titels blogs

Blog

De zelfmoordmagneet

En de mosselfietsen

Brullende dieselmotoren, fluoriserende pakken, grimmige blikken. Rijkswaterstaat én de rivierpolitie, druk manoeuvrerend in het kanaal. ’t Zál toch niet, verzucht ik. Alwéér eentje?

Als je bent opgevoed door iemand die het diverse keren geprobeerd heeft, ontwikkel je er een dikke huid voor. Terwijl ik zelfmoord toch als een uiting van levenslust beschouw. Immers, zelfdoders nemen geen genoegen met het Koude Prakje des Levens. Ze willen wég, naar een plek waar het mogelijk beter is, waar ze wél thuishoren. Daarvoor nemen ze een stap die veel moed vereist, naast de vanzelfsprekende wanhoop. Dat respecteer ik omdat ik zelf evenmin altijd trek heb. Van een heel andere categorie echter vind ik de sukkels die het slechts proberen. Dood aan deze drama queens! En waarom moet het uitgerekend voor mijn deur?

Soms lijkt het alsof ik in het epicentrum van zelfmoordend Nederland ben gaan wonen. Volgens mijn buurvrouw zijn er hier de afgelopen jaren vier springers uit het kanaal gehaald. Daar nodigt de overdaad aan bruggen blijkbaar toe uit. Zo ben ik op een zondagochtend in 2011 in een krimi ontwaakt toen ik de gordijnen opzij schoof en er aan de overkant een lijk uit het kanaal werd getrokken. Een springer van de Merwedebrug, zo zou blijken. Met dit beeld vers op het netvlies tikt het ontbijteitje toch net even anders.

En nu. Opnieuw een parelduiker? Kan ook om een liquidatie gaan. Of een ongeluk. Misschien die luidruchtige student-van-hiernaast, die met een blaas vol bier is thuisgekomen, de deur niet heeft gehaald, naar het kanaal is gerend voor een plasstop, zijn evenwicht heeft verloren en in het zwarte water is verdwenen. Natuurlijke selectie! grom ik misantropisch. Want ik kan enorm grimmig gestemd zijn.

Maar niet zo grimmig als de bergers. Onverminderd gaan ze door. Dreggend en peurend, met wilde gebaren en malende schroeven. Er wordt zelfs een enorme magneet ingezet waarmee ze een maand eerder een auto gevangen hebben, die overigens leeg bleek. Ditmaal willen de bolides niet bijten. De bijvangst, bemosselde fietswrakken, ligt verspreid op het gras van de kade. Ik inspecteer de overblijfselen met de cool van een patholoog anatoom.

Dan is het Schluss. Het materieel wordt opgeborgen. De mannen kijken teleurgesteld. Natuurlijk hadden ze liever de ongeruste familieleden uitsluitsel gegeven, hoe triest ook. Aan de andere kant, het kan loos alarm zijn geweest. Misschien heeft de vermiste zich inmiddels gemeld met een slappe app.

Wat de toedracht ook moge wezen, tot mijn verbazing ben ik enorm opgelucht. Mijn necrofiele bravoure is geheel vervlogen. Ik moet zelfs even slikken. Blijkbaar vind ik het meest loze alarm toch mooier dan de dapperste wanhoopsdaad. Of komt het doordat het spook-in-mij, dat niet wil bidden voor brune boon’n, als de dood is om zijn stoffelijkheid opgevist te zien worden? Eet je bord leeg! klinkt het in mijn achterhoofd als ik de mosselfietsen laat voor wat ze zijn. Ik sla een kruisje. En dank de goden dat ik opgevoed ben door een drama queen, in plaats van door een doorzetter.

De zelfmoordmagneet
Zware metalen

De droomvader

En zijn meiden

Vrijdagavond in de Intercity naar U. Tegenover mijn klapstoeltje neemt een vader met twee dochtertjes plaats in het viermanszitje. Hij is een slanke dertiger met stekels, stoppels en een parka. Een soort jonge versie van mijzelf, maar dan met christelijke glimlach. De meiden, een tweeling, schat ik op een jaar of tien. Ze zijn uitgerust met roze rugzakjes en koptelefoons vol K3. De knusheid straalt van hen af.

Als kinderloze man-met-kinderwens ben ik gelijk een beetje jaloers op de vader. Daddy cool, op pad met zijn meiden! Ouders beseffen vaak niet hoe bijzonder zo’n band met hun kroost is. Sterker, als ik mijn verlangen naar een gezinsleven opbiecht aan vrienden, drukken ze me gelijk op het hart dat ouderschap vooral een kwestie is van zelfopoffering. Alsof dat niet perfect past in mijn geromantiseerde plaatje!

Het trio zit nog maar net of de vader gebaart zijn dochters de koptelefoons af te doen. En begint hen vragen stellen. Hoe ze het gehad hebben bij mama. Wat voor spelletjes ze gespeeld hebben. Wat ze de leukste game vinden. En waarom. Wat er aan verbeterd zou moeten worden. En wat niet. Hij zit er bovenop, informeert naar ieder detail – alsof hij zelf mee had willen doen. Daarbij noemt hij zijn dochters steeds bij de naam, terwijl oogcontact volstaat om een misverstand uit te sluiten. Ook bizar is zijn neiging om over zichzelf in de derde persoon te spreken. ‘Pappa vindt dat Merel nu iets heel slims zegt,’ aldus een zelfvoldane Caesar.

De meiden, aanvankelijk verguld van al die aandacht, krijgen het op den duur zichtbaar benauwd van hem. Hoe dieper hij onder hun huid kruipt, des te hoekiger hun bewegingen, korter hun antwoorden, dieper hun zuchten. Na een uur hebben ze schoon genoeg van papa’s bonding. Daddy ain’t no cool no more.

Zelf voel ik de drang om hem een enorme bitch slap te verkopen. Dood moet deze papa! Mijn weerzin wordt zo heftig dat ik me afvraag waarom. Na de nodige soul searching valt de munt: als ik mij had voortgeplant, was ik geheid zo’n papa geworden. Zo’n man die de relatie met zijn koele vrouw niet had kunnen bolwerken, om zich na de scheiding op te werpen als ideale weekend daddy, daarbij voortdurend zijn inner child uit de kast trekkend om de band zo hecht mogelijk te maken. Zonder zich af te vragen of de kinderen daar wel behoefte aan hebben. Aan een papa die je beste vriend wil zijn...

Als we in U. uitstappen ben ik niet langer jaloers. De meiden, uitgeput van vaders klamme compassie, verlangen ongetwijfeld naar hun moeder die hun misschien nooit een knuffel geeft, maar wel alle ruimte gunt. In de stationshal trekken ze de hoofdtelefoons alweer over de oren om in de muziek te verdwijnen. Ikzelf verdwijn weer in mijn kinderloze universum, mijn zegeningen tellend, het ouderschap vervloekend. Maar wel een K3-deuntje neuriënd.

De droomvader
Who's your daddy?

Walking tall

And stand proud

Dit is mijn role model. Iedere keer als ik haar langs zie komen is ze wat krommer getrokken. Kyfose heet dat. Het oogt grimmig, alsof de persoon door het leven afgeranseld wordt. Toch lijkt haar tred iedere dag meer vastberaden. Worden haar stappen kordater. Haar schreden vlotter. Ze mag dan gebukt gaan onder de ziekte, die zal haar niet achter de geraniums krijgen.

Als ik haar tegenkom groet ze me met een glimlach die helemaal niet hoort bij een lichaam dat capituleert. Zó stralend. Ze zou verbitterd moeten zijn. Verzuurd. Verbolgen. Of in ieder geval verongelijkt. Maar geen spoortje te bekennen van het zelfbeklag dat sommige van haar leeftijdsgenoten verteert. En een enkeling van mijn generatie, zonder dat die daar een legitieme reden voor heeft. Ik ken er wel eentje.

Daarom wandel ik graag een stukje achter haar aan. Probeer ik haar bij te benen. Is ze mijn Rocky geworden: een knokker die lang voordat bel geluid wordt beseft dat ie de wedstrijd zal verliezen, maar zegeviert op karakter. Stand proud and walk tall, juist als je dat niet meer kan. Ik mag bidden dat ik net zo stralend eindig als zij dat doet.

Stand proud, walk tall
Stand proud, walk tall

Exoten onder elkaar

In de rioolbuis

Er is iets aan de hand met natuurliefhebbers. Hun emotionele huishouding is van slag. Zodra ze een voet in een bos zetten beginnen ze ongegeneerd te genieten. Instant geluk ervaren op basis van een paar struiken, dat is niet geloofwaardig. Óf ze liegen dat het gedrukt staat, of het zijn drama queens. Want de mens hoort helemaal niet thuis in de natuur.

Dat we ons aan het eind van de voedselketen wanen, is hoogmoed. We zijn gebouwd voor HoogCatharijnes. Daarbuiten overleven we niet. Kijk maar eens goed naar die mooie natuur. Overal beesten die elkaar opvreten, honger lijden of anderszins creperen. Een soort Oostvaardersplassen, maar dan echt. Moet je natuurlijk wel oog voor hebben. Zoals ik, tijdens mijn meditatieve snelwandeling door het Willem-Alexanderpark.

Dat is een kunstmatige heuvel waarop woningen voor tweeverdieners verrijzen. Mijn aandacht hier gaat vooral uit naar de aanleg van de riolering, op zoek naar een mooi verhaal. Maar ik heb ook oog voor het groen. Dat is namelijk nog genieters-vrij: van god verlaten greppels en plassen en sloten waarin beesten elkaar opvreten. Ongerept en rauw. Typisch een plek waar je op een exoot kunt stuiten.

Een exoot is een dierensoort die als verstekeling meegereisd is met de cokeboot uit Colombia, of ontsnapt is uit het terrarium van je neefje. Een ongewenste vreemdeling die zich hier tegoed komt doen aan inheemse flora & fauna. Inmiddels zitten onze beekjes vol bijtschildpadden, onze bomen vol krijsparkieten, onze wandelpaden vol grote boze wolven. Dus waarom geen anaconda in de greppels van Willem-Alexander. Het idee van zo’n Fremdkörper tussen onze bloemetjes & bijtjes, daar kan ik nou van genieten. Misschien omdat ik de miscasting herken.

En anders doet deze fazant dat wel. Geïmporteerd door de Romeinen is deze exoot nu vooral een vreemde eend in onze stadsbijt. Met zijn verenpracht en kuierende motoriek hoort ie thuis in zo’n 17e-eeuws schilderijtje van een herderspaartje dat de liefde bedrijft in romantisch struweel. Niet tussen de high end heimachines. Toen ik het dier wilde benaderen voor een stukje verbinding, stootte het een noodkreet uit alsof IK de exoot was. Zijn alarm werd vanuit alle hoeken van het park beantwoord. EIGEN EXOTEN EERST! klonk het overal. Eenmaal omsingeld heb ik mijn heil gezocht in een braak liggende rioolbuis – de enige natuurlijke habitat van de schrijver. Om daar eens ongegeneerd na te genieten.

De tweede kans van de conciërge

In zijn loods

Wat weinig mensen weten, is dat God met het verstrijken der eeuwigheid een oude conciërge is geworden. Een sloeber met spataderen en spit die zonder veel animo een loods aanveegt, binnensmonds mopperend op de mensheid, af en toe een fluim spugend in eigen stofwolk. Not a pretty picture.

Toch is het allemaal hier begonnen, in dit duistere pakhuis. Eerst met de Big Bang, daarna de eencelligen, toen de dino’s. En uiteindelijk de mens. God heeft zich helemaal het apenlazarus gewerkt aan het leven. Maar vandaag de dag ziet geen hond hem nog staan. Genegeerd wordt ie, uitgelachen op zijn best, omdat niemand meer in hem wil geloven. Sterker, we denken dat wij hém uitgevonden hebben, in plaats van andersom. Godgeklaagd is het.

Toch begrijpt hij het allemaal wel. Vroeger was ie immers net zoals wij zijn. Vol van zichzelf, badend in een zee van ambitie. De hele dag bezig met zijn creatie. Pas toen zijn evenbeeld er een puinhoop van gemaakt had, is ie een toontje lager gaan zingen. Werd ie de bescheidenheid zelve. Om uiteindelijk een schim van zichzelf te worden.

Maar helemaal uitgespeeld is de Almachtige niet. Soms heeft hij diepe gedachten. Vooral tijdens het vegen, dan kauwt hij op de kleine lettertjes van ons contract. Op de passage waarin staat dat het leven der mensen gelijk moet zijn aan lijden. Die wil hij schrappen. Dat lijden, dat geeft alleen maar gedonder! Kijk maar naar die rotzoon van hem, die laat niets meer van zich horen! Probleem is dat het leven vaak lijden IS, zeker nu we niet meer in hem willen geloven. Kon hij de mens zijn somberheden en stommiteiten maar doen vergeten, zodat ze met een schone lei een doorstart kunnen maken. Misschien dat God dan zelf weer lol krijgt in zijn creatie.

Toegegeven, het is er nog niet van gekomen. ’t Is ook niet een echt plan, meer een voornemen. En natuurlijk weet God dondersgoed dat wij ook die tweede kans zullen verbruien. Met nieuwe somberheden en nieuwe stommiteiten. Toch vindt hij het een mooie gedachte, zo’n tweedekansknop. Daar zit meer muziek in dan in dat topzware geloof in een hiernamaals, mompelt hij terwijl ie nog een bakje inschenkt in de overigens verlaten kantine.

Eigenlijk vindt God zijn overpeinzingen op zich al indrukwekkend genoeg. Sterker, iedere keer als hij op de kleine lettertjes kauwt, hoor je hem fluiten. Licht hij even op in de loods. Wordt ie zichtbaar in zijn stofwolk. Dan sloft ie maar eens naar het toilet voor een grote boodschap, binnensmonds mopperend op de mensheid, wachtend op zijn eigen, tweede kans. Om na de bevalling een eeuwigheid zijn handen te wassen.

De conciërge
Hard werken

Heel Gallië?

In de stadsboerderij

Je ziet ze wel eens langskomen op Facebook: foto’s uit verre landen waarop de stadsvernieuwing met de grootst mogelijke moeite om een huisje heen heeft moeten bouwen omdat de eigenaar ’t vertikt het pand te verkopen en te verkassen. Rare jongens, die Chinezen! denk je dan. Maar ik krijg er ook een toekomstvisioen bij.

Dat zit zo. Aangezien ik bezig ben met een autobiografische roman over een excentrieke schoolverlater-die-niet-weet-wat-ie-wil-worden, vraag ik mij regelmatig af wat ik toentertijd van mijn huidige zelf had gevonden. Vermoedelijk was ik me rot geschrokken. Wat een nukkige workaholic! Wat een kale kop! Wat een Iglobaard! Behoorlijk confronterend, zo’n fantasie. Daarbij is er geen enkele reden om aan te nemen dat ik me over NOG eens veertig jaar niet opnieuw zal rot schrikken van de dan 99-jarige Rein.

Tegen die tijd ben ik uit mijn flatje getrapt omdat de huurtoeslag is opgeheven. En heb ik mij, de maatschappij vervloekend omdat niemand mijn boeken wil kopen, teruggetrokken als kluizenaar. Ik weet ook precies waar: in de boerderij op de foto, gelegen bij de Douwe Egbertsfabriek. Deze hoeve wordt nu al ingeklemd door woekerend asfalt, drie parallelle bruggen, een megapopcornbios, een uitdijende yuppiewijk en een groeiend glaskantoor dat straks een schaduw op dit al zal werpen. Zo snoept de Toekomst iedere dag iets van het erf af.

Toch houdt de boerderij moedig stand. Ik heb dus goede hoop er in het jaar 2058 als senior kraker te zetelen. Dan zullen dagjesmensen op veilige afstand toezien hoe een uitgeteerde bejaarde met ZZ Top-baard heen en weer rent tussen methlabschuur, wietplantage en papaverkas, om af en toe met zijn dubbelloops wat hagel af te schieten op ’s lands laatste postbode, en zich ’s nachts te wijden aan wat – na zijn dood – zijn enige bestseller zal blijken: een autobiografische roman over een excentrieke schrijver-die-niet-weet-hoe-ie-kan-doorbreken. Damn. Ik heb er nu al zin an.

Boerderij
Leven in de moerassen

Cruisen met Oscar Wilde

In de miezer

Drie maal hetzelfde schip. Links de belofte uit de brochure voor de pensionado’s. Rechts de realiteit in het kanaal bij mij voor de deur. De rechterkiek heb ik zelf geschoten vanaf de fietsbrug, vlak boven het schip, waardoor het even leek alsof ik mee voer.

Er is iets met zo’n mislukte cruise dat me mateloos aantrekt. Dat verlaten dek. Dat kille poedelbad. Dat verregende midgetgolfveldje. En, als je goed kijkt, die ene passagier met die beginnende longontsteking. Als het maar lang genoeg miezert gaat zo’n pleziervaartuig vanzelf op een spooktanker lijken. Zou er ooit een schilderij van de Oscar Wilde gemaakt zijn? The Ship of Dorian Gray?

Het lijkt mij een enorme uitdaging om aan te monsteren als gastheer-from-hell en de passagiers de tijd van hun leven te bezorgen. Ik zie de Wilde al aanmeren bij mijn prachtwijk. Eerst fungeer ik als reisgids voor een portie ‘slumming’, daarna word ik calamiteitenbegeleider omdat de hutten bij terugkomst geplunderd blijken door landrotten. ’s Avonds speel ik olijke Isaac die zijn gasten cocktails laat proeven uit Love Boat, vervolgens werp ik me op als braakcoach om de legionellasoep in goede banen te leiden. Voor het slapen-gaan lees ik de meest aansprekende rampverhalen uit de binnenvaart voor. Steward Rein wenst u alvast een onvergetelijke reis.

Oscar Wilde
Klik op de foto om hem te vergroten

Ich will Opas U-Boot zurück!

Damn the torpedo's!

Het was een fijne Blitz-vakantie, maar behoorlijk Nederlands spreken doen ze er niet en je wordt uitgelachen als je een karaf zoete witte wijn bestelt.

U-Boot
This is your captain speaking

Crash test genius

Met een hoera!-verhaal

Het krantje van mijn prachtwijk zit boordevol hoeraverhalen. Over vlekkeloos verlopen renovaties, bruisende braderieën en hangjongeren die al neuriënd zwerfvuil rapen. Eigenlijk staan we hier met z’n allen stijf van de verbinding! Als overtuigd wijk watcher weet ik beter. Sterker, ik heb een derde oog ontwikkeld voor misstanden. Maar steeds als ik me bij het gemeentelijk klachtenloket vervoeg, blijkt de voltallige afdeling met griepverlof / sabbatical / zelfmoord. Toch zal mijn wijk me ooit dankbaar zijn voor mijn waakzaamheid.

Zo heb ik, na duizenden manuren uit het raam gestaard te hebben, in de gaten gekregen dat de kade voor mijn deur misbruikt wordt als sluiproute. Geblindeerde Golfjes richting Kanaleneiland omzeilen jakkerend de spits, waarbij ze alle 30 km/u-borden negeren EN een lagere school passeren. Het wachten is op het eerste rouwbericht.

Op instigatie van bezorgde ouders heeft de gemeente een aantal verkeersdrempels opgeworpen. Daarbij lijkt ze te zijn uitgegaan van de redelijkheid van de mens en van die van de verkeershufter in het bijzonder, want de drempels zijn zo glooiend en dus schokbrekervriendelijk ontworpen, dat het een sport wordt om er zo hard mogelijk overheen te scheuren. Zelfs oma’s op e-bikes laten zich er graag even op lanceren.

Verder is er in het asfalt vóór de school in koeienletters ‘SCHOOL’ aangebracht, kennelijk in de veronderstelling dat een stadscoureur ontvankelijk is voor dergelijke signalen én dat ie op dat moment niet zitten te appen. Ook liggen er nu brailleachtige bobbeltjes die, als ze contact maken met gierende autobanden, de goede verstaander ‘zachtjesaan!’ zullen influisteren, waarop de automobilist voluit in de remmen zal gaan. Althans, dat wensdenkt de gemeente. Ik als overtuigd wijk watcher weet beter. Tijd voor een stukje burgerparticipatie!

Mijn plan is als volgt. In een Sus & Wis heb ik ooit gelezen hoe Lambiek belazerd werd door een zwendelaar die zijn fietswrak steeds zó voor passerende auto’s gooide, dat het leek alsof de bestuurder door onachtzaamheid een ongeluk had veroorzaakt. Tel uit de schadevergoeding! Dus ik dacht, als ik nu eens via een feestartikelensite een nepkind bestel, zo een in de stijl van een rubberen kip, en dat nét op het moment dat de school uitloopt onder de wielen van een scheurend Golfje werp... KABENG!! Gelijk een meute lynchende ouders op de been! Verkeershufter aan de hoogste lantaarnpaal! Onze prachtwijk autovrij! Mijn smoelwerk in een hoera-verhaal! Uitgeroepen tot Buurtpreventeur van de Eeuw!

Bij de uitvoering van dit masterplan rest mij slechts één piekerpunt: een mogelijk misverstand. Want ouders die denken dat je hun kind net onder een auto hebt geworpen, die kunnen zó impulsief reageren. Zou er al een klachtenformulier bestaan voor mensen die menen onterecht gelyncht te zijn?

Crash test voor de school
De vrijwilliger

S*ck on this, Amundsen!

Aan het hongerwinterkanaal

Bij een gevoelstemperatuur van -273 graden Celsius wist extreme hiker Rein Hannik zijn kadewandeling te overleven door eigen (linker)hand op te eten en borsthaar in de brand te steken. Laatste aantekening uit zijn logboek: ‘Al een kwartier geen andere wandelaars meer tegengekomen. Voel mijn krachten afnemen. Overweeg om kuit aan te vreten en baard te verbranden. Maar opgeven, dat never nooit niet! Global warming is voor mietjes!’ Diezelfde middag nog trof een jogger Hanniks lichaam aan met verschroeide kin en grote happen uit de kuiten. Zijn familie doet een beroep op fans om foto’s van Hanniks overblijfselen die op social media circuleren niet te delen, opdat hij herinnerd kan worden als de ontdekkingswandelaar die we gekend hebben.

Amundsen aan het kanaal
Klik op de foto voor de verbrande borstharen