titels blogs

Blog

De wolken

Van Vlieland

De scène staat op mijn netvlies gebrand als een fragment uit een helse musical. De setting: het pleintje achter de lagere school. Het jaar: 1971. Klasgenoot Wouter van 6A staat tegenover Eloïse van 6B. Ze tasten elkaar af met glunderende blikken, smoor en smoorverliefd als ze zijn. Langzaam maar zeker worden ze omsingeld door zo’n beetje alle leerlingen. Van beide klassen. Het net sluit zich – en dan gebeurt het. De menigte moedigt de tortelduifjes aan om elkaar een eerste zoen te geven! Als die dat na tienduizend zinderende minuten eindelijk doen, ontsteekt het publiek in een daverend applaus en gejuich. Ik ben de enige die niet meedoet. Want ik ben zelf smoor en smoor op Eloïse.

Moet gezegd worden dat Eloïse quite a catch was. Ze heette Calmhout of zoiets van achteren, een deftige naam die paste bij haar aristocratische trekken. Alhoewel ze toch wijde soulpijpen droeg, wat gewaagd was op onze oerdegelijke school. Modegevoelig of niet, voor mij stond ze voor tijdloze perfectie.

Moet ook gezegd worden dat het lastig concurreren was met Wouter. Met zijn blonde manen en diepblauwe ogen oogde hij als een posterboy, terwijl ik met mijn nukkige lok en brutale lach meer overkwam als een schoffie. Droeg Wouter een azuurblauw corduroy jack, ik was gehuld in een roestbruin exemplaar. Werd Wouter altijd als eerste gekozen met gym, ik moest het hebben van balontwijkende behendigheid. Was Wouter de populairste jongen van 6A, mij zag niemand staan. Daarbij mocht zijn vader zich een echte miljonair noemen, wat toch behoorlijk aristocratisch klonk.

Dat Eloïse verkering had met Wouter betekende niet dat ik minder verliefd werd. Integendeel. De onmogelijkheid leek mijn hunkering te voeden. Als ze me alleen maar eens opmerkte! Dat moest dan snel gebeuren, want over een paar maanden zou de middelbareschooltijd aanbreken. Dus sloofde ik me tijdens de Sportdagen uit bij slagbal door met Olympische lenigheid een snoekduik te maken naar het thuishonk, helaas precies op het moment dat Wouter een homerun sloeg, wat aan Eloïse een kreun en een gilletje ontlokte. Ik leek gedoemd tot een bestaan in de schaduwen.

Mijn laatste hoop had ik gevestigd op het schoolreisje naar Vlieland. Op zich al een avontuur, want de eerste keer dat ik zonder ouders op pad ging. We werden begeleid door meester Pieters, een onooglijk mannetje met een underbite waarmee hij knarsetandde als je iets deed wat hem niet zinde. Onder zijn vleugels bleek het schoolreisje vooral een doe-vakantie met allerhande speurtochten, die volledig aan me voorbij gingen omdat ik met mijn hoofd in de wolken verkeerde. Wel had ik steevast een fotocamera om de nek hangen, want als ik ergens naar speurde dan was het natuurlijk naar Eloïse – die elders druk was met andere puzzeltochten.

Pas op de terugreis trof ik haar. Op het dek van de oceaanstomer die ons naar het vasteland zou brengen. Daar lag ze, zomaar languit in de lentezon, met die aristocratische gelaatstrekken van haar. Geen Wouter te bekennen! En even, heel even, voelde ik de moed opkomen om me naast haar te vleien. Om zonder een woord te zeggen samen met haar naar de wolken te turen, een milliseconde in de illusie te leven dat ik verkering met haar had. Helaas. Op dat moment doemde Wouter op in zijn azuurblauwe jack. Half in paniek en zonder zelfs maar door de zoeker te durven kijken, maakte ik een gluurfoto van het scheepsdek, hopende dat Eloïse de mechanische sluiter niet zou opmerken boven de cadans der dieselmotoren. Als zij mij niet zag staan, dan wilde ik toch in ieder geval haar vereeuwigen.

Het laatste schooljaar werd afgerond met een expositie van handenarbeid over Vlieland. Knutselen en tekenen, dat waren de enige vakken die me boeiden. Ik kon me erin verliezen, vond troost in mijn creaties. Kwamen de meeste leerlingen aanzetten met kunstprutsels van meegenomen trofeeën uit de waddennatuur, ik had een tekening gemaakt van meester Pieterse. En niet zomaar een tekening, nee een echte karikatuur. Je kon het mannetje door het papier heen horen knarsen.

Toen ik aan de vooravond van de expositie de tekening aan de andere leerlingen toonde, waren die danig onder de indruk. Ik wist me bijkans omsingeld door hun ogen! En plots was daar ook Eloïse, geflankeerd door kirrende chaperonnes. Ze keek naar de tekening. Toen naar mij. Nam me eens goed op. En glimlachte, zoals alleen een aristocrate dat kan. Om het volgende moment voorgoed uit mijn leven te verdwijnen.

Niet veel later zou meester Pieterse me apart nemen. Hij pakte mijn tekening erbij, spiedde schielijk om zich heen, en meldde toen tandenknarsend dat ik de karikatuur niet mocht gebruiken voor de tentoonstelling. Waarom, dat zei hij niet. Maar ik voelde aan mijn water dat mijn meesterwerk gecensureerd werd. Ik had mijn onschuld verloren. Het kon me niet deren. Ik had mezelf zichtbaar gemaakt. Door mijn hoofd hoog te houden in de wolken. En iets positiefs te creëren uit iets negatiefs – het enige dat ik ooit op school geleerd heb.

De wolken van Vlieland
Het is hier erg bruin en ik word heel leuk

De tweede kans

Voor Mariëlle

Dit is een foto van Mariëlle. Ik heb hem genikabd omdat ik wil voorkomen dat ze herkend wordt, al is de kiek bijna twintig jaar geleden genomen. En natuurlijk heet ze geen Mariëlle, maar haar ware naam klopt ook niet. Ze is namelijk een Colombiaanse die op jeugdige leeftijd werd afgestaan door haar straatarme moeder en in Nederland werd grootgebracht door pleegouders. Wat niet zonder emotionele kleerscheuren verlopen is. Anders was ze niet bij mij in een therapiegroepje terecht gekomen,

Ik vond Mariëlle een leuke meid. Ze was iets van zeventien jaar jonger dan ik maar een stuk roekelozer. Ze hield van feesten & beesten en snoof dan wel eens een lijntje. Of twee. Daardoor kwam ze steevast in de problemen. En speelde haar vorige leven op, al kon ze zich daar weinig van herinneren. Misschien vond ik Mariëlle wel zo leuk omdat ze onbetrouwbare trekjes had – een verademing tussen al die brave Hollandsche mutsen met hun biechtdrang.

De therapiegroep werd geleid door een uitermate betrouwbare psychologe. Lia, een zestigjarige overlevende van een vernietigingskamp, liet geen gelegenheid voorbij gaan om te benadrukken hoe ze ieder jaar haar zomervakantie opofferde om getraumatiseerde vrouwen in oorlogsgebieden te ondersteunen. De integriteit droop van haar af.

Wierp deze matriarch zich graag op als oermoeder, voor ons was ze toch vooral een strenge therapeute. Als je niet hard genoeg emotioneel werkte, gaf ze acuut de beurt aan een ander. Zonder genade. Op zich was ik wel voorstander van die harde opstelling. Therapie doen betekent immers worstelen met weerstanden, anders kun je beter thuisblijven. Maar voor een zwaargetraumatiseerde is het even wat gevaarlijker om bij je gevoel te komen dan voor de doorsnee neuroot. En Mariëlle was niet iemand die gemakkelijk haar tranen toonde. Ze kon je aankijken met een argwanend glimlachje waarachter alleen een nauwkeurig observator de lawine van verdriet zag doorschemeren. Steeds als Mariëlle van Lia moest VOELEN, probeerde ze zich er uit te redden met een grapje. En werd ze overgeslagen.

Op een kwade dag verscheen ze op therapie met een bleker gelaat dan gewoonlijk. Ze had weer eens de beest uitgehangen, zoveel was duidelijk. Akela Lia zat er gelijk bovenop. Of Mariëlle soms drugs gebruikt had? Mariëlle knikte. Of ze soms vergeten was dat dat niet mocht? Mariëlle schudde het hoofd. Ze bekende coke gesnoven te hebben. En keek ons bijna uitdagend aan met dat glimlachje.

Voor Lia was het vonnis zonneklaar: Mariëlle moest de groep verlaten. Basta! De groep zelf vond dat oordeel veel te hard. Het was de eerste keer dat ze gezondigd had. En ze had het eerlijk opgebiecht. Ook ik vond Lia’s scherprecht onrechtvaardig. Regels, prima. Strenge therapie, prima. Maar iedereen verdient een tweede kans. Lia was onverbiddelijk. Mariëlle moest afscheid nemen. Bij het vaarwel was dat glimlachje verdwenen.

Het zal een jaar na die verbanning zijn geweest dat ik Mariëlle terugzag. Niet in therapie of in het uitgaansleven. Op televisie. Ze was te gast bij Spoorloos. Jawel. Mariëlle zou herenigd worden met haar ware moeder, die was opgespoord in Colombia. Godallemachtig! Snotterend van ontroering keek ik toe hoe de moeder de dochter na twee decennia afstand weer in de armen sloot. Drie zakdoeken vol snoot ik.

Zo niet Mariëlle. Zij nam haar nieuwbakken familie op met dat vertrouwde wantrouwende glimlachje, alsof er een besef achter schuilging dat noch de gouden bergen van therapie, noch de wonderen van een hereniging ervoor konden zorgen dat de spoken van vroeger verjaagd zouden worden. Voor Mariëlle was het leven net zo onbetrouwbaar als zijzelf geworden was.

Toen de aftiteling over het scherm rolde kon ik de moeder even goed observeren. Een krachtige vrouw met een intrieste glimlach. Een matriarch als Lia? Dan wel eentje die door twintig jaar schuldgevoel gebroken was. Geen eerzuchtige oermoeder die haar dochter ooit zou laten barsten, ook niet als deze zich aan Colombia’s meest geëxporteerde product zou bezondigen. Een oude ziel die beseft dat juist de meest kwetsbaren onder ons soms een paardenmiddel nodig hebben om iets te durven voelen. Mariëlle kon thuiskomen.

De tweede kans
Wantrouwende charme

Het raffinement

Van een vakantielul

Er zijn van die beslissingen die aanvankelijk een kwestie van gezond verstand lijken maar in de uitvoering volkomen desastreus blijken. Zoals die vakantie van 1986. Een vriend van mij wilde zijn geheelverzorgde trip naar Porto annuleren omdat hij plots verkering had gekregen. Hij vroeg me of ik zijn plaats wilde innemen. ‘Tuurlijk!’ reageerde ik zonder na te denken. Ik studeerde op dat moment Portugees en had geen cent te makken, dus dat was een no-brainer.

Nou had die vriend geboekt voor vijf man: voor hemzelf én voor vier sportschoolmaten. Die ik geen van allen kende. Terwijl vakantie toch behoorlijk intiem is, bedacht ik me op weg naar Schiphol. Die second thoughts werden nog eens aangewakkerd toen ik kennis maakte met mijn reisgenoten: een boomlange politieagent met haarstukje, een trambestuurder met monstrueuze overbite, een kale kantoorpik die alles wist van de Nits en een bodybuilder met ADHD. ‘Allemachtig,’ dacht ik, ‘dit zijn archetypen uit een rampenfilm!’

Nog voordat we airborne waren werden mijn vooroordelen bevestigd. De sportschoolkanjers hadden nooit eerder gevlogen dus gingen aan de lopende band grappen maken over uitvallende motoren, neerstortende Boeings, sexy stewardessen en uiteraard de Mile High Club. Drie uur lang. Dood schaamde ik me. Pas toen we per bus naar het motel vervoerd werden onder een fonkelende Portugese sterrenhemel, vielen ze even stil en kon ik wegdromen bij een surrealistisch kinderkoortje op de autoradio. Het zou het hoogtepunt van de vakantie worden.

Het appartement bleek – tot mijn ontzetting – uitgerust met slechts twee slaapkamers met ieder twee bedden. Ik moest mijn toevlucht nemen tot de bank in de woonkamer. Tien dagen zonder privacy dus! En erger: er zat geen raam in het kozijn boven de deur van het toilet. Ook nog eens tien dagen zonder poepprivacy dus! Zelden werden mijn neurologische paden zo kortgesloten. Alsof ik weer in dienst zat zonder ooit gediend te hebben.

Ik besloot zoveel mogelijk alleen te doen. Zonnebaden in de Atlantische Oceaan was echter uitgesloten want er waaide een landinwaartse storm die de huid van je lijf zandstraalde. Dus dan maar steeds weer de tien kilometer naar de stad lopen om daar op terrasjes brieven aan vrienden te schrijven. De heimwee sloeg toe als een onmogelijke liefde.

Onvermijdelijk stuitte ik soms op mijn nieuwe buddy’s, die niets om handen hadden omdat de gym-uit-het-foldertje verbouwd werd. Ongemakkelijke confrontaties waren dat. Ze lieten doorschemeren dat ze mij maar een rare snuiter vonden, met dat gemopper als zij ’s nachts luidruchtig thuis kwamen. En waarom wilde ik alles alleen doen? Voelde ik me soms beter dan hen?

Hun houding sloeg om als een blad toen ik ’s avonds een keer in de cocktailbar aanschoof. Met een glas op veranderde ik van neurotische kwezel in een charmante grappenmaker. Opeens vonden ze me een ontzettend toffe peer, zeker toen ik met twee Portugese zusjes aanpapte. Dat deed ik niet in hun moerstaal – mijn Portugees klonk als verbasterd Esperanto – maar in film-Engels. De oudste zus, een slimme meid, hing aan mijn lippen, maar ik flirtte vooral met haar jongere en veel mooiere zus die helaas alleen Portugees sprak. Ook de sportschoolkanjers legden het aan met wat Portugese dames. Maar dat deden ze mijns inziens veel te gretig. ‘Sukkels!’ dacht ik. Nee, dan Hannik met zijn kwinkslagen! Zo, hangend aan de cocktailbar, ben ik de hel doorgekomen.

Aan het eind van de vakantie wisselde ik adressen uit met de oudste zus in de hoop met de jongste in contact te blijven. De politieman deed dat niet met zijn Portugese vlam. ‘Nee, dat hoort niet bij een vakantieliefde,’ zei hij resoluut. Koud vond ik dat. Plat bijna. Paste helemaal bij het beeld dat ik van die lui had. Geen enkel raffinement!

Eenmaal thuis begon de oudste zus me te schrijven. Vaak. Uitgebreid. Een mengeling van filosofische bespiegelingen en ditjes&datjes. Prima leesvoer voor als je verliefd bent, maar ik kon geen interesse opbrengen. Soms stuurde ik een kort briefje terug in de hoop dat zij een foto zou opsturen waarop ook haar zus stond. Want die wilde ik nu meer dan ooit. Zozeer dat ik het jaar daarop besloot weer op vakantie naar Portugal te gaan. Nu met eigen vrienden.

Bij aankomst in de Algarve bleek alleen de oudste zus er te zijn. Volgens de campingbaas had ze vierentwintig uur op mijn vertraagde komst gewacht. ‘Godallemachtig!’ verzuchtte ik. Ook díe vakantie heb ik overleefd, nu door haar met mijn nukken op afstand te houden en mijn kritische vrienden weg te wuiven. Uiteindelijk ben ik naar een andere camping gevlucht waar ik weer vrijelijk kon flirten.

Eenmaal thuis bleven haar brieven komen. Niets liet ik van me horen. Tot, anderhalf jaar na die bewuste avond in de cocktailbar, er een boomlange politieagent-met-haarstukje in me opstond. Hij pakte mijn ego bij de lurven en dicteerde een Dear John Letter, een uitmaakbrief, koel genoeg om haar voor eens en voor altijd van deze verliefdheid te genezen. En mij van dat zogenaamde raffinement, van die besluiteloosheid die meer desastreuze gevolgen had gehad dan al mijn foute beslissingen tezamen. Ook moest ik van mijn inner cop alvast een plekje in de hel reserveren. Met eigen slaapkamer, dat wel.

Het raffinement van een vakantielul
Voor de raders: de mooie zus staat achter de camera

Landgenoten!

En lieve vrienden!

Dank voor jullie stortvloed aan felicitaties! Eigenlijk wilde ik helemaal niet jarig zijn (waar zijn alternative facts als je ze nodig hebt), maar deze morning after voel ik me toch precies de ouwe lul die ik volgens de wc-kalender wezen moet. En dan ben ik nog maar op de helft! Dus heus, jullie warme bad voelde als een defibrillator.

Hug van Rein die hoopt dat jullie zijn schrijfsels ook zullen lezen als hij over nog eens 58 jaar beeldend proza over de ins en outs van zijn incontinentie gaat posten…

jarig
De geest achter de schrijver

De engel

Van vlees en bloed

Een van de gymnasiasten op deze klassenfoto heeft zijn eindexamen niet gehaald. Terwijl hij toch voor een ijverige jongen doorging. Sterker, hij werd ‘Engeltje van Goud’ genoemd door onze lerares Engels. En niet alleen omdat hij tweetalig was, ook vanwege zijn brave voorkomen. Althans, dat laatste was onze interpretatie.

‘Engeltje’ genoemd worden door een leraar, dat staat op iedere zichzelf respecterende middelbare school gelijk aan een pestvonnis. Vooral in mijn vileine klasje, waar ik voor Tweetie versleten werd vanwege mijn piepstemmetje. Dood zijn wilde ik er vaak. Maar voor pesterijen was het Engeltje van Goud te zelfverzekerd, op het zelfgenoegzame af zelfs. Althans, dat in onze interpretatie.

Wat ook speelde was dat ie er te vaak niet was om gepest te kunnen worden. ‘Ziek’ werd er dan bij zijn naam in het klassenboek genoteerd. Hoe ziek precies kregen we van de rector persoonlijk te horen. ‘Hij lijdt aan een terminale ziekte,’ zo zei het schoolhoofd na een paar keer plechtig zijn keel geschraapt te hebben. ‘Bedoelt u dat ie dood gaat?’ vroeg iemand.

Nou was ons lyceum de laatste plek op aarde waar je medelijden kon verwachten. Maar doodgaan, dat was toch wel weer cool. En dat hij ondanks zijn terminaliteit geregeld naar school kwam om lessen te volgen, dat dwong respect af. Al vonden wij het ook wat vreemd. Want wat heb je aan de wortelformule en de Zestigjarige Oorlog als je toch straks tussen zes plankjes ligt? En waarom speelde die zelfgenoegzame glimlach nog steeds om zijn mond? Alsof hij zich op een ander geestelijk plan bevond dan wij ordinaire pubers!

Een echte vriend van me is ie niet geworden. Maar omdat hij bij me in de klas zat en door zijn dodelijkheid te boek stond als stoer, nodigde ik hem uit voor mijn feestje. Niet dat het een eer was om bij de vijftienjarige Tweetie te gaan beesten. Ik was te klein, te meisjesachtig en vooral te raar om een vet feest te kunnen garanderen. Daarbij hielp de ambiance van onze Fritzlkelder niet mee: een rode en een gele TL-lamp moesten zorgen voor een dynamische discofeer, paprikachips, lauw AH-bier en limonadeglazen vol Belinda’s waren de drugs of choice. Mijn Alice Cooperplaten kon ik niet draaien want te kinderachtig, Deep Purple’s Child in Time bleek niet dansbaar. Uit je bol gaan was toch al risicovol met dat lage plafond.

Gelukkig kwamen er nog aardig wat populaire leerlingen opdagen. Zoals E., waar ik verliefd op was en haar zusje C., waar ik ook op viel. Tegen beter weten in probeerde ik met mijn Tweetiestemmetje de gastheer uit te hangen, terwijl E. veel te close met klasgenoot W. ging slijpen en C. op een stretcher begon te vrijen met vriend G. Gedesillusioneerd trok ik me terug in een hoekje en probeerde ik me te verliezen in Ian Gillans gekrijs. Was ik maar terminaal! dacht ik. Tot ik tegenover mij het Engeltje van Goud zag zitten.

Hij had zijn arm geslagen om een klasgenote en keek voor zich uit, zelfverzekerd op het zelfgenoegzame af. Maar het meisje oogde benauwd, op het wanhopige af. Toen de Engel haar probeerde te kussen wendde zij haar gezicht af, toen hij zijn arm subtiel liet afzakken naar haar rechterborst haalde zij hem weg, toen zijn knie de hare raakte trok zij die op. Om één uur ’s nachts gingen de rode en de gele TL-buizen uit en werd de witte ontstoken. Lijkbleek was de Engel. Niet langer keek hij zelfgenoegzaam. Voor het eerst bespeurde ik iets in zijn blik wat ik al die maanden gemist had.

Op de begrafenis kreeg ons klasje onvermijdelijk de slappe lach. De lerares Engels was in tranen. ‘Hij is nu onder de engelen,’ zou ze later in de klas verzuchten terwijl ze zijn naam in het klassenboek doorkraste. ‘Off to a better place.’ Maar ik wist beter. Haar Engeltje had er Goud voor gegeven om zich eenmaal in ons aardse dal een wezen van vlees en bloed te kunnen voelen. Om één uur van zijn korte leventje ongegeneerd in een bloesje te graaien en er lustig op los te tongen. Wat ik nu ook wist, was dat ik nooit meer dood wilde zijn. Hoe onsterfelijk cool me dat ook gemaakt zou hebben in dat klasje met die eeuwige pubers.

De Engel
Dit is geen raadspelletje

De Pornosnor

Van de Ascona

Eigenlijk heb ik mijn autorijbewijs alleen maar gehaald omdat ik zo graag wilde motorrijden. Mijn vader had die voorwaarde gesteld: eerst je auto, dan pas je motor. Als bink had ik helemaal niets met auto’s want niet stoer genoeg voor mijn wilde haren, maar het leek me handig zijn Ascona te kunnen lenen als het noodweer was. Dus ik op mijn achttiende naar een autorijschool zoeken – en dan gelijk maar eentje waar ze met Ascona’s lesten. Kon ik alvast wennen aan het dashboard.

De rij-instructeur zag er bepaald niet uit als een typische Asconarijder. Zelfs niet als een Opel Mantaman. Zwart sluik haar over de oren, uitgeharde pornosnor, discobloes vol woekerend borsthaar en een macho Ray-Ban op de neus. Een patjepeeër met plat Rotterdamse bariton, luid op het onbeschofte af. Goed zo! dacht ik, van zo iemand leer je het meest! Ik had namelijk ooit gelezen over een zwarte soldaat in Vietnam die als groentje instinctief naar de ergste bad ass veteraan in het peloton was getrokken, omdat hij wist dat ie van zo’n ervaren klootzak, hoe redneck ook, het meest kon opsteken over survival.

En laten we wel wezen, autorijles lijkt verdomde veel op oorlog voeren. In elk hoekje zit wel een dodelijk ongeluk. Althans, dat meende de Pornosnor. Bij het lulligste foutje dat ik maakte rukte hij reflexmatig aan het stuur en snauwde hij me een ‘LET TOCH OP GODVERRRDOMME!’ of een ‘KIJK UIT JE DOPPEN GODVERDOMME! toe. Als hij even niet blafte sneed hij op over vrouwelijke leerlingen die hem in nature zouden uitbetalen om korting te krijgen. De alpha male van de asphalt jungle, dat was ie.

Om deze cerebrale kaalslag het hoofd te bieden bracht ik geregeld mijn theorieën over het automotive universum te berde, wat hem bijkans tot razernij dreef: ‘NEE GODVERDOMME ER KOMEN GEEN ZELFRIJDENDE AUTO’S!’ ‘NEE GODVERDOMME INSTRUCTEURS WORDEN NIET VERVANGEN DOOR ROBOTTEN!’ Als hij zo fulmineerde liep zijn hoofd rood aan, alsof er iets aanbrandde in zijn hersenschors. Aan het einde van de les droop het speeksel van de voorruit af.

Toch vermoed ik dat het vooral mijn zelfverzekerde, om maar niet te zeggen nonchalante rijstijl was die hem op de zenuwen werkte. Zo reed ik de Ascona eenmaal bijna de verkeerde kant van de snelweg op, waarop de Pornosnor zó schrok dat hij me vergat af te bekken bij het ingrijpen. Zelf kon ik er wel om lachen – aspirant motorrijders doen niet zo moeilijk over een beetje spookrijden. Ook trapte ik graag in woonwijken het gaspedaal in om te testen of er een muscle car in de Ascona schuilging, waarop de Pornosnor dan bovenop de rem ging staan. De man kon gewoon niet genieten van autorijden.

Vele weken heeft onze lesoorlog geduurd. Bij iedere ingreep werden mijn theorieën wat enigmatischer (‘Is het niet zo dat…’), zijn scheldkanonnades wat minder luid (‘K-k-kijk toch uit!’). Er kwamen wallen onder zijn Ray-Ban, de eerste grijze haren manifesteerden zich in zijn sluike coupe. En zag ik daar niet een tic bij zijn neus, zo een als Inspector Clouseau’s baas ook had? Toen we het verplichte minimum aantal lessen naderden verstomde het gesnauw. Zijn eens zo fiere snor hing slap om de mondhoeken. De capitulatie was nabij.

Ik vroeg het examen aan. En, zoals dat gaat bij nonchalante afrijders die geen ruk om een autorijbewijs geven, ik slaagde in één keer. Toen ik het goede nieuws kwam brengen in het CBR proestte de Pornosnor zijn koffie uit en kneep hij reflexmatig zijn plastic bekertje kapot. Hij keek me aan met een blik die het midden hield tussen ontzetting en afgrijzen. ‘W-w-wel rustig aan doen als je de w-w-weg op gaat hè,’ stamelde hij, terwijl er zich enorme okselvlekken in zijn discoblouse aftekenden.

Vier auto’s heb ik in de maanden na het examen in de prak gereden, mede dankzij mijn nonchalante rijstijl. Allez, niet de Ascona van mijn pa hè! Bedrijfswagens waren het, van uitzendbaanbaasjes die het gewaagd hadden mij af te snauwen. Ieder ongeluk kwam ik er zonder kleerscheuren af. Sterker, ik werd er alleen maar zelfverzekerder door. Daarom stuurde ik na het invullen van de verzekeringsformulieren altijd even een kaartje naar de Pornosnor. Om hem te bedanken voor zijn levensreddende lessen. Ik durf te wedden dat mijn casus onder zijn leerlingen tot een urban legend is uitgegroeid.

De Pornosnor
Muscle car for alpha males

Klein geluk

In het insectenhotel

Bij mij aan de overkant van het kanaal was het ooit pais & vree. De A2 lag er gemoedelijk te ronken met haar onuitputtelijke modderstroom aan koekblikken die mij met hun fijnstoffen en uitlaatgeruis iedere avond in slaap wiegden. Geluk zit hem in kleine dingen! Helaas is er enkele jaren geleden een gemeenteraadslid op het onzalige idee gekomen om dit stukje snelweg ondergronds te maken, opdat de gruwelijk mislukte vinexwijk Leische Rijn erachter aansluiting kan vinden op de bruisende Domstad. Amaï! dacht ik, het is gebeurd met mijn woongenot!

En zo geschiedde. De A2 werd hier een paar honderd meter vertunneld waarna een colonne van kiepwagens er duizenden en duizenden kubieke meter aan hondenpoep op stortte, dat vervolgens met heipalen werd aangestampt. Jaren aan geluidsoverlast veroorzaakte deze nijverheid, maar dan heb je ook wat: in de poepheuvel wortelt nu het Prins Willem Alexanderpark, terwijl aan de voet ervan tweeverdienerswijk Leeuwensteyn zal verrijzen, met uitzicht op het kanaal – én op mijn doortochtflatje. Zelden was onbetaalbaar geluk zó binnen handbereik.

Nu wil het feit dat ik bijna dagelijks een binnensmonds vloekende zenwandeling door het park maak. In de eerste plaats om te checken wat voor mogelijke verstoringen ze er bouwen. Zo vrees ik voor een openluchttheater met The Voice of Leidsche Rijn of een voetbalveld vol juichende hooligans. Immers, de top van de heuvel zit op dezelfde hoogte als mijn penthouse en het kanaal werkt als een echobak. En voordat u me voor zeurkous verslijt: onze buurt wordt al jaren geteisterd door twaalf uur durende dancefestivals waarbij we letterlijk van onze balkonnetjes gedreund worden. Dus tel uit mijn oordoppen de komende jaren.

Ik wandel echter ook graag door het park omdat het nog ongerepte natuur is. Tussen de bulldozers en heimachines door kun je over een echte fazant struikelen of glijd je uit over een koppel parende vuursalamanders. Helaas ben ik ook op signalen van oprukkende vooruitgang gestuit: een hut met bordjes. Zo op het eerste gezicht lijkt het chalet bestemd voor een parkwachter die zich hier tijdens de lunch kan terugtrekken met boterhammetjes en pornoblaadjes, maar niets is minder waar. Volgens aanwijzingen hoort het bij een ‘insectenhotel’. Say what? Het staat er echt. Een hotel voor onze geleedpotige vrienden, die blijkbaar tot rust moeten komen na hun voetreis uit Leidsche Rijn. Probeer dat maar eens uit te leggen aan een expat.

Toch zie ik ook in deze vermutsing weer een uitdaging. Zo ben ik van plan op internet wat Chinese insecteneieren te bestellen en ga ik alle kamers van het hotel reserveren. Nog deze zomer zullen er duizenden van mijn reuzenhorzels (Vespa mandarinia hanniki) er hun koffer uitpakken om, op zo’n lome avond dat het Prins Bier Festival de geluidsbarrière wil doorbreken, de Leeuwensteyners en masse het kanaal in te drijven, terwijl ik aan gene zijde op mijn balkonnetje onder een bloedrode zonsondergang zit in te indommelen. Soms schuilt geluk in heel veel kleine dingen.

Rear window

Met neon

In mijn wijk woont veel antisociaal volk. Ranzige tokkies, agressieve kampers, dreigende hangjongeren, chronisch klagende ziektewetters en een vreselijk boze witte schrijver die zich anders voelt dan alle andere bewoners. Een enkele keer trekt er een verdwaald hogeropgeleid paartje bij ons in, om na een jaartje huiveren weer te verkassen naar een starterswoning die wél aansluit bij hun wensdenken. Niet voor niets heeft de woningbouwvereniging onlangs twee en twintig (overigens opvallend Hollandsch ogende) studenten sociologie gevraagd om de bewoners met elkaar in contact te brengen. Arme schapen! Zij zullen in menig trappenhuis op een muur van onbegrip stuiten. We zijn hier nu eenmaal op onze privacy gesteld…

Ik mag dan mopperen op mijn buurt, eigenlijk voel ik me er helemaal thuis met mijn apocalyptische inborst. Ook vanwege het uitzicht. Want als je – zoals ik – gebukt gaat onder een welhaast masochistische arbeidsethos en voortdurend iets bedenkt om in godsnaam even niet te hoeven werken, kijk je graag uit het raam. Geen wonder, zullen mijn vrienden nu zeggen, met dat schitterende kanaal voor de deur! Maar voor dát raam hangen de gordijnen gesloten. Liever gluur ik aan de achterkant, uit mijn keukenraam. Achter mijn doortochtflat staat namelijk een andere woonkazerne, gescheiden door een binnentuin vol ludiek zwerfvuil. Zo heb ik zicht op een bijenkorf aan levens, net als in Hitchcocks Rear Window.

Nou is het niet zo dat ik tijdens het koken paaldanseressen in mijn blikveld tref die rekoefeningen doen in een helverlichte achterkamer, of echtgenoten betrap die hun eega met een slagersmes bewerken na het platina huwelijksfeest. Wel ben ik op een buitengewoon mysterieuze overbuur gestuit. Hij of zij heeft in de slaapkamer neonverlichting aangebracht, die bovendien van kleur verspringt.

Eerst vermoedde ik een lichtekooi, maar geen temeier die haar klanten klaar krijgt als zij verzuipen in een golf van ROOD-GROEN-BLAUW. Daarbij: áls je klanten wilt trekken laat je je baken toch in stemmig rood aan de voorkant branden. Nee, ik denk dat het om een vorm van contact zoeken gaat. Met aliens, of desnoods met buren. Dus. Als ik nou eens een schijnwerper van een aangemeerde rijnaak sloop en de buur vanaf mijn balkon in morsecode uitnodig tot een dialoog – om de laatste roddels door te nemen – dan krijgen we vanzelf dat stukje verbinding dat onze pauperbuurt tot prachtwijk zal maken. Ik zeg: pakken die kansen!

Het vastgevroren kindeke

*een waargebeurd kerstverhaal*

Het was een winter zoals we die al jaren niet meer meegemaakt hadden in ons landje. Sneeuwstormen teisterden de Heemraadssingel bij temperaturen zo laag dat zelfs de Elfstedentocht afgelast moest worden. De familie Hannik had zich met coltruien en wollen broeken tegen de elementen ingegraven rond de petroleumkachel die door onze vader zo hoog mogelijk opgestookt werd, terwijl moeder de vrouw in de keuken bezig was met het bereiden van een even voedzaam als zalig kerstmaal.

Groot was onze schrik dan ook toen er plots aangebeld werd. Wie kon dat zijn! In dit noodweer! Op dit uur! Een patiënt met slagaderlijke bloeding!? Behoedzaam opende mijn vader de voordeur. Daar stond de buurman, gehuld in maar liefst twee winterjassen, van top tot teen ondergesneeuwd. Nauwelijks verstaanbaar in de gierende wind vertelde hij ons dat er iets vreselijks gaande was op de singel. Of beter gezegd IN. Er was een meeuw gesignaleerd, VASTGEVROREN in het ijs! Bij het vernemen van zulk een gruwelijk nieuws barstten wij kinderen in snikken uit en trok mijn moeder lijkbleek weg. Op kerstavond nog wel liefst!

Mijn vader aarzelde geen moment. Hij haalde een ladder van zolder, een touw van de vliering en een zaklantaarn uit de kelder. Hij trok zijn ijsmuts tot over de oren en knoopte zijn kapiteinsjas dicht tot aan de neus. Even haalde hij diep adem, toen haastte hij zich met de buurman naar de plaats des onheils, recht tegenover ons huis. Ze waren niet de enigen. Een dozijn buurtbewoners had zich inmiddels aan de waterkant verzameld, wijzend naar een zwart stipje in het ijs. ‘Godzijdank!’ verzuchtten zij toen ze zagen wie de gelederen kwam versterken. ‘De dokter is er!’

Mijn vader richtte de zaklantaarn op het stipje in het ijs en tuurde er zwijgend naar. Hij stak een Chief Whip op, stampte vanaf de waterkant een paar keer op het ijs en legde toen met de vastberadenheid van een brandweerman de ladder op het bevroren oppervlak. Hoe hard het ook vroor, vorige week was er nog een patiënt onder het ijs verdwenen! Daarbij had mijn vader het postuur van een Russische tank. Oplettendheid was geboden!

Hij bond het touw vast aan de ladder, gaf het uiteinde aan de buurman, nam een laatste haal van zijn sigaret, pinkte de peuk weg en ging toen met zijn buik op de ladder op het allengs krakende ijs liggen. Stapje voor stapje sleepte hij zich met de ladder op zijn ellebogen naar het midden van de singel. Daar zat de meeuw met zijn pootjes muurvastgevroren. Zo versuft was het dier door koude en uitputting, dat het zich niet verzette toen mijn vader het ijs rond hem met de zaklantaarn aan stukken sloeg en de vogel oppakte. Dokter Hannik kreunde een signaal, waarop de menigte de ladder met vracht-en-al naar de oever trok, waar redder en slachtoffer onthaald werden op een daverend applaus.

Eenmaal thuis moest het kindeke in ons stalletje plaats maken voor de meeuw, die zich behaaglijk in het stro van de kribbe nestelde. De hele kerstavond zou hij gelijk een gans volgestouwd worden met mijn moeders kooksels – om aan te sterken voor de rest van de winter!

Of onze gast de feestdagen overleefd heeft weet ik niet meer. Wel kan ik me herinneren dat de kippensoep op Tweede Kerstdag anders smaakte dan gewoonlijk, al schrijf ik dat graag toe aan het onthutsende besef dat mijn vader de grootste held was van de hele dichtgevroren singel.

Ik wens jelui veel warme momenten in deez’ donk’re dagen…

Het vastgevroren kindeke
Goed laten trekken!