij het lijk mee in bad en zaagde het daar – in zijn nakie dus – in hapklare brokken. Als alles netjes leeggebloed was nam hij zelf een lekkere warme douche, om vervolgens hoofd, romp en ledematen (van het slachtoffer) in koffers te stoppen en deze ergens buiten de stad te begraven in zompige grond, zodat ze goed konden wegrotten. All in a day’s work.

Ik stuitte op Pitera tijdens mijn nimmer aflatende zoektocht naar verhalen over de Ergste Psychopaten Ooit. Zo’n fascinatie voor het macabere is niet ongewoon voor mensen die zelf een klapje van de molenwiek hebben meegekregen. Gewoon te weinig buiten gespeeld als kind! Heel onschuldig. Toch, als ik me een paar uur heb zitten laven aan al die gruwelen, bekruipt me een zekere zelfwalging, alsof ik in de beasemde oppervlaktespiegel van de beerput een glimp heb opgevangen van een persoon die me helemaal niet aanstaat. Zou er toch een psychopaatje in me schuilgaan?

Als dat zo was, zou ik ook YouTubejes van onthoofdingen bekijken. Dat doe ik niet. Trek ik van geen kanten, weet ik nu al, dan kruipt het alter ego subiet weer de kast in, de staart tussen de benen. Graag maak ik mezelf wijs dat hier allerlei ethische bezwaren aan ten grondslag liggen. Kijken naar een filmpje van iemands meest wanhopige levensmoment maakt je medeplichtig! Snuff porn! Bah! Maar waar het op neerkomt is dat waargebeurde gruwelen voor mij toch vooral op fictie moeten lijken. Die ontkenning gaat me makkelijker af zonder bewegende beelden. Het moet wel netjes blijven.

Wat Pitera betreft zal ik niet in de verleiding komen om te gluren. Er zijn geen filmpjes bekend waarop hij figuurzaagt achter een douchegordijn. Wel is er een biografie over hem geschreven. Daarin leren we de jonge Tommy kennen als sukkeltje-met-piepstemmetje dat stelselmatig in elkaar geslagen werd – een soort Rein die wél buiten speelde. Tommy ging op karate om van zich af te leren bijten. Dat deed hij met zoveel overgave, dat ie een beurs kreeg om in Japan de fijne kneepjes van de martial arts onder de knie te krijgen. Een man met focus en hartstocht! Wederom herken! Helaas, eenmaal terug in New York werd hij ingelijfd door de lokale penoze, om te verworden tot een moordmachine waar zelfs de Cosa Nostra voor paste. Het moest wel netjes blijven.

Er is nog een reden waarom ik me graag in psychopaten verdiep: ik ben altijd op zoek naar het goede in slechte mensen. Naar iets humaans, iets vertederends, iets bijzonders. Bij Pitera is dat dit zelfportret. Gruwelijk eerlijk vind ik het. Om zo open over mijzelf te schrijven, daar zou ik een moord voor doen. Al was het maar vanwege de warme douche na afloop.

De spiegel
Binnenpretje

Gouda's glorie

Onder Facebookvrienden

Met Carola, Henri en Nico

Gouda's glorie
Ontspannen zeg ik toch GVD!

De ideale sollicitant

En de vrijheid

Lang geleden, toen ik nog een ijverige werknemer was, kon ik bogen op twee sterke punten: het veroveren en het beëindigen van mijn functie. Voor mij geen grotere uitdaging denkbaar dan het schrijven van een open sollicitatiebrief, geen grotere opluchting dan het krijgen van een ontslagbriefje. Alles wat er tussen zat vond ik een ramp.

Alleen al het acclimatiseren kostte me iets van een jaar. De kantoorhumor, de neurotische regeltjes, de bazen met psychopathische trekjes, ik kon er niet aan wennen. Het veinzen van interesse (nee: passie!) voor werkzaamheden waarmee je een ander rijk ging maken. Het onderdrukken van eerlijkheid tijdens een functioneringsgesprek. Het aanhoren van voetbalpraat in de pauze of klaagzangen over onrecht op de werkvloer. Het staren naar de in slow motion tikkende klok. En dan hebben we het nog niet eens over lekker gek moeten doen op bedrijfsuitjes.

Gelukkig lijk ik het noodlot in mij mee te dragen. Het gros van de bedrijven waar ik werd aangenomen is vroeg of laat failliet gegaan, waarop uiteraard mijn ontslag volgde. Dan was het de kunst om zo teleurgesteld mogelijk te reageren. En pas om de hoek het rondedansje te maken. Dat gevoel van vrijheid, dat was iedere keer weer onbeschrijfelijk.

Toch mis ik het. Dat begin. Dat solliciteren. Dus misschien moet ik The Shining weer eens uit de kast halen en opsturen naar wat reclamebureaus. In de huidige conjunctuur is het toch niet erg waarschijnlijk dat ik als 56-jarige aangenomen wordt als junior copywriter. Voor een gijzeling hoef ik dus niet te vrezen. Maar dat kennismakingsgesprek, dat staat nu al in mijn agenda. Is dit uw ideale sollicitant? Zeker weten.

De ideale sollicitant
Kanjer

De filmhoerrr

Van Tuschinski

Hardcore filmliefhebbers als ondergetekende horen eigenlijk niet thuis in de bioscoop. Ik kom voor de film, om me te verliezen in een ander universum en wil zo min mogelijk met mijn medemens geconfronteerd worden. Daarom neem ik steevast plaats vooraan bij het doek en laat ik een paar stevige knoflookwinden om mijn territorium af te bakenen. Het mag niet baten. Om de een of andere reden werkt mijn zelfverkozen ballingschap als een magneet op popcornkauwers, rietjesslurpers, mobiele wauwelaars en knie-in-leuning-duwers die pal achter mijn fauteuil samenklonteren. Bij iedere wanklank draai ik me even om, om hen dood te staren met mijn jullie-moeten-allemaal-ontzettend-dood blik, maar dat levert me op z’n best een get-a-life-ouwe-lul blik terug op. Wat zij niet weten is dat er achter mijn intellectuele façade een filmhooligan schuilgaat. Ik ben veteraan van de Night of Terror.

In het chique Tuschinski vindt dit horrorfilmfestival plaats. Of moet ik zeggen slasher fest, want de programmering is toegespitst op cinematografische pareltjes waarin zo veel mogelijk ledematen, ingewanden en hectoliters varkensbloed over het doek gesmeten worden. De plotjes zijn verwaarloosbaar, de personages slachtvee, de close-ups gericht op organen, de montage  misselijkmakend. Alles draait om blood & gore. Volgens snobs dieptepunten van de wereldcinema. Maar voor filmkunst ga je niet naar deze cultavond. Je komt er voor het publiek.

Dat bestaat uit ‘intuïtieve’ filmliefhebbers. Te jong en te levenslustig om belast te zijn met de meest rudimentaire kennis van de filmgeschiedenis, annexeren ze strak van de speed het pluche met boodschappentassen vol toiletpapier. Toiletpapier!? Dat voeg ik mij ook af toen ik het festival voor het eerst aandeed, een jaar of dertig geleden.

Die pleerollen bleken een tool waarmee de bezoekers hun goedkeuren konden uitdragen, een geëxplodeerde versie van thumbs up zeg maar. De eerste filmslet was nog niet gevierendeeld of de rollen vlogen door de zaal, gevolgd door een offensief van colablikjes, koffiebekers, pakjes shag, uitgeharde zakdoeken, tonnen confetti en andere teringzooi die zoveel mogelijk teringzooi oplevert. Minstens zo indrukwekkend waren hun strijdkreten. Bij ieder topless sterretje dat het onderspit delfde werd er luidkeels ‘HOEEERRRR!’ gescandeerd, soms gespecificeerd wanneer de babe door piranha’s werd verscheurd (‘WATERHOEEERRRR!’), achter een auto aan gesleept (‘SLEEPHOEEERRRR!!’) of opgeblazen (‘LUCHTHOEEERR!!’). En ja, onder de bezoekers ook veel dames, die – uiteraard – het luidst scandeerden.

Het was allemaal even wennen voor een nieuwkomer als ik, maar zeker geen onaangename ervaring. Een bevrijding zelfs! Alsof ik tijdens een spontane gang bang ietwat ruw maar toch zeer bevredigend ontmaagd werd. Sterker, na een paar films kwam er ook bij mij een eerste ‘hoeeerrr!’tje boven. Nauwelijks hoorbaar, maar onmiskenbaar manifest van de juiste mentaliteit. Kleur bekennen na 10.000 onverteerbare denkfilms! Dat ik het na een paar jaar voor gezien hield kwam doordat ik, gekoesterd door de harmonie van ratelende kettingzagen en HOEEERRR!-koren, halverwege indommelde.

Het enige publiek waaraan ik me bij deze festivals geërgerd heb waren de filmrecensenten. Die herkende je onmiddellijk aan hun colbertjes, notitieblokjes, benauwde blikken en schrijnend gebrek aan wc-rollen. Wat deden die lui hier! Spionnen! Stasi’s! Nazi’s! Mocht ik ooit mijn come-back maken in het circuit dan zal ik, nu uitgerust met een snoepzak vol crystal blue van mr. White, plaats nemen pal achter deze intriganten, om bij iedere geplette babe even heel hard ‘PERSHOEEERRR!’ in hun nek te brullen.

De filmhoer
Zoek de recensent!

De bruggenbouwer

En de raaf

Als mensen het over hun middelbareschooltijd hebben wordt dat óf een zwelgen in nostalgie óf een wentelen in drama. Toch kunnen de meesten zich wel een leraar herinneren die favoriet was. Een zielsverwant die hem of haar erdoor gesleept heeft. Op het Rotterdamsch Lyceum was dat een hele uitdaging. De leraren waren er conservatief, opgebrand, cynisch. Het afvoerputje van pedagogisch Nederland, een enkele uitzondering daar gelaten.

Niet dat het mij wat uitmaakte wie er voor de klas stond. Op opstellen schrijven na was ik in geen enkel vak geïnteresseerd. Eigenlijk koesterde ik maar één ambitie: met zo laag mogelijke cijfers en een zo klein mogelijke marge mijn atheneum zien te halen. Als ik al opviel, dan kwam dat door mijn onopvallendheid. Toch was er één docent die een uitgesproken hekel aan mij had. K. zullen we hem noemen, leraar Engels. En wat voor een.

K. gaf geen les, hij brieste het. Hij praatte manisch, keek manisch, bewoog manisch; banjerde heen en weer voor het schoolbord als een hyena op amfetaminen. Zelfs autorijden deed ie manisch, zonder gordel omdat ie ooit bij een ongeluk door het open dak van zijn Eend gelanceerd was en zonder een schrammetje in de berm was beland. Als ie extra opgefokt was begon hij spontaan The Raven van Edgar Allan Poe te citeren. Integraal, uit het hoofd, met veel gesticulatie. Toch een dikke duizend woorden.

Razend populair was K. bij zijn leerlingen. Niet alleen vanwege zijn gepassioneerde doceerstijl, maar vooral omdat hij rondjes gaf in de kroeg tegenover de school, Café van Rhijn. Die tent was afgeladen met uitvreters van het Rotterdamsch, leerlingen die aan het eind van hun zakgeld urenlang in hetzelfde kopje koffie zaten te roeren. Dus als big spender K. ten tonele verscheen met een ‘Pils voor de hele zaak!’ klonk iedereen spontaan op K.’s gezondheid. Spraken boze tongen van vriendjes kopen, hij wist onmiskenbaar leven in de brouwerij te brengen.

Twee dingen zijn er tussen K. en mij voorgevallen. In de eerst plaats had ik een opstel geschreven over de zoon van het monster van Frankenstein dat hij gé-ni-aal vond. Alsof ie de nieuwe Poe had ontdekt, zo stond hij me voor de klas te bejubelen. Ik wantrouwde die lyrische, bijna exhibitionistische lof. Alsof het vooral over hem ging. Een aansteller, dat vond ik hem.

Toen kwam het eindexamen. Opnieuw kregen we een opdracht voor een opstel, uiteraard met een ander onderwerp. Wat K. zich niet realiseerde, was dat mijn werkelijke vernuft schuilt in het bouwen van bruggetjes tussen schijnbaar ongerelateerde zaken. Zo ook met dit onderwerp (god mag weten wat het was), dat ik sluw wist om te buigen naar mijn stuk over Frankenstein. Dat kende ik zo’n beetje uit mijn hoofd – toch een dikke duizend woorden! – en de recycling sloot naadloos aan bij mijn streven naar de marginale marge. Dat heb ik geweten.

Ziedend was ie. Hoe ik dit had durven flikken! Waar ik het lef vandaan had gehaald! Of ik soms dacht hem te kunnen naaien! Lager dan een acht had ie me niet kunnen geven, maar liefst had ie er een nul van gemaakt. Ik zat te trillen in mijn schoolbank, maar er speelde een sarcastische glimlach om mijn mondhoeken. Up yours, Mr. Raven.

Mijn atheneum heb ik gehaald met een marge van een tiende punt. K. trouwde met een leerlinge. En veertig K.-loze jaren zouden verstrijken. Tot het voorval me te binnen schoot en ik er een stukje over wilde schrijven. Laat ik nou diezelfde dag vernemen dat K. overleden was. Voodoo writing, bestaat zoiets? Naar zijn crematie ben ik niet gegaan. Een zaal vol oud-leerlingen die hun lof uiten over deze eigenzinnige, zeg maar anarchistische geest deed me onwillekeurig huiveren. Voor mij was ie vooral een frustraat die met andermans werk dweepte om eigen persoonlijkheid inhoud te geven.

Toch is zijn passie me bijgebleven. Misschien wel omdat er zoveel agressie in doorklonk. Een redeloze woede naar het universum waar ik me helemaal in kan vinden. Ik vermoed dat K. zelf net zo weinig trek had in de crematie als ik. Dat ie liever met mij een biertje was gaan drinken in café Van Rhijn, om daar nog eenmaal luidkeels The Raven te citeren, terwijl ik hetzelfde zou doen met The Monster’s Son, elkaar overschreeuwend op een steeds heviger brandend bruggetje.

De bruggenbouwer
Zegt de raaf, hij zegt...