titels blogs

Blog

De zilverrug

Met wolvenogen

Bijna dertig jaar kennen we elkaar nu, nog steeds maken we dezelfde flauwe grappen die onze vriendschap pantsert tegen de erosie des tijds. Begin jaren tachtig was hij als een oudere broer voor me. Hij leerde me spannende schrijvers kennen als Céline, Hamsun, London en Lovecraft. Urenlang konden we ouwehoeren over Star Trek’s Uhura, de afwijking van onze luchtbuksen of de inner logic van Monty Python. Terwijl we toch uit zeer uiteenlopende milieus stamden. Hij een slagerszoon die zich uit zijn milieu had geleerd, ik een zoon van de dokter die nergens voor wilde deugen. Kon hij rake karateklappen uitdelen, ik was een ster in het uitlokken van conflicten. Beiden zijn we beschadigd in onze jeugd. Hij fysiek, ik emotioneel.

Inmiddels heeft hij twee geweldige dochters grootgebracht en probeer ik wekelijks een verhaal te baren. Hij staat nu model voor personage ‘Frans’ in mijn aanstaande boek, een roman die zich afspeelt in het Rotterdam van 1979. Voor nieuwsgierigen volgt hieronder een fragment.


‘Rinus, zet m'n benen effe bij de reanimatiespullen,’ vraagt Frans als hij zijn kleedhokje opendoet. Ik pak de benen aan, samen met de sleutels van de kast. De prothesen zijn lichter dan verwacht, terwijl de broek, sokken en schoenen er toch nog aan vast zitten. Als ik ze in de kast van de staf plaats blijven ze rechtop staan. Eigenlijk zien de benen zonder Frans er vreemder uit dan Frans zonder benen – alsof zijn bovenlichaam heel secuur ontploft is. De holtes waarin hij zijn stompen vacuüm trekt ruiken naar vers zweet. Mijn oksels stinken naar angstzweet.

Steunend op zijn palmen schommelt Frans zijn dubbelgespierde romp in noodtempo over de zwembadtegels richting vijftigmeterbad. Hij heeft de massale lenigheid en autoriteit van een Zilverrug – een alfa gorilla die zijn territorium komt opeisen. Ik kan hem nauwelijks bijbenen. Bijna niemand in het Sportfonds kijkt op van deze toch niet alledaagse verschijning. Misschien komt dat doordat hij wel alledaags is. ‘Hé Frans, laat je biceps eens zien!’ echoot het. ‘Mr. Olympia!’, ‘Franzzz the Champ!’ Ik slof achter the Champ aan, handdoekje over mijn tanige schouders. De meeste jongens hier dragen een Speedo waarin je dinges groot lijkt. Mijn zwembroek is nog van het lyceum en uitgerust met een binnenbroek. De buitenbroek rafelt en heeft een ruitjespatroon waardoor mijn dinges er vooral verkreukeld uitziet.
‘Niet zo schichtig, RT!’ zegt Frans terwijl hij zijn romp met Erroll Flynnzwier op de rand van het bassin slingert om overzicht te krijgen. Een lollige Zuidwijker naast ons maakt een bommetje. Ik huiver van de spetters, sla de handdoek verder om me heen. Frans grijpt me bij een kuit en wijst naar een plek naast de duikplanken. ‘Daaro. Daar gaan we liggen. Bij die brunette. Die heeft bij ons in de slagerij gewerkt. Zúlke kokosnoten. En die blondine ernaast, da’s haar zus, die mag jij.’ Ik knik en verlang naar mijn baantje aan de lopende band.

De brunette ligt op haar buik de Viva te lezen. Ze heeft zo’n volwassen lichaam met breed bekken en haartjes die uit het bikinibroekje kruipen. Een echte vrouw! Frans sluipt van achteren op haar af en sluit zijn handen om haar ogen. ‘Mag het een onsje meer zijn?’ vraagt hij grinnikend. Het Bekken draait zich schaterend om en toont haar boezem met de flair van een marktkoopvrouw. Terwijl de twee grappen maken over de slagerij, check ik de waterspiegel op haaienvinnen, maar krijg het gevoel alsof ik zelf beloerd word. Dat kan kloppen. De zus, een blondine met stekkerneus en zwaar voorhoofd, kijkt me aan met schalkse blik die ze laat afglijden naar mijn ruitjes. Ik schuif mijn handdoekje ervoor en ga een paar meter verderop zogenaamd zitten lezen in Martin Eden.

‘Je had je toch wel even kunnen voorstellen, Rinus Tinus!’ bijt Frans me even later toe. Hij zucht en gaat naast me op zijn buik liggen. ‘Volgens mij heeft die zus een oogje op jou.’
‘Die zus heeft een stekkerneus en een zwaar voorhoofd.’
‘Je moet érgens beginnen.’
Ik ga ook op mijn buik liggen. We luisteren zwijgend naar de kakofonie van het zwembad, turen naar bekkens en kokosnoten die stunten op de planken.
‘Zeg Frans.’
‘Zeg Rinus.’
‘Was je zenuwachtig, de eerste keer?’
‘Dat ik hier kwam zwem…’
‘Nee, je weet wel.’
Frans grijnst vanonder zijn taxisnor. ‘Mijn eerste keer was met Bonnie van de apotheek. Die zat onder de puisten maar had flink wat hout voor de deur. En ik was natuurlijk zestien hè.’
‘Vond je het niet eng met je benen en zo.’
‘Ze had me hier al vaak gezien. Als ik haar nou had opgepikt in ’t Schaapje…’
‘Hé mister Bicep!’ klinkt het opeens achter ons. Twee gebodybuilde beach boys-met-permanentjes gaan op hun hurken tussen Frans en mij in zitten, hun stuitjes naar mij toe gekeerd. De grootste heeft tussen zijn schouderbladen een tatoeage van een tijger waarvan de snoet geknakt wordt als de gozer op zijn armen steunt. Frans begint met de boys te kletsen over steroïden, deurbeleid en de nuances van armpjedrukken. Ze praten net zo luid als de Kralingse uitzendkrachten, maar dan plat. Een serie lachbulders en schouderkloppen later vervolgen ze hun weg, hun brede schouders laverend door het glibberende zwemvolk.
‘Arie en z’n broer Joop,’ verduidelijkt Frans. ‘Geen lichten, maar beste jongens. Arie heeft soms wat emotionele problemen.’
‘Je bedoelt als ie niet hard genoeg op iemands hersenstam in heeft kunnen beuken?’
Frans knikt. ‘Dan wordt ie onzeker. Heeft ie behoefte aan een luisterend oor.'
‘Frans?’ klinkt het opeens. Er bungelen twee kokosnoten boven zijn hoofd. Boven het mijne hangt een zwaar voorhoofd. ‘Zin in een duik?’ vraagt het Bekken aan Frans. ‘Je vriend misschien ook?’ Frans kijkt me streng aan. Ik kijk benauwd terug. ‘Prima idee,’ zegt hij zonder zijn blik van mij af te wenden. ‘We komen zo.’
Als het Bekken richting bassin loopt met haar zus staren we haar kont achterna, te lustig om nonchalance te veinzen. Maar het is ’t Voorhoofd dat even omkijkt voordat ze in het water verdwijnen.
‘RT, ga je mee?’ vraagt Frans. ‘Nog effe lezen.’ ‘Je bent toch niet bang van die stekker hè.’
‘Ben gewoon niet zo in de stemming.’
‘Jij moet gewoon wat aan je uiterlijk doen. Zet eens een Black&Decker in die apenplaneetcoupe van je, en ga eens mee naar het krachthonk om je… ’
‘Jij hebt makkelijk praten, met die bouw van je.’
‘Heb IK makkelijk praten?’ Frans kijkt me een moment hard aan, draait zich dan zwijgend om en hobbelt naar de duikplanken. Bijna geheel op armkracht klimt hij de trap op naar de bovenste plank, hobbelt naar de rand, gaat daar op zijn handen staan, stompen triomfantelijk in de lucht, wel vijftien seconden lang. Het hele zwembad kijkt toe. De kakofonie verstomt. Dan zet hij zich af. En duikt hij het chloor in als een afgetrainde ijsvogel.

 

De zilverrug
'Frans' in 1983 op het toenmalige Muscle Beach te Hoek van Holland, links vooraan, met wolvenogen en taxisnor.

De roofprins

En zijn stadshorzel

Toen ik een jaar of zestien was deed ik niet anders. Meestal om indruk te maken op mijn klasgenootjes die meer baard op de kin en in de keel hadden dan ik wist te kweken. Maar ’t was ook voor de kick. Want zakgeld kreeg ik genoeg. Mijn ouders hadden me zelfs een dure brommer cadeau gedaan.

Meestal sloegen we toe in de schoolpauze. Stroopwafels en Chocoprinsen bij het bakkertje, of peuken bij AH. In de super ging dat jatwerk gemakkelijker dan het klinkt. Er was toen nog geen cameratoezicht en de sigaretten lagen in een open rek parallel aan de lopende band van de kassa. Twee, soms wel drie pakjes verdwenen zo in mijn legerjas. Liefst vergreep ik me aan Dunhills omdat die klasse hadden. Daarna nog even met bezweet voorhoofd en wat hakkelende small talk een pakje kauwgum afrekenen, en deze jongen stond weer buiten. Gesnapt ben ik nooit. Daar was ik te vingervlug voor. Te paranoïde. Te onzichtbaar. Dus bij iedere diefstal werd ik iets stoerder. Schuldig voelen, dat was voor mietjes. Zeker bij zo’n grote zaak als AH.

De schoen begon pas te wringen toen we voor de honderdste keer onze zakken liepen te vullen in het bakkertje bij school. En het bakkersmeisje daar iets van zei. Niet tegen mij (van mijn Chocoprinsen had ze niets gemerkt), maar tegen een Deense klasgenoot van me die veel te omzichtig een pak stroopwafels in zijn jaspand had gestoken. Of ie dat thuis ook deed, vroeg ze hem. Waarop mijn maat iets in het Deens vloekte, het bakkersmeisje dichtklapte en ik een rode kop kreeg. De politie bellen deed ze niet. Maar die nacht droomde ik dat ze de gestolen waar uit eigen zak moest betalen, ontslagen werd wegens onoplettendheid, aan de drugs raakte en dakloos werd. Allemaal vanwege mijn Chocoprinsen.

Gelukkig straft God direct. Nou ja, een jaar later om precies te zijn, toen we met de klas naar een operette gingen. Ik had mijn Yamaha FS1, een roestbruine stadshorzel met anabole megacilinder, voor het theater geparkeerd maar was zo druk geweest met hem zo nonchalant mogelijk op de middenbok te hijsen, dat ik vergeten was hem op slot te doen. U voelt hem al aankomen. Toen de operette eenmaal uitgetetterd was en wij waren bijgekomen van de slappe lach (mijn Deense maat had een scheetkussen meegenomen), bleek de Yamaha verdwenen. Ontvreemd door een onverlaat die zich ook wel eens prins te paard wilde voelen. De diefstal kwam aan alsof ik in het kruis getrapt werd.

Het wachten was op de verzekeringspremie. Wekenlang moest ik me behelpen met het Mobiletje van mijn vader. Een wijvenbrommer vond ik dat! Uit pure vernedering was mijn stem een octaaf gestegen. Toen de premie eindelijk in zicht kwam en ik mijn zinnen gezet had op een tweedehands opvolger, werd mijn vader opgebeld door hoofdagent Haring. De Yamaha was terecht! zei de diender. Er moest nog wel wat aan gedaan worden, voegde hij eraan toe, want de brommer was opgevoerd. OMG, dacht ik, ze gaan hem castreren! En jawel hoor. Toen ik hem even later zag staan op het politiebureau, het motorblokje volledig ontmanteld, slaakte ik een hysterisch gilletje. Ik kon het nu wel schudden bij de meiden, met of zonder Dunhills.

Toegegeven: sindsdien heb ik nooit meer iets gestolen. Nog geen stroopwafel. Tot een paar jaar geleden dan. Toen ik ’s avonds wat geld wilde pinnen bij de flappentap. En daar een briefje van vijftig trof. Zomaar! Onbeheerd! Vergeten! Even voelde ik me weer dat prinsje van zestien. Ik trok mijn muts tot over de ogen, griste het biljet weg, sprong op de fiets en trapte als een dief in de nacht richting vergetelheid.

U voelt hem weer aankomen. Eenmaal onder de wol gedoken kwam het bakkersmeisje tot mij. Of ik dat thuis ook deed, vroeg ze me. Ik schrok wakker met bezweet voorhoofd. Zuchtte eens diep. Trok mijn kleren weer aan. Fietste terug naar de flappentap, in de volle overtuiging dat ik daar het bakkersmeisje zou aantreffen: dik in de zestig inmiddels, nog steeds dakloos en ónder de ebola, wanhopig zoekend naar dat briefje van vijftig waar ze dan een jaar van zou moeten leven. Hopend op een prins op een wit paard.

Niets van dat al. Geen bakkersmeisjes te bekennen. De flappentap stond er eenzaam te pronken met zijn buidel vol cash. Vertwijfeld hief ik mijn hoofd ten sterrenhemel. Misschien, bedacht ik mij, is dit een teken Gods. Een openbaring. Vindt Hij dat ik na al die jaren van eerlijkheid met mijzelf in het reine moet komen. Dat ik dat biljet moet beschouwen als een stichtelijke oorkonde, als Gods Verklaring Omtrent het Gedrag. Opgelucht en met een warm gevoel vanbinnen ben ik weer op de fiets gesprongen. Om die nacht prinsheerlijk weg te dromen. En de volgende dag een slof Dunhills te kopen.

De roofprins
Met anabole megacilinder

De glazen

Van Rien en Rein

Iedere ochtend als ik voor dag en dauw opsta, ben ik even alleen op de wereld. Er is dan geen teken van leven te bespeuren in mijn wijk. Of toch? Helemaal aan de andere kant zie ik wel eens licht branden. In net zo’n doortochtflatje als het mijne. Ook op de vierde etage. Maar ik denk niet dat het nóg een vroege vogel betreft. Volgens mij is het een nachtbraker. Een levensgenieter. Een Rien.

Als je zijn volle haardos zou wegshoppen en hem een baard zou opplakken, zou hij sprekend op mij lijken. Sterker, wie jeugdfoto’s van ons onder de loep neemt zou zweren dat we hetzelfde jongetje zijn geweest. Zelfs onze moeder dacht soms dat we Siamees waren! Misschien was dat ook wel zo. Op onze manier. Jaren geleden zijn we ieder ons weegs gegaan. Botsende karakters en zo.

Rien was zo’n kerel die onbevangen van het leven hield. Een dagjesplukker in hart en nieren en full time charmeur. Na de middelbare school is ie getrouwd met zijn high school sweetheart van wie hij vijf prachtige dochters heeft gekregen. Ook wist ie het, ondanks zijn moeite-met-leren, te schoppen tot topmanager-met-topsalaris. Hun herenhuis aan een sfeervolle Rotterdamse singel werd een zoete inval voor vrienden die van het goede leven houden. Iedere zaterdagavond was het raak! Soms, als zijn echtgenote hem zo bezig zag met zijn car dealer-babbel en afgetankte sherryglas, vond ze Rien een beetje oppervlakkig. Maar wat hij tekort kwam aan persoonlijkheid maakte hij goed met levenslust. Rien zorgde er altijd voor dat alles weer op zijn pootjes terechtkwam! Zijn glas stroomde over! Een beetje te veel, zo zou blijken.

Nog niet zo lang geleden is zijn vrouw erachter gekomen dat Rien al jaren buiten de pot piest. Met zo’n beetje iedere secretaresse waarmee hij ooit gewerkt heeft. Bij één heeft ie zelfs een zoon verwekt. Ook met het geld-van-de-baas is Rien niet altijd netjes omgesprongen. ‘Leningen’ volgens hemzelf, ‘diefstal’ volgens de accountant. Vorig jaar werd hij ontslagen door de directeur – nota bene zijn studiemaatje – omdat Rien zijn dure avontuurtjes als ‘zakelijke onkosten’ gedeclareerd had. Exit Prince Charming.

Aan passend werk is het lastig komen op zijn leeftijd, zeker ook omdat zijn drieduizend LinkedIn-contacten niets van zich laten horen. Daarbij heeft Riens vrouw haar trouwring door de plee getrokken en haar ex op straat gezet. Zijn dochters hebben hun moeders achternaam aangenomen. Zijn vriendin is er vandoor met haar spiritueel coach. En zijn zoon is genderneutraal geworden. Gedegradeerd tot uitkeringstrekker heeft hij zijn toevlucht moeten zoeken tot een kansenwijk vol tweedehands meuk, waar hij iedere nacht zit te dubben hoe hij zo diep heeft kunnen zinken. Dan grijpt hij wel eens naar de fles. En heeft hij al zijn positiviteit nodig om niet van de Dafne Schippersbrug te springen.

Gelukkig is Rien geen doorzetter. Om zijn gepieker wat te temperen is hij poëzie gaan schrijven. Ook niets voor Rien eigenlijk, creatief doen met taal. En de rijmelarij stelt weinig voor. Maar hij put er moed uit. Zo gaat zijn laatste gedicht over een imaginaire overbuurman. Over ene Rein, een levensworstelaar die moeite heeft met middelmaat & small talk, maar wel iedere ochtend het universum te lijf gaat met een onstuitbare schrijflust. Een survivor in hart en nieren.

Soms wil Rien een beetje Rein zijn. Lang duurt dat nooit. Want zit er in Riens glas altijd nog een bodempje levenswater, dat van zijn overbuurman ligt al jaren in de glasbak. Toch kijkt Rien iedere ochtend, voor het krieken van de dag, even uit zijn raam. Naar dat ene andere raam dat verlicht is in de duistere wijk. Om dan zijn nest in te duiken. En zich even niet alleen op de wereld te voelen.

De glazen van Rien en Rein
Klik op de foto voor een beter uitzicht

De toewijding

Van de junkies

Tweemaal ben ik geopereerd aan mijn linkeroog. Tweemaal vond ik dat geweldig. Om te beginnen omdat ik daarna een tijd met een stoer ooglapje mocht rondlopen. Maar vooral omdat ik uit de narcoses ontwaakte met een sloot morfine in mijn donder – een doekje tegen het bloeden zeg maar. En mensen, laat u zich niets wijsmaken over liefde en zo, morfine is het mooiste dat er bestaat in het leven. Nooit eerder heb ik me zó verbonden gevoeld! Ik drukte de verpleegsters van Recovery op het hart dat ze de mooiste, liefste en hardst werkende wezens op aarde waren, en de chirurg vloog ik bijkans om de hals. Overstromen van geluk deed ik. Pas toen de dope langzaam uitwerkte en de pijn zijn intrede deed en de alledaagse lelijkheid zich aan me opdrong, moest ik denken aan de keerzijde. Aan een junkie die ik ooit gekend heb. Laten we hem Piet noemen.

Het zal zo’n dertig jaar geleden zijn geweest dat ik op een vrijdagavond met benevelde kop het sleutelgat van mijn huisdeur probeerde te vinden. Ik woonde in het smalste huis van Utrecht, iets van twee meter zeventig breed, met een keukenbarretje op begane grond. Plots stond er een lang, mager silhouet op een fiets naast me. Hij vroeg of ik hem wilde kopen, zijn gloednieuwe opoe. Voor slechts vijfentwintig piek. Eerst vertrouwde ik het niet. Ik keek eens goed om mij heen in het lantaarnlicht. Pas toen ik nergens politie zag, knikte ik, trok ik mijn poeplap en gaf ik hem een geeltje.

Aangezien ik met een slok op een echt mensenmens ben, nodigde ik hem uit voor een night cap aan mijn barretje. Onder het genot van blikje AH-bier vertelde deze Piet over zijn dagelijks bestaan. Over het non-stop jacht maken op fietsen en andere dingen van waarde waarmee hij zijn verslaving kon bekostigen. Al meer dan twintig jaar stal hij alles wat los en vast zat, vertrouwde hij me toe met gejaagde blik en knarsende tanden. ‘Wat een toewijding!’ merkte ik op als een begripvol barman. Maar Piet maakte vooral indruk omdat hij er een streng moreel besef op nahield. Zo waren roofovervallen voor hem de limit, daar deed ie never nooit niet aan. Terwijl ie toch uitgerust was met imposant uitgebeend postuur waarop een vierkante kop met nijdige underbite prijkte – een soort aan lager wal geraakte Wim de Bie leek ie.

Dat Piet meer was dan mooie woorden alleen bleek toen ik hem diezelfde avond nog eens vijfentwintig piek leende en hij het geld de volgende dag netjes kwam terugbrengen. Een junk waar je op kunt bouwen! wist ik. Steeds als ik hem in de stad trof, maakte hij even tijd voor een praatje, altijd met gejaagde blik en knarsende tanden. Fietsen kopen van hem deed ik niet meer, want ik had nu ook een moreel besef gekregen.

Iets van een jaar zou hij uit mijn gezichtsveld verdwijnen. Dat had achteraf gezien te maken met zijn metamorfose, want toen ik hem weer tegen het lijf liep bleek hij iets van twintig kilo te zijn aangekomen. Hij had een nette regenjas aan. Een sjawl om. Gekamde haren. Zelfs blosjes op de wangen – de moederszoon van Wim de Bie leek ie. U raadt het al: Piet was afgekickt. Een normale burger geworden. Hij trok netjes een uitkering. Huurde een kamertje bij een hospita. At iedere dag warm. Maar erg content leek ie niet met zijn nieuwe bestaan. Zijn blik was dof. Hij knarsetandde niet langer. Ik maakte me zorgen.

Een paar maanden later stuitte ik weer op Piet, opnieuw vlak bij mijn huis. In trainingspak was ie nu, met een afgesloten Batavus racefiets om de nek. Hij oogde uitgebeender dan ooit, had weer een gejaagde blik en vermaalde zijn kunstgebit als vanouds. ‘Het was de verveling,’ vertrouwde hij me even later toe aan mijn huisbarretje, een blikje AH-bier achterover klokkend. ‘Ik had niets meer om voor te leven.’ Piet was tijdens zijn drooglegging tot het inzicht gekomen dat hij op aarde was gezet om fietsen te stelen en dope te scoren. ‘A man’s gotta do what a man’s gotta do,’ vulde ik hem aan met de wijsheid van een herbergier. Piet verkreukelde zijn lege bierblikje en verdween in de nacht. Het was de laatste keer dat ik hem gezien heb.

Sinds ik geopereerd ben weet ik dat er een Piet in mij huist. Een euforiezoeker die hunkert naar dat ene gevoel dat het dagelijks leven me niet kan bieden. Soms hoop ik dat mijn halfblinde oog wat sneller kapot gaat en er dan uitgelepeld moet worden en dat ik dan heel veel doekjes voor het bloeden krijg van de zusters. Beetje laf eigenlijk, dat ik geen verantwoording durf te nemen voor mijn levensgeluk en gewoon aan de heroïne ga. Maar ik ben tot het inzicht gekomen dat ik op aarde ben gezet om verhalen te schrijven. Dus dan doe ik dat maar. Non-stop, als een toegewijde taaljunk. Met gejaagde blik en knarsende tanden, dat wel.

De toewijding
A man's gotta do what a man's gotta do

De Impressionist

En de Stekel

Hij had mijn redder kunnen zijn. Mijn mentor. Een sprankje hoop in mijn overigens zo vrees’lijke jeugd! Over mijn tekenleraar op het lyceum heb ik het. Diepe indruk maakte hij op me, alleen al door zijn verschijning: rechtopstaande haardos, grijze Nietzschesnor, mosterdglasbril, tweedjasje en de motoriek van een gepensioneerd veldheer. Een impressionist pur sang, dacht ik. Maar vooral: een excentriekeling die mijn anderszijn begrijpt en mijn creatieve talent erkent! Dat laatste was belangrijk, want ik droomde van een carrière als striptekenaar. Ik nam me voor bij hem in het gevlij te komen. Maar er zat iemand tussen.

Datzelfde jaar kwam er een minstens zo afwijkende leerling in onze klas. Hij was pafferig, had stekeltjes (we schrijven halverwege de jaren zeventig!), droeg een veel te nette blouse en zelfs een das onder zijn Bommelcolbert. Uren en uren besteedde hij aan het huiswerk, waardoor hij met zijn alfabrein ook wist te scoren bij exacte vakken als Scheikunde. Maar bovenal viel hij op doordat hij zo verschrikkelijk beleefd en ijverig en braaf deed tegen de leraren, op het genante af. Hij wilde de ideale leerling zijn.

Om de een of andere reden hadden de onderwijzers een zwak voor deze persoonlijkheidsloze gozer. Vooral de tekenleraar, die altijd even de tijd voor hem nam. Durfde ik maar zo ideaal te zijn! dacht ik. Tot die een of andere reden uit de mouw kwam. De Stekel bleek de zoon van de Impressionist. Nou hoorde je wel eens van leraren met eigen kinderen in de klas die dan extra streng deden tegen die kinderen om niet de schijn te wekken dat ze hen voortrokken. Dus gaf ik me niet zonder slag of stoot gewonnen. Maandenlang deed ik verschrikkelijk beleefd en ijverig en braaf tijdens de tekenles, op het genante af. Het kon de leraar niet deren. Hij smoorde mijn dromen met zesminnetjes, terwijl zijn zoon op de ene negen na de andere getrakteerd werd. Radeloos besloot ik tot een radicale stap.

Die kans kreeg ik toen we vlaggen moesten tekenen. Ik koos voor de Japanse. Met reden. Nadat ik het rood van de zon met mijn waterverfkwastje netjes binnen de cirkel had aangebracht, liet ik een druppel ‘bloed’ in het wit vloeien – als creatief protest tegen keizer Hirohito die op dat moment ons land aandeed, en geïnspireerd door mijn moeders kampsyndroom. Een bloedende zon, dat zag ik andere leerlingen nog niet maken! (Die waren fantasieloos bezig hun Stars & Stripes en Union Jacks vol te kliederen.) Toen de leraar tijdens zijn surveillance langs mijn tafeltje kwam, hield ie acuut in. Hij pakte mijn schetsblok, keek me aan door zijn 120x vergrotende brillenglazen, gromde iets onverstaanbaars, haalde een Parker uit zijn colbert en kraste toen een kruis door mijn schitterende vlag. Alsof mijn borstkas met een bajonet bewerkt werd! Er huisde een kampbeul in deze impressionist.

Zo vader, zo zoon, zou spoedig blijken. Kreeg de jongen aanvankelijk mijn sympathie omdat ie nog raarder was dan ik, toen hij vanwege zijn verschijning geplaagd werd begon hij sarcastische opmerkingen te maken tegen een meisje dat met acne kampte. Wat waren haar puisten afzichtelijk! HAHAHA! Wat stonden ze op knappen! HAHAHA! Straks zou de hele klas onder de pus zitten! HAHAHA! Al spoedig kreeg hij de honers op zijn hand. En wist hij de bliksem van zijn eigen stekels af te leiden. Deze gozer is helemaal niet anders, dacht ik. Hij is laf.

Nou moet gezegd worden dat hij het als enig kind van zo’n pa ook niet makkelijk gehad moet hebben. Want de Impressionist spoorde echt niet. Zo had ie de gewoonte om stiekem blote vrouwen achterin de schetsblokken van zijn leerlingen te tekenen, en dan die leerlingen te confronteren met de vraag waarom zij blote vrouwen achterin hun schetsblok getekend hadden! Er huisde een vies mannetje in deze kampbeul.

De ontgoocheling luchtte me eigenlijk wel op. Niet langer hoefde ik me te verloochenen, ik kon weer mijn monsterlijke zelf zijn. Dus toen we als opdracht ‘perspectief’ kregen, maakte ik bijgevoegde SF-rampenprent. Het was zo’n tekening die zijn zoon gemaakt had moeten hebben, vol opgekropte agressie die er in dat aangepaste lichaam huisde. Toen de leraar langs mijn tafeltje kwam hield hij in alsof ik een terroristische aanslag aan het voorbereiden was. Hij trok zijn Parker met de zwier van een vlindermessenvechter, maar voordat ie een kruis in mijn 9/11 kon krassen wist ik het schetsblok met mijn romp te beschermen. Het was de enige keer dat ik uit de klas gestuurd ben.

Zo kon het gebeuren dat ik geen wereldberoemd striptekenaar ben geworden. Allemaal te wijten aan deze diabolische vader & zoon. Soms, als ik het litteken op mijn borstkas voel branden, google ik hem even. De zoon dan, want de vader zit inmiddels ergens in de hel blote vrouwen te tekenen. Volgens LinkedIn is de Stekel nu een big shot in de farmacie. Geen babyvet meer, noch stekeltjes of Bommeljasje, wel een ijzige blik die aast op kwetsbare zielen. Vast zo’n CEO die straks een streep door de prijs van het AIDS-medicijn zet om deze met 5000% te verhogen. Een rampenscenario waar ik dan weer fijn een tekening van kan maken.

De Impressionist
De gemoedsrust van een middelbare scholier

De maakbaarheid van een Facebookleven

In de Ardennen

‘MAAR DIT IS HELEMAAL NIET ZOALS IK HET BEDOELD HAD!’ galmt het door mijn hoofd als ik mezelf weer eens zie zwoegen in mijn van god verlaten flatje, de zoveelste hittegolf negerend, hamerend op een smoezelig toetsenbord alsof mijn leven ervan afhangt. ‘Ik zou nu eigenlijk ergens in de Ardennen moeten zitten,’ mijmer ik dan. ‘Aan zo’n lange eikenhouten tafel, met een geweldige vrouw en een dozijn kinderen en kleinkinderen, het bestaan vierend met een kan rosé, vers stokbrood en een salvo hartelijke schaters, met achter ons een natuurstenen huisje dat ik gekocht heb van de opbrengst van mijn tekenfilmstudio. Een echt Facebookleven, dat is wat wil!’

Helaas. Geen kinderen. Geen vrouw. Geen studio. Geen Ardennen. Zelfs geen klomp natuursteen. Voor mij geen zelfvoldaan terugblikken op een leven vol leven. Mij rest slechts een groezelig toetsenbord in een broeierig flatje. En een vreselijk koppige persoonlijkheid, die meer op Facebook zit dan erin.

Toch was ik ooit iemand die heilig geloofde in de maakbaarheid des levens. Dat je, als je je angsten, pessimisme en spanningen maar grondig genoeg aanpakt, het bestaan kunt boetseren in een bevredigend leven. De gouden bergen van de psychotherapie! Helaas trekt het leven zich geen reet aan van zachte wetenschappen. Het schaakt met een veel machtiger stuk: het Lot. De kleine lettertjes in je levenscontract.

Nou is er in mijn leven nooit sprake geweest van een ‘bedoeling’ in de zin van langetermijnplanning. Voor mij geen huisje-boompje-beestjewens of carrièredrang. Wel heb ik altijd gedaan wat mijn hart me ingaf, mijn dromen nagejaagd. Keer op keer tevergeefs. Laten we ter leedvermaak eens door mijn LinkedIn rennen.

Als schoolverlater werd ik door alle kunst-, foto- en filmacademies geweigerd. De zes academische studies die volgden heb ik afgebroken. De filmprogramma’s die ik vervolgens als vrijwilliger voor lokale radio- & televisie maakte leverden geen betaald werk op. Toen ik op mijn dertigste eindelijk mijn eerste boterham wist te verdienen als self made recensent-columnist-copywriter, brandde ik bij ieder baantje op door mijn perfectionisme. Ondertussen had ik verkering met de leukste vriendinnen denkbaar, maar nooit voelde dat als ‘forever’. Ik richtte bandjes op en zong het hart uit mijn lijf, maar hoorde alleen mijn valse ondertonen. Zelfs het hoongelach bij mijn stand-up comedy-optreden klonk niet overtuigend. En over mijn cursus deltavliegen hoeven we het al helemaal niet te hebben. De Wet van Behoud van Ellende had in mij de ideale posterboy gevonden.

Toch zult u mij niet op een midlife crisis betrappen. Laat staan op sterfbedspijt. Sterker, ik zou het allemaal precies wéér zo doen. Ben immers de optelsom van mijn eigen gepassioneerde geklooi. Dus waarom zit ik het laatste kwartaal van mijn leven dan zo wanhopig door te typen?

Misschien omdat ik me als schrijver een macht toe-eigen die ik met psychotherapie nooit heb kunnen verwerven. Als mijn leven niet maakbaar is, dan verzin ik er toch een! Een middelvinger naar het Lot zogezegd. Helaas wil de ironie dat ook een fictief leven dicht bij de realiteit moet blijven om te kunnen overtuigen. Daarom is de roman waaraan ik nu werk, over een dolende schoolverlater die zijn gouden jaren wegspoelt aan ongeschoold uitzendwerk en een desolaat uitgaansleven, autobiografisch van aard. Op de catharsis na. Dan stuur ik het lot van mijn held even bij. Door hem een beschermengel te geven. Deze intercedente, zelf beschadigd, gelooft in de puisterige jongeman en geeft hem zelfvertrouwen op een moment dat ik dat zelf met node gemist heb. Zo krijgt zijn betonnen universum even een hart. En daarmee het boek.

Natuurlijk eindigt het verhaal niet aan een eikenhouten Facebooktafel in de Ardennen. Want ook in een verzonnen levenscontract tref je kleine lettertjes. Ik licht slechts zijn levenstunnel wat bij, zodat hij kans maakt op een dozijn fictieve kinderen en kleinkinderen. Heel zelftherapeutisch van mij allemaal. Rest de vraag of ik van dat licht-in-die-tunnel op het laatste moment niet alsnog een aansnellende metrowagen zal maken, mezelf kennende...

De maakbaarheid van een Facebookleven
Deze schoolverlater weet precies wat ie wil in het leven

Het ontbrekende leven

Van huisvader P.

Eenmaal per jaar hebben we een etentje ter ere van P., ooit een boezemvriend van me. Gezellige uitjes zijn dat, met lekkere hapjes en leuke grapjes en warme woorden. Echt iets om op Facebook te delen. Maar dat doe ik niet. Omdat ik dat niet vind kloppen.

Om te beginnen is zo’n etentje bepaald niet de setting waarin ik P. zou plaatsen. Hij had een voorkeur voor down & out bars, voor dichtgerookte kroegen zonder zicht op de ochtend, waar je naast je pilsje automatisch een borrel ingeschonken kreeg en die ene lonkende meid een Oekraïense pro bleek. Het was in deze afvoerputjes der maatschappij dat P. zijn ‘quality of life’ vond.

Nou heb ik een broertje dood aan sukkels die hun gezondheid met studentikoze arrogantie door de plee trekken. Of eerlijker gezegd: ik vind dat je een kater moet verdienen, met intense discussies, genante danspartijen en liederlijke zoenpartijen. Met levenslust. Maar van P. kon ik het hebben, die passie voor nihilistische roofbouw. Sterker, het dwong respect af. Dat kwam doordat hij ten dode was opgeschreven.

Een kapot hart had ie. Artsen probeerden hem al jaren een transplantatie aan te smeren, maar die boot hield hij af omdat ie zijn quality of life dan op zijn buik kon schrijven. Medicijnen en zo. Bovendien gaat na zo’n operatie de klok tikken – vijftien jaar was de prognose toentertijd. Dan liever wachten tot er een mechanisch hart ontwikkeld werd. Om de tijd te doden moest ie natuurlijk wel stug doorzuipen en doorroken, zíjn manier om het onderste uit de kan halen.

Voordat ik nu weer met mijn wijsvingertje begin te zwaaien, voor P.’s middelvinger naar Magere Hein was een bizar soort lef nodig, want in denial verkeerde hij allerminst. Ook was er doorzettingsvermogen voor vereist, want iedere kater betekende voor hem een king size aderlating: dagenlang lag hij dan in coma zijn lakens vol te zweten. P. en P. alleen, zou bepalen hoe hij kapot zou gaan.

Dat ik me hem herinner als een wannabe Bukowski wil niet zeggen dat ie ook werkelijk zo was. Een jaar of acht voor zijn dood leerde hij de liefde van zijn leven kennen. Van het ene op het andere moment veranderde de kroegloper in een burgerman: samenwonen, cocoonen, bankhangen. Zo kon er een klein wonder geschieden: hij werd vader van een prachtige dochter. Onze vriendschap liet hij echter helemaal versloffen. Schrootjes timmeren voor de kinderkamer, dat was nu zijn lust en zijn leven. Doodvallen kon ie van me. Uit woede ben ik fanatiek gaan sporten.

Dat P. een nieuw bestaan verworven had impliceerde niet dat zijn lichaam het daarmee eens was. Zijn polsslag werd met de dag zwakker. Uiteindelijk besloot hij overstag te gaan. Onder het mes! Zijn artsen helemaal in de gloria, want P. was toch een cardiologisch fenomeen geworden. En de transplantatie verliep vlekkeloos. Met hernieuwde energie kon hij zich weer op de schrootjes storten. Tot zijn vrouw en dochter hem onderaan de trap troffen. Het donorhart was met vertraging afgestoten.

Tot zover mijn herinnering aan P. Ik heb wel eens eerder over hem geschreven, maar wil hem met dit stukje weer even reanimeren. Ook al kan ik hem nog steeds schieten. Dat ik onze etentjes ter herinnering aan P. niet op Facebook plaats heeft echter niet alleen met rancune te maken. Waar ik moeite mee heb is dat hijzelf ontbreekt. P. had zijn tweede leven als saaie gezinsman dagelijks moeten kunnen vieren. Op Facebook, vijftien jaar lang, met onverteerbaar kleffe foto’s van zijn nieuwe geluk. Kiekjes die ik dan – al vloekend en tierend en zuipend en rokend – allemaal geleukt zou hebben.

Kroegtijger P.
P. werd door iedereen altijd bij zijn achternaam genoemd

De sprong

Van het val

Het wordt een beetje gênant zo langzamerhand. Steeds als ik door die stad wandel schiet ik vol, moet ik even slikken van het plat-Rotterdams dat door mijn stembanden trilt. En neem ik me stellig voor om terug te verhuizen, liefst voordat ik een ouwe lul geworden ben. Vals sentiment? Lijkt er veel op. Ik ben de stad niet voor niets ooit ontvlucht. Daarbij, Míjn Rotterdam bestaat al dertig jaar niet meer.

Maar aangezien mijn volgende boek zich daar afspeelt heb ik een excuus om er regelmatig virtueel te vertoeven. Bijna dagelijks mag ik schuldvrij ‘research’ doen, oftewel úúúrenlang foto’s en filmpjes van Rotterdam bekijken op de site van het gemeentearchief. Een traktatie voor mijn jongensgeest! Vooral de haven, een belangrijk decor in mijn roman, maakt iets los bij me.

Wel vermoed ik dat de meeste Rotterdammers er iets anders in zien dan ik doe. Is de haven voor hen een machtig schouwspel van stuurmanschap, bedrijvigheid, handel en techniek, voor mij lijkt het een poort naar een ander universum, een leven vol hoop en avontuur met Belofte fonkelend op de golven. Tenminste, heden ten dagen wil ik mezelf graag wijsmaken dat ik dit toentertijd dacht. En da’s nou het valse van sentiment. Het waren juist dat zwarte water en die striemende regen en die dreigende hijskranen en die verkleumende eenzaamheid die me de stad uit joegen, waarna ik mijn heil zocht in een Anton Pieckdorp aan een fantasieloos Amsterdam-Rijnkanaal.

Dit vergeet ik natuurlijk allemaal even als ik onderzoek doe naar de Maasbruggen anno 1980. Zoveel vragen die beantwoord moeten worden. Welke brug werd precies wanneer gebouwd c.q. afgebroken. Hoe zag het fietsgedeelte van de oude Willemsbrug er uit. Hoe was het uitzicht op het westen. Trivia die cruciaal zijn voor een waarachtige enscenering van deze love story, onmisbaar om de ‘filmset’ in mijn brein op te bouwen.

Omdat het avontuur me lokte ben ik dit keer wat dieper in de historie gedoken. Zo las ik over een waaghals die het in 1933 aandurfde van de Hef te springen. Dat is de spoorbrug waarvan het middengedeelte (‘het val’) opgehesen kan worden om oceaanstomers te laten passeren. De negentienjarige arbeidersjongen Lou Vlasblom was zo gek/moedig om op een steenkoude ochtend in januari de noordelijke toren te beklimmen en, geheel gekleed!, de vijfenzestig meter naar beneden te duiken, daarbij twee salto’s makend om zijn vaart af te remmen. Wat een held!

“Op vrijdagavond 20 januari 1933 om half tien werd hij gehuldigd in een stampvol Grand-Théatre (Grand Thalia Olympia Royal) wegens zijn verbetering van het ‘wereld-duikrecord’ met zijn sprong van de heftoren. Chef de réception Alexander de Haas prees zijn heldenmoed, zag in hem het verleden van Michiel de Ruyter en voorspelde dan ook een grote toekomst voor de jongen. Vervolgens kreeg hij namens de Tuschinsky-directie een bloemstuk overhandigd bestemd voor zijn moeder, die hij ongetwijfeld de schrik van haar leven had bezorgd. Van de firma Gebrs. Gerzon, waar zijn vader werkte, was een couvert ingekomen; fotohandel Walch aan de Coolsingel had een vergroting van 30 x 40 van de held en de Rotterdamse Aeroclub zegde een gratis vliegtochtje toe.” [geknipt uit blog hethistorischatelier.blogspot.nl]

Een typisch Rotterdamsch verhaal. Maar voordat ik een lange, chauvinistische zucht kon slaken stuitte ik op het relaas van de twintigjarige Jan Tabbernee, die minder lof wist te oogsten. Deze matroos deed de dag na Vlasbloms duik eveneens een poging. Zonder al die kleren en vanaf een zes meter hoger punt. Enkele uren later werd zijn lijk uit het zwarte water gevist. Zwemmen kon hij als geen ander, zei zijn moeder in tranen. Maar van duiken wist hij niets.

Dat had ik even nodig, deze mokerslag. Rotterdam kan je maken en kan je breken. Mij heeft ze dertig jaar geleden bijna vermorzeld, en daar had ik niet eens een vrije val van het val voor nodig. Dankzij Tabbernee’s rampspoed ben ik nu in de juiste stemming om me te verliezen in mijn roman, waarin ik de stad van toen wil neerzetten in al haar desolate hardvochtigheid. Een afrekening met nostalgie dus. En nergens ter wereld doe ik zoveel inspiratie op over Mijn Rotterdam als in Mijn Anton Pieckdorp, hiero aan dat fantasieloze Amsterdam-Rijnkanaal.

De sprong van het val
Het zwarte water van de nostalgie

De foto van Lou Vlasblom op de Hef is afkomstig van www.engelfriet.net.

Ode aan bescheidenheid

Op de Heemraadssingel

Toen ik woensdag de trein naar Rotterdam nam voor een borrel met vrienden, moest ik denken aan ‘El ciudadano ilustre’, een Argentijnse film over een Nobelprijswinnende schrijver die na zelfverkozen ballingschap terugkeert naar zijn geboortedorp. Dat doet ie officieel om er gelauwerd te worden, maar eigenlijk om er te slenteren down Memory Lane. Van dat laatste komt weinig terecht. De aanvankelijk enthousiaste bewoners veranderen langzaamaan in een lynch mob als blijkt dat de schrijver niet gezellig mee wenst te doen aan de voor hem georganiseerde festiviteiten, en ze beseffen hoezeer hij met hen de draak heeft gestoken in zijn boeken. De thuiskomst eindigt even open als gruwelijk.

Mijn Nobelprijs laat nog even op zich wachten, maar steeds als ik naar de Maasstad afreis vrees ik er een woedende middelbareschoolvriend te treffen die zich in een van mijn blogs herkend heeft. Wat woensdag meespeelde was dat we afgesproken hadden op een terras op de hoek van de Nieuwe Binnenweg en de Heemraadssingel. Een kroeg die zich niet alleen op plasafstand van mijn ouderlijk huis bevindt, maar tevens een kwart eeuw geleden door de H*lls Ang*ls geannexeerd is. Godallemachtig dacht ik, straks word ik door een roedel ex-klasgenootjes/outlaw bikers tegen de karaokemachine gegangbangd terwijl mijn jeugdtrauma’s zich voor me op de singel als een horrorfilm ontvouwen en ik ondertussen mijn debuut ‘Coef’ moet promoten!

Niets van dat al. De kroeg blijkt onlangs overgenomen door een fatsoenlijke horecaclan en is uitgerust met elegante gastvrouw, duurzame wijnen en postmoderne snacks. Daarbij werd de welhaast zomerse Heemraadssingel op een naburig trafohuisje bejubeld met schitterende historische foto’s van de net bevrijde singel in mei ’45. Wat kom ik toch uit een prachtbuurt, verzuchtte ik. Dáar heeft het niet aan gelegen...

Geen lynchpartij dus. Maar evenmin een feest der herkenning, hoe vaak ik de kroeg ook vanaf het terras belde om te vragen of De Schrijver Rein Hannik aanwezig was. Misschien moet ik het lot een handje helpen en enkele selfie-posters op het trafohuisje plakken, als ode aan Rotterdams minst erkende ereburger, een schrijver zo bescheiden dat ie zelfs zonder nominatie afgezien heeft van de Nobelprijs.

Ode aan bescheidenheid
Op de achtergrond het café

Het slechtnieuwsgesprek

En de voice-mail

De meeste zoons zullen het bizar vinden om deze cartoon van Gummbah toegestuurd te krijgen door hun vader. Zeker als die arts is. Voor mij was het een uiting van genegenheid. De grap stond voor wat ons bond: de zwartste humor denkbaar. Hij zat bij mijn vaders laatste brief, gericht aan zijn ‘ventje’ zoals hij me placht te noemen.

Maar laten we het niet sentimenteler maken dan het was. We hadden weinig gemeen. Zo weinig dat er in het geheel geen sprake leek van de bloedband waaraan hij zoveel waarde hechtte. Soms wenste ik me heimelijk een andere pa toe. Bij voorkeur een bioloog-met-baard die me kon leren hoe je een Harley Liberator restaureert of een Super 8 film monteert. En misschien had hij liever een zoon gehad die wat meer in zijn traditionele straatje paste. Zo’n kerel met baan & gezin, waarmee hij had kunnen bomen over mens & maatschappij. Maar we waren nu eenmaal zoals we waren. Diametraal verschillend.

De correspondentie was zijn idee, ongetwijfeld om de afstand te verkleinen. Mijn afstand. Want langskomen deed ik niet vaak, hoe gastvrij ik ook ontvangen werd. Als hij opbelde liet ik hem inspreken op mijn antwoordapparaat, huiverig voor die Toon (‘Waarom kom je nooit eens langs!’), hoe oprecht zijn interesse ook. Zelfs zijn brieven ademden een sense of entitlement waaraan het mij ontbrak; mocht ik van mezelf ternauwernood bestaan, mijn vader had na gedane arbeid recht op een gigantische portie levensgenot – waaronder de aandacht van zijn zoon. Die behoefte vond ik belastend. Ik kon geen zoon-van zijn. Moest mezelf uitvinden. Stommiteiten begaan.

Ons laatste contact was telefonisch. Ik nam op, hoewel ik aan het nummer gezien had wie het was. Dat deed ik deels uit schuldgevoel omdat ik wist dat hij ziek was, al kon je met die kankersoort van hem wel honderd worden naar het scheen. Eerst informeerde hij uitgebreid naar mijn welzijn en gezondheid. Pas toen ik na een kwartier uitgezwamd was, nam hij het woord. Hij vertelde over het slechtnieuwsgesprek dat hij achter de rug had. De kankersoort bleek van een agressieve subvariant. Hij was stervende.

Mijn vader klonk anders dan anders. De Toon ontbrak. Geen moment hoorde ik de verwende benjamin in hem doorklinken, de halve corpsbal die zijn eigen geluk zo belangrijk leek te vinden. Dit was een vader die zijn zoon miste en de afstand wilde overbruggen, die wezenlijk contact wilde maken met zijn Ventje. Sprakeloos was ik. Niet alleen vanwege het doodsvonnis, maar vooral omdat ik opeens zo'n respect voelde voor deze man waar ik zo vaak zo weinig mee had gehad. Mijn vader was mijn vader geworden.

Voor even dan. Hij was overleden voordat ik afscheid kon nemen. Wel heeft hij me sindsdien enkele keren opgezocht in mijn dromen. Meestal om me te negeren. Of om kwaad op me te zijn. Zijn teleurstelling in mij voelt nog even rot als toen. Maar soms is ons wederzien fijn. Zoals in mijn laatste droom, toen we ergens enorm om moesten lachen - vermoedelijk om zijn doodzijn. Op het moment dat ik ons bondje wilde vastleggen met een selfie, schrok ik wakker van de wekker. En miste ik hem zoals alleen een Ventje dat kan. Even hoopte ik zelfs dat ie op mijn voice-mail zou staan, desnoods met een ‘Waarom laat je nooit eens wat van je horen!’. Maar je hebt nu eenmaal slecht bereik in het geestenrijk. Eigenlijk is er niets veranderd aan ons contact.

Het slechtnieuwsgesprek
Gummbah's universum biedt altijd troost