titels blogs

Blog

Café Hensepeter

Urinoire herinneringen

Als je je ogen een beetje samenknijpt lijk je minder aangeschoten, of beter nog: een beetje wreed.

sam_4485-450

20121012_215455-450

De drie musketiers

Toevalsreünie in Springhaver

Met ex-ex Hananja en maat Peter thuiskomen in café Springhaver. Slappe lach binnen een halve minuut, hét symptoom van hardcore vriendschap.

20121004_reinhananjapeter45

Rain & the Brains

Rock star in een appelsilo

If you put your mind to it, you can accomplish anything. Als je opgevoed bent met duizenden uren aan Amerikaanse televisiepulp, krijg je onvermijdelijk een tik mee van the American Dream. Mijn idee-fixe is dat met focus alles mogelijk is. Zelfs nu ik over de helft ben en zo min mogelijk mogelijk heb gemaakt van mijn leven, geloof ik nog steeds in gerichte passie. Echter, om volgende generaties te waarschuwen voor de consequenties van ongebreidelde hartstocht, hierbij het relaas van een krijger die decennia gebivakkeerd heeft op het slagveld der gêne.

In welk jaar precies ik besloot rock star te worden weet ik niet meer. ‘t Was op een leeftijd dat echte rock stars zichzelf als pensioengerechtigd beschouwden. Een gewaagde carrièreswitch dus. Gelukkig was er in mijn geval weinig sprake van carrière. Of eigenlijk helemaal niet. Ik had zes studies afgebroken en vond het tijd om iets zinnigs met mijn leven te doen. Rock stardom leek een verantwoorde keuze.

Niet dat ik op enige expertise kon bogen. Ik bespeelde geen instrument en wist evenmin iets van akkoorden, laat staan van notenbalken. Maar omdat ik ooit een rock ’n roll-verzamelplaat van K-tel had grijsgedraaid en jarenlang de luchtmicrofoon had ingezongen, vermoedde ik star quality in me. Ik moest en zou mijn leven wijden aan muzikale adrenaline. Een kwestie van doorzetten.

Met mijn if-you-put-your-mind-manie wist ik enkele vrienden ervan te overtuigen een band te formeren. Rain & the Brains doopten we onze claim to fame. Die Brains konden uiteraard allemaal een instrument bespelen, maar als frontman bleek ik evenmin gespeend van talent. Zo had ik een flair voor componeren (uit het hoofd!) en schreef ik surrealistische lyrics. Rain had ‘iets’. ‘t Kwam er alleen niet uit zoals gehoopt.

Dat bleek na ons eerste optreden. Een volle zaal hadden we getrokken. Met een dijk van een performance, zo meende ik. Helaas was de ‘gig’ op video vastgelegd door een onverlaat. Met ontluisterend resultaat. The Brains bleken inderdaad als een dijk te spelen en mijn gepassioneerde présence oogde overtuigend, maar er was iets mis met mijn zang. Alsof ik een halve noot onder de akkoorden zat. Consequent, dat wel. En opeens dacht ik aan die blik van mijn ex, na afloop van het concert, die hoe-ga-ik-hem-dát-vertellen blik. Ook de reactie van haar nieuwe vriend, een boomlange (en naar het scheen zeer zwaargeschapen) drummer, was in retrospectief verdacht: ‘Zag er leuk uit!’

Navraag bij The Brains over mijn ondertoonse zangstijl leverde slechts wat schouderophalingen op. Ik moest niet zeuren, want frontmannen zeuren niet. Maar de twijfel was in mijn bravoure geslopen. Volgende optredens werden met klamzweet tegemoet gezien. Ik nam zelfs zangles, tegen beter weten in. Van de nukkige, hoogbejaarde sopraan (100 gulden p/u, toentertijd mijn jaarinkomen) tot de veel te empathische jazzzangeres-met-overgewicht, alle juffen keken me aan met die hoe-ga-ik-hem-dát-vertellen blik. ‘Mooi stem,’ zeiden ze ‘Je hebt alleen soms wat moeite met tonen pakken.’

‘Soms’. Dat was natuurlijk een eufemisme voor ‘altijd’. Tonale dyslectie had ik. De diagnose kwam aan als een mokerslag. Niet omdat mijn carrière nu in de kiem gesmoord was, maar omdat mijn passie voor zang wortel had geschoten. En niet ongegrond. Áls ik de toon te pakken kreeg kon ik aardig sfeerzingen.

If you put your mind to it, you can accomplish something else, besloot ik. Het moest kleinschaliger. Emotioneler. Rain hief zijn Brains op en ging verder met toetsenist en gitarist. Trio Cathedral City was geboren. Exit rock, enter ballads. De oerbrul werd ingeruild voor een gevoelige croon. We regelden een oude appelsilo als oefenruimte en schaften een digitale 8-sporenrecorder aan. Kun je eindeloos mee opnemen. En zo volgden jaren van componeren, arrangeren en opnemen. Ik ervoer wat ik altijd al geweten had, dat muziek de schoonste aller kunsten is. Zeker als je het zelf maakt. Noem het contact met God, het universum, jezelf, de melkboer. Zingen is goddelijk. In mijn geval was die god alleen paralympisch.

De bravoure van podiumbeest Rain heb ik nooit teruggekregen. Ook niet na eindeloos inzingen in de appelsilo, gefocust als een monnik. Optredens beperkten we tot een enkele keer in een cultureel café vol klaverjassers. Na vijf jaar zweten met de recorder en 19 songs later vond ik het mooi geweest. We zetten de nummers op www.cathedralcity.nl. En ik begroef mijn microfoon.

Hoe trots ook op iedere noot van die 19 songs, ik ben nooit de zanger geworden die ik dacht te zijn. Wel de schrijver die ik niet wilde worden. Schrijven is niet goddelijk. En de verleiding is groot. Soms, als de stembanden beginnen te jeuken, zet ik de video van Rain & The Brains even op. Dan sluit ik de ogen, zet ‘t volume op 10 en stoot een diepe kreun uit. Misschien moet ik de tape viraal laten gaan op YouTube, ter desensitisatie van de gêne. En als waarschuwing voor andere rock stars-in-wording. Of als inspiratie voor schrijvers: if you put your mind to it, you can write about anything.

Wat rest van mijn carrière als rock star zijn deze screenshots. IJdeltuiterij? Zeker. Gun mij die 15 minutes of American Dream. Sommige illusies moet je koesteren. Daarbij, Rain is dan misschien verdwenen, zijn passie zeker niet.

Mijn dank gaat uit naar toetsenist Wym van Noort en gitarist/zanger Ramon van der Hout voor hun jarenlange geduld, hun inspiratie, vakmanschap en – uiteraard – prachtige spel. Wie weet, ooit…

band12luik450

Bambi

De killer van Kanaleneiland

‘Een béétje vent zou ‘em de nek omdraaien,’ schoot ‘t door m'n hoofd toen ik de hem had opgepakt. Nou is mijn relatie met de Columba livia domestica, oftewel de vieze vuile stinkstadsduif, niet altijd even goed geweest. Maar dit was een jonkie met kapotte vleugel en Bambi-ogen, voor mijn ogen te grazen genomen door zo’n verveelde PVV-kat die effe wou laten zien wie de baas is in Kanaleneiland. Dus of het nu kwam door mijn schuldgevoel of door een vlaag asbest in de herfstwind, ik kon het niet over mijn hart verkrijgen.

Gelukkig passeerde er een gemeentemedewerker. Zo’n veertiger met bodywarmer en levenslustige MBO-blik. Die zou raad weten! Hij schrok wat van mijn manische motoriek, maar na enig aandringen was hij bereid de dierenambulance te bellen. Helaas. Die had het te druk met elders reuzenpanda’s redden. 'Zal ik ‘em de nek omdraaien?' vroeg de gemeentemedewerker toen aan mij (alsof ik daar zelf niet toe in staat zou zijn!). Zijn blik was nog levenslustiger dan eerst. 'Nee, ik breng hem wel naar een veilige plek,’ improviseerde ik. De ambtenaar keek me aan met een ‘sure you will’ en vertrok.

Zijn scepsis was niet onterecht. Mijn veilige plek was een paar honderd meter verderop onder de brug, bij zo’n bosje dat zelfs door vieze mannen gemeden wordt. Ik liet Bambi los in het vochtige struweel. Maar veel beweging kwam er niet in. 'Een beetje vent zou 'em de nek omdraaien' galmde het weer door m'n kop.

Bambi opnieuw gevangen. Op de fiets, mee naar huis. Thuis in een doosje gedaan met wat brood en een ongewassen onderbroek, zodat ie rustig bij kon komen. Vogelopvang gegoogled en gebeld. 'Kom maar brengen!' klonk het enthousiast. ‘Maar het is een vieze vui... het is een stadsduif,’ merkte ik op. ‘Boeit niet. We maken geen onderscheid.’ Geen onderscheid!? Right! Fuck de reuzenpanda.

Een jonge Toots Thielemans opende de poort. ‘Ja, we doen ook aan duiven,’ zei hij en liet me een fraaie volière zien vol vieze vuile stinkstadsduiven, een kweekcentrum voor biologische oorlogsvoering. In de ziekenboeg overhandigde ik het doosje. Hij haalde Bambi eruit, onderzocht diens vleugels. Even verwachtte ik een ‘een beetje vent had 'em de nek omgedraaid’, gevolgd door een kille executie. Niets daarvan. 'Die redt ’t wel,' zei Toots. Hij pakte een soort comedonendrukker, stak die in een flesje en vervolgens diep in Bambi’s strot. ‘Om te ontwormen.’

Helemaal zeker weet je ’t natuurlijk nooit, of zo'n opvangcentrum geen dierproevenlab is, waar ze nagellakremover testen op de ogen van jonge Bambi’s. Of misschien heeft Toots 'em gewoon de nek omgedraaid toen ik de poort achter me had dichtgetrokken. Feit is dat mijn karma weer in balans is. Morgen mag ik weer een verse Columba livia domestica afschieten op m’n balkonnetje.

duif-450

Plugge

Het whiteboard van een medisch enigma

Hij lag erbij alsof ie een king size kater had. Haar door de war. Gelaat grijsblauw en ongeschoren. Pak verfomfaaid. En dat koelelement onder zijn bed had ook iets Alka Seltzerigs. Niets dramatisch aan. Was zijn stijl ook niet. Plugge wilde het liefst overkomen als een conventionele, gereformeerde zak. Dat dwong respect bij mij af.

Hoe vanzelfsprekend mijn vriendschap met Ronald T. Plugge ook was, voor de hand liggend was ie zeker niet. Sterker nog, we hadden bijna niets gemeen. Ik was een snelle analyticus met flair voor mind fucks, Plugge een breedsprakige krantenlezer met ‘t metrum van Chriet Titulaer. Ik hield van crooners, hij luisterde naar getoupeerde emobandjes. Ik keek film, hij las Reve. Wat ons bond was de specie aller vriendschappen: zelfspot. En grapjes over de dood, daar leefden we voor.

Wat we verder deelden was een gebrek aan maatschappelijke ambitie. Hoewel hij dat zelf graag anders zag. De reden dat hij op z’n dertigste nog steeds bij Van der Valk oberde was dat hij terminaal was, terwijl mijn in between no-careers-baantje bij de PTT een kwestie was van posttraumatisch stressgezeik. Hij was chronisch hartpatiënt, ik deed chronisch moeilijk. Maar omdat ie zijn studietijd had weggespoeld met ‘t ontwerpen van leerschema’s op whiteboards, mocht ik hem met recht loser noemen.

Nou moeten we Plugge’s terminaliteit niet al te zwaar opnemen. Dat deed hij zelf ook niet. Hij rookte en zoop een stuk meer dan ik. En veel meer dan hij van zijn artsen mocht. Bovendien weigerde hij stelselmatig een harttransplantatie. Dan was ie officieel terminaal, zo stelde hij. Gelijk had ie. 15 jaar staat er voor zo’n geleend orgaan. Dus roeide hij met de hartkleppen die hem restten. Tot ergernis van de specialisten, die hem als een medisch enigma beschouwden. Immers, sinds hij op z’n twintigste een virus had opgelopen in Australië, was zijn hart uitgelubberd tot de proporties van een goodiebag. Plugge hoorde dood te zijn in plaats van terminaal. Zijn casus was niet voor niets de Number One hit op cardiologische seminars, zo placht hij te pochen.

Always a sucker for losers, mocht ik Ron Plugge direct. Misschien ook wel omdat hij zo weinig op mij leek. Geen spoortje stress. Dat hij door iedereen bij zijn achternaam genoemd werd en in Libanon gediend had, gaf onze omgang bovendien instant street cred. Jaren aan uren hebben we weggespoeld in de kroeg, discussiërend over halszaken als Saddams voorliefde voor Hemingway. We flirtten met dezelfde vrouwen, lachten om de lulligheid des levens. Ron was iemand die ik graag op maandagochtend tegenkwam, om samen de dag mee te verknoeien. Killing quality time.

Niet verbazingwekkend dat onze vakanties een aaneenschakeling waren van anti-avonturen. Alles wat een toerist probeert te voorkomen maakten wij mee. Meestal doordat Plugge iets ontzettend stoms deed en ik zo ontzettend stom was om daarin mee te gaan. Op ’t heetst van de dag naar een fout stierengevecht waardoor zonnesteek, dagenlang liften naar een Frans theaterfestival dat al jaren niet meer bestond, met een local tegen een winkelruit vrijen om er vervolgens doorheen te storten. En altijd weer bracht zijn neus voor down & out ons in de allerluguberste underground bars. Plugge was trouble. Om dat vol te houden moest ie zelf 16 uur per etmaal bijslapen.

95% arbeidsongeschiktheid ten spijt, liet Plugge het graag breed hangen. Geld moet rollen, was zijn devies, ook als je het niet hebt. Daarom had ie twintigduizend gulden aan doorlopend krediet opgemaakt aan staafmixers, citroenpersen en kamerbrede tv’s. Toen ik hem eraan herinnerde dat ik nog tweeduizend piek van hem tegoed had, kreeg ik een J'accuse van acht handgeschreven pagina’s op de mat. Gelukkig misten we de stamina voor langdurige brouille. Sterker nog, na een paar maanden mokken gingen we samen in zaken. Duistere zaken. Over dat debacle straks meer.

Zo lijdzaam als Plugge was bij geldkwesties, zo krachtig stelde hij zich op tijdens zijn vele ziektebedden. Nooit klagen, altijd meedenken met de artsen, hen soms adviserend of zelfs verbeterend. Met zijn manische focus had ie ALLES over hartziekten en kunstharten eigen gemaakt. Pre-internet, mind you. Als hij in conclaaf ging met de doktoren luisterde ik bescheiden toe, m’n posttraumatische stressgezeik wegfrommelend. Na iedere ziekenhuisopname keerde hij ongeopereerd huiswaarts, fris als een terminaal hoentje. Plugge’s veerkracht was ongekend.

Zijn gehannes met vrouwen was dat ook. Relaties waren beperkt tot weekendseks, samenwonen was geen optie (volgens hem vanwege zijn hart, volgens mij vanwege zijn teringzooi thuis). Tot ik een etentje gaf voor mijn vrienden, om mijn veertigste verjaardag te vieren. En hij naast Eva kwam te zitten. Eva was links. Plugge niet. “Heb je wel eens in de gevangenis gezeten?” was zijn opening line. “Ja!” antwoordde ze eerlijk én met de breedste grijns van het noordelijk halfrond. Een paar dagen later woonden ze samen. Nog wat maanden later werd hun dochter geboren. Hij hield de kleine in zijn armen met de triomf van een onsterfelijke. Plugge kon niet meer kapot.

Of toch wel. Zijn hart was nu echt op aan ‘t raken. En als verse vader wilde-ie opeens 100 worden. Of in ieder geval 50. Plugge stemde in met transplantatie. Weken later kreeg ik een telefoontje van hem, midden in de nacht. Dat het hart gearriveerd was. Dat ie afscheid wilde nemen, voor het geval dát. En dat ie van me hield. Dat laatste moest ie eruit persen, maar toch. Sentimentele lul. Enfin, de operatie slaagde met vlag en wimpel, Plugge werd een gezonde huisman. Niet dat dat veel aan hem veranderde. Nog steeds wilde hij het breed laten hangen, spoelde hij gezonde uren weg met het ontwerpen van gokschema’s op whiteboards waarmee hij het casino zou kraken.

Het tweede telefoontje kwam niet van Plugge, maar van zijn zwager. Dat zei me genoeg. Het donorhart was alsnog afgestoten. Na een jaar. God zegent, maar doet dat graag met mate. Gelukkig was Plugge’s zesjarige dochtertje niet thuis toen het gebeurde. Ze hield zich kranig tijdens de crematie, toen Plugge’s vrienden zich en masse over zijn lastigheid beklaagden, maar hem na afloop wel op een tien minuten durende staande ovatie bedienden.

Tot zover mijn vriendschap met Ronald T. Plugge. Nou zou ik kunnen beweren dat ik vaak moet huilen om zijn dood. Maar dat is niet zo. Ik mis hem zoals je een lastige broer mist. Het gemis van een aanwezigheid waar je je ongegeneerd aan kan ergeren en ongeremd mee kan bekvechten. Ware vriendschap is niet romantisch. Het is vooral gewoon. Zo gewoon dat een opgebaard lichaam op een vriend met een kater lijkt.

Uit respect voor Plugge nog even wat spam: het verhaal over onze zakelijke escapade zal ik in de toekomst pimpen tot een roman. Waargebeurd, sort of, al zal Plugge het nodige commentaar hebben op mijn interpretatie als hij me opwacht aan het einde van de metrotunnel. Zolang ik die 2000 piek maar terugkrijg.

plug-450

Harley-Davidson Low Rider

De John Holmes-sound van een eenzame wolf

Het is moeilijk uit te leggen aan iemand die op z’n zestiende niet onder de puisten zat, twee koppen kleiner was dan de gemiddelde prom queen en met zijn stem steevast drie octaven te hoog uitkwam, wat een motorfiets voor een puber kan betekenen. In mijn dagdromen was een motor meer dan instant machismo. Hij had een filosofische dimensie, maakte je tot een kruising van alpha dog en lone wolf. Een motorrijder was zo diep dat ie niet eens seks hoefde te hebben.

Infantiel als ik oogde, naïef was ik bepaald niet. Zo constateerde ik dat slechts enkele merken zo’n shot testosteron garandeerden. De meeste motorrijders reden op modellen die praktisch waren – of erger nog: sportief – met veel te veel cilinders die een kleinepikkengeluid produceerden. Sukkels! Het geheim van de smid lag besloten in less is more en more is more: zo min mogelijk cilinders met zoveel mogelijk cc’s. Ergo: een Harley-Davidson.

In die tijd reed er slechts een handjevol Harleys in Nederland rond. Ze waren een bezienswaardigheid, iets waarvoor het grauw uit haar krochten kroop. Ik kende het merk vooral uit tijdschriften. Research deed ik in vakliteratuur als Easyriders en In the Wind, chopperblaadjes die bol stonden van de blote tieten en opgestoken middelvingers. Voor dat soort flauwekul had ik uiteraard geen oog. Mijn hart sloeg over bij de Harley-Davidson Low Rider, ‘s werelds eerste echte fabriekscustom, met kings & queens zadel, gun metal grey fatbob tank en drag bar stuur. Beyond masturbation.

Jaren verstreken. Een nieuw decennium kondigde zich aan. Het rijbewijs was binnen, maar een Harley kostte in die tijd iets van 15.000 gulden. Daarvoor moest ik, even omgerekend, 233 jaar sparen van mijn ongeschoolde baantje als assistent-manusje-van-alles in het St. Clara Ziekenhuis. Dus toen een metamorfose in lone wolf urgent werd (ik was nog steeds maagd en dat werd alleen maar erger), besloot ik water bij de wijn te doen. Veel water. Het werd een derdehands Honda 550 K3. Yep, zo’n praktisch model met een kleinepikkengeluid. Maar daarmee zou vriend B. wel raad weten. Die was namelijk drie jaar ouder. En onbevreesd sleutelaar.

Een paar maanden later stond de 550K3 voor mijn deur. Vriend B. had hem niet alleen gereviseerd maar tevens in bordeaux-rood en Marianentrog-zwart gespoten. Très chic. Maar niet bijster chopperachtig. Gelukkig had hij wel zóveel gaten in de uitlaten geboord dat de Honda nu een middelgrotepenisgeluid produceerde. Daarbij had hij highway pegs gemonteerd waardoor ik met mijn knieën in de nek ultra cool door uptown Rotterdam kon cruisen. Een leek had dit aangezicht misschien een hoog bavianengehalte toegedicht, de ware aficionado herkende onmiddellijk een Captain America als ik over de tramrails van de Nieuwe Binnenweg glibberde.

Jarenlang heeft de viercilinderpik mijn zelfdunk opgekrikt. Het liefst op boulevardsnelheid, want echt scheuren durfde ik alleen met een slok op, zoals toen in de Maastunnel, stomdronken inhalend met 120 over de doorgetrokken streep. Toen ik eenmaal ontmaagd was en merkte dat mijn thrills toch meer op dát vlak lagen (en dat verbale zelfspot meer meiden aantrok dan een bavianenlook), hield ik het lone wolfen voor gezien. De tot op de velgen versleten 550K3 werd ingeruild voor een racefiets. En witte Batavus met crèmekleurig zweetzadel. Très chic.

Het rijbewijs verdween in een oude sok. Tot er begin jaren negentig onverwacht een tante de geest gaf. Kinderloos. Niet dat ze verknocht was aan haar neefje (toen ik haar opzocht in het ziekenhuis riep ze luidkeels: “Als zelfs Rein langskomt zal het wel echt beroerd met me gaan!”) maar ze liet me een erfenis na die al uit mijn zak brandde voordat de laatste tonen van Ivan Rebroff het crematorium uitgegalmd waren.

Dus, en dat voelde u al aankomen, werd er alsnog een Harley-Davidson Low Rider aangeschaft. En, dat voelde u ook al aankomen, het was te laat. Dat ligt niet aan hem. Hij rijdt als een mammoet, is gecustomised met geraffineerde details en ergonomisch verantwoorde higway pegs, en de tweecilinder 1340 cc produceert een ongekende John Holmes-sound. Maar hij geeft me Het Gevoel niet. Niet zonder puistjes, groei-achterstand en falsetto. Daarbij heeft het Harley-virus zich als ebola over Nederland verspreid; ieder weekend klimt het grauw in het zadel om als orthodontist slash outlaw biker verkeersregelaars op Laag Catharijne te intimideren. Harley is het permanentje onder de motorfietsen geworden. Beyond midlife crisis.

Maar verkopen durf ik hem niet. Mag ik niet. Doe je niet met een 35-jarige dagdroom. Wel ben ik overgegaan tot een rigoureuze maatregel: ik heb de Low Rider opgesloten in een raamloze garagebox. Aan de ketting gelegd, met voldoende olie in z’n mik om een paar decennia door te komen. Wachtend op een neefje dat mijn sterfbed aandoet.

honda-harley-def450

Roofbouwveteranen

Delen hun geheim

Het geheim van een 36-jarige vriendschap? (Naast alcohol dan.) Een welgemeend gebrek aan wederzijds respect.

Vereeuwigd met Ed Bleij in café De Ridder te Rotterdam.

20120721edrotterdamderidder450

Sentimental boozing

En het nieuwe intellectualisme 

Al schuilend op de Witte de With bespreken Rein en love-of-his-life-van-30-jaar-terug Claudia Borges de invloed van Zabībah wal-Malik op de wereldliteratuur en de westerse samenleving.

collage-claudia-borges-450

One eyed jack-off

Vol belofte

Na mijn oogoperatie mocht ik een hele week lang met een ooglapje lopen. Een sjáns! 

De vraag is natuurlijk waarom zo'n lapje zo geil staat, wat het belooft. Een extra geslachtsorgaan? Een rol zwarte euro's? De Waarheid?

mean-mofo-crop-450

The Day of the Triffid

Of a rose in Spanish Harlem?

Er groeit een struik uit het overloopputje van mijn aanrecht. Betekent dit dat er in mij een innovatief, ecologisch verantwoord entrepeneur met onbewuste neus voor niches (indoor wijndruiventeelt voor kleinbehuisden) schuilgaat? Of dat ik een vieze oude man ben geworden die aan de Glorix moet? Of beide?

afvoerplant-crop-450