titels blogs

Blog

Het verlangen

Van Romeo

Trouwe lezers van mijn schrijfsels weten er alles van: hoe ik met plastic killerkraaien patatduiven en hun poepbombardement van mijn balkon probeer te weren. Dat heeft effect, ook omdat ik dag en nacht met een plantenspuit paraat sta. Maar mijn strategie heeft een onverwacht neveneffect gekregen. Ik ben aanstichter geworden van een onmogelijke liefde.

Hij is helemaal smoor, zij negeert hem zoals alleen plastic bitches dat kunnen. Hij probeert haar stamelend te versieren met verhalen over sappige wormen en doorzonnestjes, zij doet alsof ie lucht is. Het tafereel oogt zo hartverscheurend dat zelfs de plantenspuit nu zijn snuit houdt.

Mijn hoop is dat er een soft body versie van de killerkraai op de markt komt. Zo eentje met echte veren en lange wimpers, die steunend krast als ze de liefde bedrijft. Toch denk ik dat onze Romeo daar niet van wil weten. Dat hij van zijn killerkraai houdt zoals zij is. Afstandelijk, hard to get en zwijgzaam. Maar ook trots, standvastig en afgetraind. Voor Romeo is het juist de perfectie die van plastic is. En gelijk heeft ie. De mooiste liefde is altijd een gemankeerde.

Het verlangen
Ze houdt van me, ze houdt niet van me, ze houdt van me...

Het zweet

Van de zelfspot

Zelfspot. Misschien wel de belangrijkste voorwaarde voor mijn vriendschappen. Er zit zó veel in. Humor uiteraard. Maar ook introspectie. Zelfrelativeringsvermogen. Moed. Dat maakt het tot een perfect bindmiddel voor contact. Zó uitnodigend! Maar het is evenzeer een lakmoesproef. Ga maar na: als iemand inhaakt op jouw lachwekkende ontboezeming met een eigen – liefst nog genantere – anekdote, dan schept dat meteen een band. Als de ander echter met jouw zelfgrap aan de haal gaat door hem in te koppen, dan weet je dat die persoon valse trekjes vertoont.

Hoezeer ik zelfspot ook koester, het is altijd ooit ontsprongen uit drama. Zo ook bij mij. Daarvoor moeten we terug naar 1974, toen ik als vijftienjarige met gym 4 op vakantie naar Scandinavië ging. Voor mij een enorm avontuur, want voor het eerst op pad zonder familie. Niet dat ik me thuis voelde in die klas. Met mijn piepstemmetje en anderhalve turf bungelde ik onderaan de hiërarchie – een Fremdkörper tussen die grote, sarcastische Kralingers. Maar ik vermande me. En pakte mijn koffertje.

In Zweden aangekomen gingen we voetballen. Zwemmen. Dansen op Deep Purple uit een lamme cassetterecorder. Smooowwwke on the woooaaater! Kicken vond ik dat, want swingen durfde ik als geen ander. Dus toen er gevraagd werd wie er mee wilde naar de sauna, stond ik te trappelen. In mijn zwembroekje. Maar dat was de bedoeling niet! zei de leraar. Mannen onder elkaar, die gaan nakend! Het leplazarus schrok ik me, want nog nooit bloot geweest buitenshuis. Binnenshuis eigenlijk ook niet. Broers had ik niet. Op een sportclub durfde ik niet. Ik had de naakte waarheid altijd nauwlettend weten te ontlopen.

Even later zaten er vijf blote konten op een getrapte houten bank in honderd graden Celsius. Vier stoere gozers. En één sukkeltje. Zij maar lullen. Over meiden en n*uken, terwijl ik nooit verder gekomen was dan een onuitgesproken verliefdheid. Daarna ging het over lichamen. Onze lichamen. Mijn lichaam. Mijn nog haarloze lichaampje. Die Hannepik! klonk het. Da’s net een kind! Wat ook zo was. Een androgyne pedofantasie leek ik. Al spoedig vulde de sauna zich met hoonbulders. De ene na de andere sneer vloog me om de oren. Ze konden er geen genoeg van krijgen. Afgebrand werd ik, bevriezend in die honderd graden Celsius.

Maar juist de hitte bleek mijn bondgenoot. Het is immers uitputtend honen als het zweet uit je poriën gutst. Daarbij belette dat zweet mij te voelen dat er (zoals ik later vernomen heb) van hogerhand tegen mijn schouderbladen aan gepiest werd. Ik rechtte steeds mijn rug om alles van me af te laten glijden.

Toch is er iets wezenlijks gebeurd die avond. Het leek wel alsof ik geestelijk uit mijn lichaam probeerde te ontsnappen. Om me bij hen aan te sluiten. Om met hen mee te kunnen lachen. Om me tot zelfsarcasme te verlagen. Alles liever dan me alleen op de wereld voelen. Maar het liep iets anders.

Na afloop gingen we douchen. IJskoud, zoals dat hoort. Onder de douchestraal werd ik bevangen door een bijna suïcidale rust. En maakte ik een grapje over koud water en krimpende organen. Niet bijster leuk, wel zó triomfantelijk opgehoest dat de anderen in schateren uitbarstten. Dit keer klonk hun lach anders. Alsof zij publiek waren, en ik entertainer. Ik was in charge van mijn eigen lynch mob. Machtig voelde dat.

Zo is het toch nog goed gekomen met mij. Mijn lichaam werd volwassen, als ik mijn ex-vriendinnen mag geloven (ontzettend volwassen zelfs, als ik maar lang genoeg aandrong). Zelfspot werd mijn tweede natuur, waardoor ik snel en met iedereen kan ‘bonden’. Alleen mijn onderbewustzijn is wat achtergebleven. Soms keert de sauna terug, als beerput van mijn geheugen. Bijvoorbeeld als er een boom van een kerel ongegeneerd naast me komt staan kletteren in de pisbak van de sportschool. Dan gutst het zweet weer even over mijn rug. En maak ik een grapje. Waar meestal om gelachen wordt. Want iedereen is wel eens bevroren in een sauna. Toch?

In die zin is dit stukje dus een lakmoesproef voor mijn Facebookvrienden. Wie reageert er met een eigen ontboezeming, wie gaat er inkoppen met een geintje over bondjes op toiletten? Ik zet de thermostaat alvast op honderd.

Het zweet
Androgyn wezentje

Het Is Nooit Goed

Voor een mensenmens

Liefst wijt ik mijn onmogelijke persoonlijkheid aan iets dat buiten mijn macht ligt. Mijn jeugd. Mijn genen. De middelbare school. Of de fijnstoffen van de rijnaken die mijn flatje passeren. Smoesjes allemaal. Ik ben geworden wie ik ben doordat ik mijzelf zo gemaakt heb: een man die de eenzaamheid opzoekt om te kunnen schrijven, maar schrijft om contact te maken met mensen die daarna weer moeten ophoepelen omdat hij anders niet kan schrijven. Een grillig wezen, maar daarom niet minder een mensenmens.

Als ik mijn dagboeken mag geloven worstel ik inmiddels zo’n vier decennia met het doseren van contact. In al die jaren is mijn levensmotto geen spat veranderd. ‘Het Is Nooit Goed’ kan er op een tegeltje boven mijn hoofdeind gekalligrafeerd worden. Mijn relaties waren niet goed genoeg, mijn vriendschappen niet, mijn familieleden niet, mijn collega’s niet, mijn buren niet. En vooral ikzelf was het niet. Eigenlijk wil ik al vanaf mijn puberteit naar Huize Zonnegloren verkassen om daar (in een aparte vleugel) mokkend mijn vlaflip leeg te lepelen. Die natuurlijk ook niet goed genoeg is.

Inmiddels begint de zon in het kanaal voor mijn flatje te zakken. En probeer ik mezelf mondjesmaat te vermenselijken in plaats van iedereen (gelijk) dood te wensen. Dat doe ik door achteloos contact meer te waarderen (small talk kan van grote waarde zijn als je maar lang genoeg monomaan hebt zitten typen). Verder is het een kwestie van oude vriendschappen reanimeren. En nieuwe vriendschappen sluiten. Dat laatste gaat echter lastig zonder kader van cursus, stamkroeg of kantoor. Gelukkig is er het vermaledijde Facebook.

Daar heb ik jaren geleden X. leren kennen. Zo op het eerste gezicht zijn we tegenpolen. Als zij van het activisme en de rechtvaardigheid is, dan ben ik meer van de apocalyps en andere common sense. Wat we gemeen hebben is een oog voor mooie dingen. Maar vooral een scherpe blik. Zelden is iets goed genoeg voor ons. Dat voelt vertrouwd, opbieden wie de meest kritische zeikerd is.

Aangezien X. in de moerassen woont moet ze voor cultuur naar de Randstad afreizen. Dan mailt ze me of ze kan komen logeren. En schiet ik gelijk in de stress. De plee ontstoppen! Het laminaat ontsmetten! De vitrage desinfecteren! Maar haar de deur weigeren, dat never nooit niet. Daarbij kan het X. geen reet schelen dat ik onbewoonbaar verklaard woon. Zolang ze maar uren met me kan kletsen. En lachen, want ook zij weet waarom Het Nooit Goed Is.

Als dank voor mijn onbeholpen gastvrijheid kreeg ik onlangs dit boekje van haar cadeau. X. weet van mijn weerzin tegen literatuur (lezen = werken) dus was ze zo verstandig om voor een minuscuul exemplaar te gaan (7 x 10 cm), slechts leesbaar met een loep en bestaand uit een paar honderd woorden. De Schrijver heet het essay. U raadt nooit wat het thema is. Inderdaad: Het Is Nooit Goed. Alsof speciaal voor mij neergepend. Tel daarbij een auteur (Giovanni Papini) die al fout was vóór de oorlog en tekeningen (van Jan Stegweg) die uitermate naargeestig ogen, en u begrijpt dat dit kleinood een gaatje brandt in mijn imaginaire boekenkast. Ieder dag werp ik er even een blik op, als bewijs dat Het Soms Goed Is. Om daarna weer mokkend naar mijn vlaflip in Zonnegloren te verlangen.

De Schrijver
Giovanni Papini's De Schrijver

Omdenken aan de ziekenhuisbar

Met je infuus vol epo

Het einde van sick shaming is in zicht!

Voor patiënten die zo snel mogelijk willen herstellen van hun TBC, pest of syfilis, heeft het UMC deze unieke en CO2 neutrale bromfietsbar geïnstalleerd. Sfeervol gesitueerd tegen een decor van uitgestorven woestijnplanten, en uitgevoerd met voldoende afstand tussen de buddyseats opdat u niet geconfronteerd wordt andermans gejammer, garandeert deze medibikebar dat u ook tijdens uw opname aan die o zo noodzakelijke 30 minuten beweging per dag komt. Trek aan die gele UMC-trui!

*krijgt visioen van drie nijdig trappende mannen met rode koppen die elkaar met mind power te lijf gaan*

Medibikebar
(Gespot tijdens mijn halfjaarlijkse controle voor blindheid)

Hartje Aldi

Voor de EGO's

De Aldi. Ik kom er graag. Voel me er thuis zowat. Ieder bezoek maakt me ervan bewust hoezeer ik op de bodem van de maatschappij ben beland – in de tegenhanger van de golfclub zegmaar. Veel werklozen en afgekeurden zal dit besef moedeloos maken. Ikzelf kom er juist door bij mijn kracht. Het afvoerputje der supers geeft mij het idee dat alles alleen nog maar kan meevallen in het leven. Sterker, dat alles mogelijk is. Dat ik mijzelf opnieuw kan uitvinden.

Die behoefte aan een nieuwe verschijning is ook de reden dat ik mijn baard heb laten staan. Niemand vindt het een verbetering, behalve ikzelf. Omdat ik er een ander mens door lijk. Kies maar uit: een Hells Angel in ruste, een opa met platjes, een vergeten schrijver... Of gewoon een ouwe lul in de Aldi. Ik vind het allemaal best. Alles liever dan die jongere oudere die zijn studies en banen en relaties verklooide door te lang charmante grapjes aan de toog te blijven tappen. Mijn kroegtijger moest dood. Waarvan akte, al voel ik hem nog regelmatig stuiptrekken.

Ik vermoed dat er ook legio vrouwen zijn die hun baard willen laten staan. In plaats daarvan houden ze op met het verven van hun grijzende lokken. Waardoor er automatisch tien kalenderjaren bijgetikt worden. Dat hebben ze ervoor over, om zich niet meer de femme fatale te hoeven voelen. Ze zijn hun film noire meer dan beu.

Wat authentiek! lees je bij dit soort metamorfoses op Facebook. Zeker. Maar de vraag is hoe Onze Lieve Heer deze mannen en vrouwen in godsnaam gaat koppelen. Want het is leuk om van jezelf te weten dat je je charmes en good looks gecamoufleerd hebt, de ander ziet je natuurlijk gewoon als een ouwe lul of dito doos. Het oog wil ook wat, om over de rest van het lichaam nog maar te zwijgen. Het is dus zaak elkaars inner slut te herkennen, dwars door die authentieke grijze haren heen.

Gelukkig is daar altijd de Aldi. Op een niveau dat de bedrijfsleiding verre overstijgt, worden er voor ons EGO’s (extra gerijpte ouderen) stilzwijgend plekken geregeld voor spontane ontmoetingen. In de meest deprimerende filialen uiteraard, omdat daar alles nog mee kan vallen en mogelijk lijkt. Een app is niet vereist, de goede verstaander herkent de locaties aan subtiele signalen. Dus. Mocht u tussen de kiloknallers, plofkippen en grabbelbakken een kroegtijger of femme fatale van weleer vermoeden, aarzel dan niet, en ga er onmiddellijk VOL mee op de bek. Want oud, dat bent u maar eenmaal in uw leven.

# YouToo

Hartje Aldi
Zoek de Hartje-borden!

Een 2018...

...als nooit tevorenl

Nieuwjaar 2018

Neef B. en Oom R.

Voornemen:

Vaker familie opzoeken, ook al word ik dan bulderend uitgelachen om mijn wijze levensraad.

Levensraad
Zoek de zeven verschillen!

Like a sex machine

Een kerstverhaal met ballen

Uit de speakers schallen de eerste noten van La Bamba. Onder mij dansen mannen in getailleerde blouses met sleutelbeenbrede kragen en enorme okselvlekken. Dat doen ze met vrouwen in veel te wijde synthetische broeken en oversized colbertjes onder stijf gelakte coupes. Ik hang over de balustrade en tuur naar de dansvloer, als een antropoloog die vanuit een helikopter een pas ontdekte Indianenstam in het Amazonewoud bestudeert. Op veilige afstand.

De dansvloer is rond en wordt omringd door afzetpaaltjes met koordjes die de vloer de allure van een rode loper geven. In de vloer zijn spotlampen aangebracht waarvan het licht weerschitterd wordt in de bolvormige discolamp aan het koepelplafond, waardoor de bezoekers zich in een klatergouden waterval wanen. De opsmuk moet hen zaterdagnachtkoorts bezorgen.

Die hebben ze hard nodig, want verder dan wat laffe pasjes komen de meeste feestbeesten niet. Ze bewegen hun benen alsof ze pantoffels afwerpen, hun armen alsof ze een bergwandeling maken. Elkaar aankijken doen ze niet, kunnen op geen enkele gewaagde move betrapt worden. Ze dansen alsof ze staan af te wassen. Da’s disco’s dirty little secret: het is een thuishaven voor passielozen.

En waar kun je beter afwassen dan in Bristol! Er kunnen een paar duizend man in deze tempel van kitsch. En sluit de muziek naadloos aan op hun hartstocht. Het ene doodgedraaide hitje na het andere is de revue gepasseerd vanavond. Boney M, Hot Chocolate, Tavares... Herhaling, daar houden de mensen van. Vandaar ook het razend populaire ritueel bij La Bamba.

Al bij de eerste noten heeft iedereen zijn bacootje op de bar geplempt om op de dansvloer een grote kring te vormen waarbinnen vrijgezellen elkaar dansend proberen te versieren. Zonder de haarlak zou het door kunnen gaan voor een zigeunerritueel, zeker ook omdat er wel eens eentje doordraait als ie te diep gesnoven heeft. Zo is er paar jaar geleden nog een vrouw doodgeschoten, zeggen ze. En de portier, die mij met onverholen minachting binnenliet, schijnt in een Rolls te rijden. Ze geven Bristol het rouwrandje dat mij trekt.

Toch kom ik hier vooral omdat de kroegen afgeladen zijn met kerstgezelligheid. Dan is zo’n discotheek tenminste consequent in haar kitsch. Wel moet ik onvermijdelijk terugdenken aan dat ene schoolfeest waarbij ik in Travolta-outfit verschenen was. Blauw velours pak, hagelwitte blouse met soulkraag, zwarte schoenen met Italiaanse hakken en bolle neuzen. Helemaal in tune met de tijd. Voor het eerst zagen de meisjes me staan, gaven de jongens me schouderklopjes, staken de leraren hun duim omhoog. The Man was ik.

Voor één avond dan. Ik miste mijn vettige spijkergoed. Mijn houthakkersblouse. Mijn suède stinklaarzen. Ik kon het niet opbrengen, dat blitsen. Kan het nog steeds niet, me opdirken en dan onbekommerd mee hossen met de massa, op ongezouten deuntjes vol slippende drummetjes, gespeend van ieder greintje overgave. Muzak die me lijkt vast te nagelen in de tijd.

Gelukkig is er ook in Bristol wel eens een tijdloos moment. Alsof de discobol mijn gebeden heeft verhoord, galmt er opeens een unieke, hees-geile stem door de tempel: ‘Fellas, I’m ready to get up and do my thing! I wanna get into it, man, you know! Get up, get on up! Get up, get on up!’ Ik aarzel geen moment. Plemp mijn glas neer, roets de trap af, spring de vloer op. En ga dansen. Zoals ze daar nog nooit gezien hebben. Met skiënde voeten. Kronkelend bekken. Bezwerende armen. Halfgesloten ogen. Lustige grijns. En zwiepende haarslierten, die zorgen voor een fontein van zweet in het discolicht. ‘Stay on the scene! Like a sex machine!’

Al na een minuut wordt The Godfather of Soul weggedraaid. Loopt mijn machine vast. Open ik mijn ogen. De dansvloer is bijna verlaten. De paar overblijvers staan in een kring om me heen. Nemen me op. Niet met de goedkeurende glimlach van La Bamba, maar met de achterdocht van een groep antropologen die op een sjamaan is gestuit. Ik recht mijn rug. Hijs mijn spijkerbroek op. Trek mijn houthakkersblouse strak. En verlaat het lauwe afwaswater met opgeheven hoofd, terwijl achter mij een ‘Heaven must be missin’ an angel’ wordt ingezet. The Hardest Working Man in Show Business has left the building.

Buiten op het Hofplein raast het verkeer rond de helverlichte fontein. Er staat een Rolls geparkeerd, scheef, op de stoep, met de ramen onder de pekelblubber. Even heb ik de neiging om achterin te stappen en me naar mijn mansion in Beech Island te laten rijden. Maar dan pak ik mijn fietsje en laat ik me verzwelgen door het zwarte gat van de Maasstad. Met nazwiepende haarslierten, dat wel.

Bristol
Bristols inner cirkel werd wel heel erg klein toen deze prille BN’er zich waagde in de klatergouden waterval van de discobol

Dominee onder predikers

In Gelaetsboeck

Het was de zoon van de dominee die mij het compliment gaf. Op een feestje. Hij zei dat ik oreerde als een dominee. En gelijk had-ie. Zeker met een slok op kan ik lullen als Brugman, liefst over het menselijk tekort. Zielenherder Hannik! Sinds deze eye opener wens ik mij heimelijk een kansel. Liefst in een kleine gemeenschap, zodat ik iedere ziel persoonlijk kan bereiken.

Nog niet zo lang geleden werden mijn gebeden verhoord. De globalisering transformeerde de wereld in een dorp. Tenminste, zo ervoer ik Facebook toen ik me er vestigde. Wat een knus gehucht! Iedere dag deed ik er glimlachend mijn ronde, ditjes & datjes zegenend met likes. Al mopperde ik soms als ik over de Ophef des Dags struikelde, ik bevond mij onmiskenbaar in het dorp van mijn Vader.

Dus waarom post ik dan nooit eens een mooie preek over een actuele kwestie die in Gelaetsboeck opspeelt? Iets met mens & maatschappij, ter afwisseling van mijn microkosmische bespiegelingen? Zeker in deze tijden waarin rede wordt weggehoond en emotie dicteert – een welhaast epidemische aanval op het gezonde verstand. Ik zou er iedere dag een blog aan kunnen wijden.

Maar dat doe ik niet. Want er is iets aan de hand met de goegemeente. Er lijken hier al massa’s predikanten rond te struinen. Met lichtontvlambare fakkels. En een speciale versie van de Schrift. Eentje die gecorrigeerd is. En daardoor veel preciezer dan de conventionele. Er staat exact in vermeld wat ‘goed’ is. En vooral wat ‘fout’. Van hoofddoekjes bij de politie tot geslachtsloze toiletten. Van de Witte de Withstraat tot zwartgeschminkte kinderfeestjes. Van referenda over referenda tot olifantenbeschermende olifantenjachtpartijen. Van masturberende stand-up comedians tot smeltende ijsberen. Van pianoplankende politici tot Twitterverslaafde presidenten. Werkelijk alles en iedereen wordt erin geduid. Reuze handig, zo’n leidraad richting Het Licht. Hoef je nooit te twijfelen over je pad of na te denken over je gedachtegang. Wijzen volstaat. Naar de Anderen, die nog niet gecorrigeerd zijn.

Want in het dorp zijn ook dissidente geluiden te horen. Van dwarsliggers, benieuwd naar beide kanten van het verhaal. Van ongelovigen, die geloven in de chaos der dingen, doordrongen van de gebreken der mensheid. Zij zweren bij hartelijkheid en humor, maar houden ook van kritische vragen. En geven volmondig toe het vaak niet weten. Er stroomt zelfspot door hun aderen.

Naarmate de preken der nieuwe dominees luider en talrijker worden, verstommen deze stemmen der Anderen. Slechts een enkeling waagt het nog om met een tegenargument of relativerend grapje vraagtekens te zetten bij een gecorrigeerde preek. Want vroeg of laat word je dan ontvolgd. Ontvriend. Ontmenselijkt. Of erger: voor racist versleten. Seksist. Fascist. Foob. Om uiteindelijk door Heer Suyckerbergh het dorp uitgejaagd te worden. Tot Gelaetsboeck gezuiverd is van alle tegengeluiden. En het dorp weer wordt zoals het behoort te zijn. Correct.

Ik merk dat mijn rondjes door Gelaetsboeck steeds korter worden. Mijn zegeningen vlakker. Dat ik bepaalde bewoners mijd omdat zij, ondanks hun vermakelijke ditjes & datjes, bij de minste aanleiding hun fakkel ontsteken. Dat put mij uit. Maakt me moedeloos. Misantropisch zelfs. Nog even en ik begin zelf te wijzen. Da’s vloeken in de kerk natuurlijk, dan maak ik van de Correcten mijn eigen Anderen. Terwijl we toch allen even gemankeerd zijn, met ieder zijn eigen gebruiksaanwijzing. Misschien moet mijn preek daarover gaan. Over de onvermijdelijkheid van het menselijk tekort. En de charme ervan. Desnoods voor een lege parochie. En anders voor een lynch mob.

Dominee onder predikers
De foto stamt uit 2012 en is genomen in de Utrechtse Dom

De lokeend

Van de RET

[Onderstaand fragment is afkomstig uit mijn roman-in-de-maak over schoolverlater Rinus in het Rotterdam van 1979. Rinus zit in een dip. Hij heeft zijn motor total loss gereden en zijn carrière van ongeschoolde baantjes ziet er al niet veel beter uit...]

Mensonterend voelt de degradatie. Als outlaw biker veroordeeld tot het olijfdrab van de RET! Tussen het grauw! De pendelaars, kantoorklerken, shoppers! En waarom brandt er altijd zo’n naargeestig licht in de tram? Zouden de ingenieurs doelbewust voor tl-buizen gekozen hebben om de reiziger te laten wegzinken in een overbelichte levensmoeheid?

Ik gluur vanuit het harde rode bankje naar mijn medemens. Zonder uitzondering asgrauwe gelaten. Alsof ze het er om doen. Wat weinigen weten is dat sommige reizigers figuranten zijn. Die moeten weifelende voetgangers lokken met hun aanstekelijke chagrijn, zodat de wagen volgepropt raakt en de ruiten beslaan. Dat oogt dynamisch.

Maar liever nog zo’n rollende depressie dan een kekke thematram. De Striptram waarop ‘TINGELINGELING!’ staat, als ware het de Pep. De Haventram met sleepbootjes dobberend op wilde baren. De Binnenstadsdagtram met psychedelische vormen. En de VVV-tram met scheef getekende diergaarde-chimps en een geknakte Euromast. Alles om te benadrukken dat een rit door de verregende havenstad toch vooral als een onvergetelijk avontuur ervaren moet worden.

In plaats van de dodenrit die het is. Onze trambestuurder jaagt zijn stalen ros ongenadig hard de stad door. De wagen reageert nukkig, stuurs, nijdig zelfs, neemt de bochten alsof hij zich niet langer door de rails laat harnassen. Een eeuw geleden zou de koetsier een hoefijzer in het gezicht hebben gekregen! Ondertussen word ik op mijn harde rode bankje heen en weer geslingerd, bid ik bij iedere zwenk dat de tram zal ontsporen en op zijn rechterzijde zal kantelen. Zodat de deuren geblokkeerd worden. En ik niet naar mijn werk hoef.

Er is nog een optie. Wat weinigen weten is dat aan het eind van de avond, als de tram op stok gaat in de remise, de lokeenden de luiken in de geribbelde wagenvloer openen. Dan dalen zij af in de SubZero, als zombies, naar een onderwereld waar we allemaal vandaan komen en ooit naar zullen terugkeren. Dus. Als ik de rit nu eens helemaal uitzit. En me onopvallend tussen hen begeef. Misschien dat ik dan kan opgaan in hun asem. Om te vervliegen, tot de rat race van het leven overgewaaid is.

De lokeend
Lijn 4 die op 13 maart 1979 uitbrandt op het Heemraadsplein tegenover mijn ouderlijk huis. De fik was veroorzaakt door kortsluiting – volgens de officiële lezing althans. (Geruchten deden anders vermoeden...)