titels blogs

Blog

Ode aan bescheidenheid

Op de Heemraadssingel

Toen ik woensdag de trein naar Rotterdam nam voor een borrel met vrienden, moest ik denken aan ‘El ciudadano ilustre’, een Argentijnse film over een Nobelprijswinnende schrijver die na zelfverkozen ballingschap terugkeert naar zijn geboortedorp. Dat doet ie officieel om er gelauwerd te worden, maar eigenlijk om er te slenteren down Memory Lane. Van dat laatste komt weinig terecht. De aanvankelijk enthousiaste bewoners veranderen langzaamaan in een lynch mob als blijkt dat de schrijver niet gezellig mee wenst te doen aan de voor hem georganiseerde festiviteiten, en ze beseffen hoezeer hij met hen de draak heeft gestoken in zijn boeken. De thuiskomst eindigt even open als gruwelijk.

Mijn Nobelprijs laat nog even op zich wachten, maar steeds als ik naar de Maasstad afreis vrees ik er een woedende middelbareschoolvriend te treffen die zich in een van mijn blogs herkend heeft. Wat woensdag meespeelde was dat we afgesproken hadden op een terras op de hoek van de Nieuwe Binnenweg en de Heemraadssingel. Een kroeg die zich niet alleen op plasafstand van mijn ouderlijk huis bevindt, maar tevens een kwart eeuw geleden door de H*lls Ang*ls geannexeerd is. Godallemachtig dacht ik, straks word ik door een roedel ex-klasgenootjes/outlaw bikers tegen de karaokemachine gegangbangd terwijl mijn jeugdtrauma’s zich voor me op de singel als een horrorfilm ontvouwen en ik ondertussen mijn debuut ‘Coef’ moet promoten!

Niets van dat al. De kroeg blijkt onlangs overgenomen door een fatsoenlijke horecaclan en is uitgerust met elegante gastvrouw, duurzame wijnen en postmoderne snacks. Daarbij werd de welhaast zomerse Heemraadssingel op een naburig trafohuisje bejubeld met schitterende historische foto’s van de net bevrijde singel in mei ’45. Wat kom ik toch uit een prachtbuurt, verzuchtte ik. Dáar heeft het niet aan gelegen...

Geen lynchpartij dus. Maar evenmin een feest der herkenning, hoe vaak ik de kroeg ook vanaf het terras belde om te vragen of De Schrijver Rein Hannik aanwezig was. Misschien moet ik het lot een handje helpen en enkele selfie-posters op het trafohuisje plakken, als ode aan Rotterdams minst erkende ereburger, een schrijver zo bescheiden dat ie zelfs zonder nominatie afgezien heeft van de Nobelprijs.

Ode aan bescheidenheid
Op de achtergrond het café

Het slechtnieuwsgesprek

En de voice-mail

De meeste zoons zullen het bizar vinden om deze cartoon van Gummbah toegestuurd te krijgen door hun vader. Zeker als die arts is. Voor mij was het een uiting van genegenheid. De grap stond voor wat ons bond: de zwartste humor denkbaar. Hij zat bij mijn vaders laatste brief, gericht aan zijn ‘ventje’ zoals hij me placht te noemen.

Maar laten we het niet sentimenteler maken dan het was. We hadden weinig gemeen. Zo weinig dat er in het geheel geen sprake leek van de bloedband waaraan hij zoveel waarde hechtte. Soms wenste ik me heimelijk een andere pa toe. Bij voorkeur een bioloog-met-baard die me kon leren hoe je een Harley Liberator restaureert of een Super 8 film monteert. En misschien had hij liever een zoon gehad die wat meer in zijn traditionele straatje paste. Zo’n kerel met baan & gezin, waarmee hij had kunnen bomen over mens & maatschappij. Maar we waren nu eenmaal zoals we waren. Diametraal verschillend.

De correspondentie was zijn idee, ongetwijfeld om de afstand te verkleinen. Mijn afstand. Want langskomen deed ik niet vaak, hoe gastvrij ik ook ontvangen werd. Als hij opbelde liet ik hem inspreken op mijn antwoordapparaat, huiverig voor die Toon (‘Waarom kom je nooit eens langs!’), hoe oprecht zijn interesse ook. Zelfs zijn brieven ademden een sense of entitlement waaraan het mij ontbrak; mocht ik van mezelf ternauwernood bestaan, mijn vader had na gedane arbeid recht op een gigantische portie levensgenot – waaronder de aandacht van zijn zoon. Die behoefte vond ik belastend. Ik kon geen zoon-van zijn. Moest mezelf uitvinden. Stommiteiten begaan.

Ons laatste contact was telefonisch. Ik nam op, hoewel ik aan het nummer gezien had wie het was. Dat deed ik deels uit schuldgevoel omdat ik wist dat hij ziek was, al kon je met die kankersoort van hem wel honderd worden naar het scheen. Eerst informeerde hij uitgebreid naar mijn welzijn en gezondheid. Pas toen ik na een kwartier uitgezwamd was, nam hij het woord. Hij vertelde over het slechtnieuwsgesprek dat hij achter de rug had. De kankersoort bleek van een agressieve subvariant. Hij was stervende.

Mijn vader klonk anders dan anders. De Toon ontbrak. Geen moment hoorde ik de verwende benjamin in hem doorklinken, de halve corpsbal die zijn eigen geluk zo belangrijk leek te vinden. Dit was een vader die zijn zoon miste en de afstand wilde overbruggen, die wezenlijk contact wilde maken met zijn Ventje. Sprakeloos was ik. Niet alleen vanwege het doodsvonnis, maar vooral omdat ik opeens zo'n respect voelde voor deze man waar ik zo vaak zo weinig mee had gehad. Mijn vader was mijn vader geworden.

Voor even dan. Hij was overleden voordat ik afscheid kon nemen. Wel heeft hij me sindsdien enkele keren opgezocht in mijn dromen. Meestal om me te negeren. Of om kwaad op me te zijn. Zijn teleurstelling in mij voelt nog even rot als toen. Maar soms is ons wederzien fijn. Zoals in mijn laatste droom, toen we ergens enorm om moesten lachen - vermoedelijk om zijn doodzijn. Op het moment dat ik ons bondje wilde vastleggen met een selfie, schrok ik wakker van de wekker. En miste ik hem zoals alleen een Ventje dat kan. Even hoopte ik zelfs dat ie op mijn voice-mail zou staan, desnoods met een ‘Waarom laat je nooit eens wat van je horen!’. Maar je hebt nu eenmaal slecht bereik in het geestenrijk. Eigenlijk is er niets veranderd aan ons contact.

Het slechtnieuwsgesprek
Gummbah's universum biedt altijd troost

Stiefvaderdag

In de Bijlmer

Het was even thuiskomen afgelopen moederdag, toen ik mijn ex S. en haar dochter J. opzocht in hun nieuwe flat in de Bijlmer. Wat een hartverwarmend wederzien!

Hun adelaarsnest biedt een schitterend uitzicht op toekomst en verleden. Maar ik had vooral oog voor het heden, want J. is uitgegroeid tot een bruisende jongedame van wel zeventien lentes, zo een met hectische bijbaantjes en chronisch appende vriendinnen.

Toch was ik niet geheel van haar horizon verdwenen. Integendeel, ze begon spontaan over Coef: de weg van de waanzin. Dat ze het eigenlijk best raar vond om te lezen dat haar ex-neppapa zelf ooit een snotneus is geweest – een beetje zoals ik het vreemd vond om in Coefs dagboeken te lezen dat mijn moeder al bestond vóórdat ze mij gebaard had. Life is but a dream, toch?

Vast. Want J. mag dan met één been in het volwassen leven staan, toen ik haar in mijn armen sloot voelde ze weer als dat zevenjarig halfverweesde monstertje dat ik altijd een knuffel gaf voor het slapengaan. Sommige brokken in de keel hoor je nooit doorgeslikt te krijgen

En goed gezien: cameravrouw S. kreeg bijkans een flauwte bij het aanschouwen van zoveel emotie, al beweert ze zelf bij hoog en laag dat ze bevangen werd door een aanval van acute acrofobie...

Nieuwe wijn in oude zakken

Te Katendrecht

Drie boze blanke mannen (nou ja, één belanda en twee halve Javanen) beklagen zich op het bankje van café de Ouwehoer te Katendrecht over de Maasstad die volgens hen veertig jaar te laat is gaan bruisen.

Voor Café de Oudehoer te Katendrecht
De boosheid druipt ervan af

De halve brug

Aan de overkant

Deze brug wordt bij mij aan de overkant van het kanaal in elkaar geschroefd. Een kolos van een constructie die de mens tot mier reduceert. Als ie over een paar weken klaar is mag hij dienst doen als extra spoorbrug, maar ik heb hem reeds vastgelegd omdat hij momenteel gericht staat op het nieuwe, plastieke asielzoekerscentrum - en in de lucht blijft hangen alsof ie nooit zal aansluiten.

De halve brug lijkt symbolisch voor de pogingen van de gemeente om haakse culturen in één wijk tot elkander te brengen. Dat probeert ze met met flyers en meet & greets. Goedbedoeld maar weinig effectief, aangezien de ene cultuur nu eenmaal niets heeft met spruitjeslucht en de andere het integratieprobleem beu is. Je kunt nog zo vaak ‘verbinding’ roepen, het moet van twee kanten komen, terwijl beide partijen zich niet gehoord voelen.

Daarbij zijn wij autochtonen niet eens in staat een brug naar onszelf te slaan. Kijk maar naar de schreeuwers op de blogs en social media. Rechtse honers versus linkse haters, populisten versus wegkijkers, pessimisten versus moralisten. Iedere dag opnieuw maken ze elkaar uit voor rotte vis om zich vervolgens in hun eigen gelijk te wentelen. Debat is ongewenst want het wereldbeeld moet intact blijven, gespeend van twijfel, zwart-wit. Grijstinten leiden tot innerlijke onrust.

Terwijl die onrust heel constructief kan zijn. Zo hebben we misschien geen brug van staal nodig, maar een Indiana Jones-brug. Een gammele, zwabberende hangbrug van versleten hennep, die ons allen dwingt om, net als de mieren die we zo even nog onbeduidend vonden, arm-in-arm een ketting te vormen die de brugconstructie verstevigt, opdat onze dierbaren veilig van kade naar kade kunnen klauteren. Want daar snakken we diep in ons hart naar: wederzijdse afhankelijkheid, een even noodzakelijke als spontane als wezenlijke solidariteit, zonder dat daar gelijk een Derde Wereldoorlog, een lekkende kernreactor of een verdwaalde tsunami voor aangesleept hoeft te worden. Dus ophangen die brug. En oefenen. Een long weekend lang.

Zelf zal ik op gepaste afstand vanuit mijn reddingsvletje het tafereel in de gaten houden. Niet omdat ik me verheven voel boven de etnische en ethische twisten van het grauw (fi donc!), maar om eventuele dissonerende schreeuwers uit de plomp te vissen. Die mogen dan het hele survivalweekend corvee doen.

Bruggen slaan
Het is nooit genoeg

De troost

Van de herborene

Als student psychologie heb ik er een paper over geschreven. Kreeg ik een 8 voor. Toch begin ik er zelden over, want dan volgt er onvermijdelijk een pijnlijke stilte of een honende schater. Het is nu eenmaal geen onderwerp dat mensen snel serieus nemen. Op zich begrijpelijk: op Google staan er massa’s reïncarnatietherapeuten te trappelen om jou, op weg naar je goddelijke verlichting, voor nog geen vijftig euro een voormalig leven als Marie Antoinette of Toetanchamon aan te smeren. Zo’n dramatisch continuüm geeft ons burgerbestaan instant verdieping, zelfs als het suggestieve lulkoek is. Toch mag ik er graag over lezen: jonge kinderen die vertellen over een vorig leven.

Neem het onderzoek van de Canadese psychiater Ian Stevenson (1918 - 2007). Hij tekende duizenden verslagen op van kleuters die het steeds weer over ‘dat andere thuis’ hadden. Niet in de zin van historische figuren maar van alledaagse leventjes, zij het dus als een ander persoon, in een andere tijd, op een andere plek. Verhalen die vergezeld gingen van een schat aan details. Uiteraard heeft Stevenson onderzocht in hoeverre er sprake kon zijn van cognitieve lekkage. Of hem dat gelukt is? The Journal of the American Medical Association noemde Stevenson’s Cases of the Reincarnation Type (1975) ‘a painstaking and unemotional collection of cases that are difficult to explain on any assumption other than reincarnation’.

Nee, deze blog is geen opmaat voor een discussie over de ins en outs van wedergeboorte, want als reïncarneut lul je je geheid vast. Evenmin beschouw ik het als een religieus fenomeen. Ik zie het als iets aards. Dat onze geest, tjokvol ervaringen, emoties en verwachtingen, niet vervliegt als de fysieke drager eenmaal afgestorven is maar verkast naar een ander lichaam, lijkt me een doodnormale gang van zaken.

Mocht ik zelf een vorig leven geleid hebben, dan was dat als negentiende-eeuwse sloof. Een moederkloek met lillende bovenarmen, enorme heupen en dertien kinderen waarvoor ik me dag en nacht uit de naad moest werken. Luiers wassen, piepers jassen, vloeren dweilen en ’s avonds ook nog eens mannie bevredigen als die na een zware dag in de mijnen en de kroeg het bed in rolde. Een uitputtend bestaan waarbij ik me stilzwijgend wat vrije tijd toewenste, alsmede het talent om iets speciaals met mijn leven te doen. En vooruit, ook een wormvormig aanhangsel tussen de benen om serieus genomen te worden in de maatschappij. Toen haar tijd gekomen was is deze ziel door tijd & ruimte naar de Heemraadssingel gezweefd om daar – na de nodige aarzeling – bezit te nemen van een wel heel erg eigenwijze foetus. The rest is history.

Nu kun je reïncarneren wat je wilt, er bestaat ook zoiets als de Wet van Behoud van Ellende. Zo ben ik in mijn huidige bestaan weliswaar gezegend met de tijd en focus om verhalen te schrijven, maar verlang ik dagelijks naar een bruisend gezinsleven. Sterker, ik sta iedere ochtend op met het gevoel dat mijn vrouw en kinderen bij een vliegtuigongeluk zijn omgekomen. Daarom type ik als een bezetene dóór, om mezelf bestaansrecht te geven.

Dat doorbijten doe ik ook omdat de vorige levens uit het onderzoek van Stevenson allen aan een gewelddadig einde zijn gekomen. Vermoord, verongelukt, noem maar op – alsof hun ziel te zeer in shock was om naar gene zijde af te reizen. Voor mij reden om geen gekke dingen te doen als ik het even echt niet meer zie zitten, want ik moet er niet aan denken een kleuter op te zadelen met herinneringen aan mijn welvaartsweltschmerz.

Dus iedere ochtend na het vliegtuigongeluk verzamel ik de moed om een verhaal te schrijven dat een glimlach of een traan aan mijn vorige persoonlijkheid ontlokt zou hebben, tussen het baren, wassen, koken, dweilen en bumsen door. Want als onze ziel inderdaad herboren kan worden, dan is dat vast om onszelf te leren troosten - wat toch een stuk humaner klinkt dan dat we voor onze zielenrust een godvergeten Weg naar Perfectie dienen af te leggen.

Reïncarnatie tussen het sloven door
Soms zit troost in grote dingen

True love

Met Igor

Yours truly in 1973 met Igor de Carnivoor, een van mijn gruwelijke roodwangsierschildpadden, welbekend uit mijn debuut Coef: de weg van de waanzin. Vermoedelijk heeft Igor net een levende goudvis achter de kiezen, anders had ie ongetwijfeld een hap uit mijn neus genomen – en was deze kiek viraal gegaan op Facebook.

Igor de roodwangsierschildpad en ik
Om te zoenen

De succesformule

Van alt-Rein

De VVD heeft de verkiezingen gewonnen. Daar ben ik reuze content mee, want diep in mij huist een full blown middenstander die nodig uit de kast moet komen als winkelier. Dat zit als volgt.

Ooit behoorde ik tot de klasse der noodzakelijk ondernemers. Dat zijn zelfstandigen die eigenlijk veel liever een luizenbaantje hebben met stabiel salaris, gezellige collega’s en lollige bedrijfsuitjes. Maar, omdat ze niet opgewassen zijn tegen de gijzelingssituatie die schuilgaat in loondienst, voor zichzelf móeten beginnen. Ongelukkigen!

Zij beseffen nog niet dat ondernemen – in mijn geval tekstschrijven – gelijk staat aan netwerken. Oftewel vage bekenden aanspreken met een portie small talk in de hoop een opdracht los te peuteren, terwijl er in je frontaalkwab een duikbootalarm afgaat omdat dat aanpappen zo verschrikkelijk onnatuurlijk aanvoelt. Waarom ben ik geen bakker geworden! dacht ik vaak. Zo mogelijk nog slopender is de eenzaamheid. Iedere ochtend jezelf aan het werk schoppen zonder even lekker met collega’s op je klotenbaan te kunnen schelden… wat een gemis! Om de ellende compleet te maken moet je dagelijks watertrappelen van een inkomen dat je langzaam ruïneert, want de uren rekenen die het je kost om een goede tekst te schrijven leidt onvermijdelijk tot hoongelach. Iedereen kan immers schrijven.

Zo kwam het dat ik ging fantaseren over een tekstwinkeltje. Uniek in Nederland: een typeshop waar klanten binnen kunnen lopen voor een kekke reclameslogan, een fijn foldertje of een stevige sollicitatiebrief. Dat zou ik allemaal typen waar zij bij zaten (klaar terwijl u wacht!), zodat ze getuige konden zijn van mijn bloed, zweet & tranen. Helaas ontspoorde het plan in mijn doembrein reeds in een rampenscenario, waarbij ik mezelf tot in de kleine uurtjes zag zweten op een krom zinnetje, terwijl de klant naast me ronkend in slaap gevallen was, of erger: over mijn schouder mee las om me vloekend te verbeteren. Weer zo’n gulden Rein-concept dat zich meer leent voor een kort verhaal.

Uiteindelijk heeft mijn weerzin tegen netwerken me ertoe gezet een boek te schrijven. Eerst een product maken, dán de klant zoeken was mijn redenatie. Net als de bakker. Mijn halfje grof volkoren werd biografie Coef, over mijn gekke jappenkampmoeder. Moet gezegd worden dat het stukken beter voelt om tegen belangstellenden over Coef te lullen dan bij onbekenden met mijn expertise te leuren. Steeds als ik moet opdraven voor een interview op de radio, een discussie in een psychiatriecafé of zelfs een lezing aan de universiteit, schalt de loftrompet in mijn frontaalkwab. Ik ben eindelijk geworden wie ik was! Nu alleen nog even binnenlopen qua geld.

Komen we weer bij die winkel. Dat plan vatte opnieuw vlam toen ik op de bodyshop op de foto stuitte. Een ideale toko om potentiële Coef-lezers-die-niet-beseffen-dat-ze-potentieel-zijn in te palmen, dacht ik onmiddellijk. Aan de naam hoef ik niets te veranderen (niet vergeten de huidige Rein te gijzelen!). Alleen het product even aanpassen. Dat doe ik guerrilla style.

De diensten van de alt-Rein bestaan uit pedicure, manicure, facials, waxing en massage. Intuïtieve beroepen die ik in no time onder de knie heb, zo schat ik in. Mijn werkelijke product breng ik sluipenderwijs onder de aandacht. Als de klant het tijdens mijn massage benauwd krijgt trek ik een parallel met Coefs LSD-therapie (‘Weet u waar je het ook benauwd van krijgt?’). Als de Brazilian wax job even pijn doet begin ik achteloos over de martelpraktijken in jappenkampen (‘Weet u wat voor lijfstraffen er in Banjoebiroe toegepast werden?’). En als ik bij de manicure per ongeluk een nagelriem open rijt vertel ik tussen neus en lippen door over gewelddadige moeders (‘Weet u wie ook heel gemeen was?). Als zoetebroodjesbakker kan ik bijzonder overtuigend zijn.

Om de brainwash compleet te maken zullen er over de speakers opnamen van mijn radio-interviews klinken, die daardoor weer een live karakter krijgen. Op de koffietafel liggen kranten uit 2016 met artikelen over Coef. En als het oog van de klant op het stapeltje Coefs naast de kassa is gevallen, masseer ik nog even na met een ‘eigenlijk heeft zij aan de wieg gestaan van de Rein-keten…’, waarop er zonder aarzeling twee tientjes extra uit de portemonnee getrokken worden. Kampsyndroom in de bodyshop? Heel normaal! hoor ik Rutte al zeggen.

De succesformule van alt-Rein
Coef bij alt-Rein in de bodyshop

De First Lady

Van de krachtwijk

In tegenstelling tot de meeste buurtbewoners ben ik een early bird. Ik sta graag op voor dag en dauw zodat ik gereed ben als de Apocalyps zich aandient. Maar afgelopen zondagochtend was iemand mij vóór. Ik schrok wakker van gekrijs op straat en zag met mijn slaapdronken kop dat er iets op de kade in de fik stond – vlak bij Nicolae. O mijn God! flitste het door mijn kop, ze zal toch niet…

Maar laten we bij het begin beginnen. Nicolae is dus een buurvrouw van me. En quite a character. Haar gordijnen zijn immer gesloten. Als ze snelwandelend boodschappen doet kijkt ze strak naar de stoeptegels. Door haar taaie motoriek is haar leeftijd onmogelijk in te schatten – ergens tussen de vijfentachtig en honderddertig. Ze is afkomstig uit Roemenië naar het schijnt, en woont hier sinds mensenheugenis, ook naar het schijnt. Zeker is dat ze geen woord Nederlands spreekt. En me mateloos ontroert.

Dat komt niet alleen doordat ze nog slechter geïntegreerd is dan ondergetekende. En me altijd allervriendelijkst groet. Maar vooral doordat ze me aan mijn moeder doet denken – een aandoenlijk soort monsterlijkheid. Niet voor niets heb ik haar heimelijk tot Nicolae gedoopt, naar Roemenië’s voormalige First Lady Ceaușescu. Want Nicolae mag onze moerstaal dan niet bezigen, als iets haar niet zint krijgt de hele buurt dat te horen.

Bijvoorbeeld de woningbouwvereniging die ons gettootje krampachtig probeert op te leuken met jaren negentig kleurtjes en gedoemde rododendrons. En onlangs zelfs met een kleine beurt. Brullend en gebarend liet Nicolae weten waar ze allemaal niet van gediend was. Verkeerde kraan! Verkeerde keuken! Verkeerde struik! Verkeerde stoeptegel! Haar toorn deed menig bouwvakker verschrompelen tot een schuldbewuste kleuter.

Maar zelfs de kampers van verderop lopen op hun tenen langs haar flat. Als hun onaangelijnde pitbull haar tuintje passeert houdt ie de staart tussen de achterpoten geklemd en maakt ie een piepend geluid. En o wee als ie van de zenuwen zijn behoefte daar doet, dan krijst Nicolae alsof ze voor het vuurpeloton gesleept wordt.

Zoals ze dat dus ook die zondagochtend deed. Iets voor vijven was het, zelfs voor mijn doen vroeg.Wakker geschrokken van haar gekrijs opende ik mijn slaapkamerraam en zag ik hoe iets op de kade in lichterlaaie stond. Een autootje, een Renault Twingo of zo, waar enorme vlammen uit sloegen. Geparkeerd pal voor Nicolae’s appartement. Nicolae, zelf op de stoep, verkeerde in alle staten. Gelukkig was de politie reeds ter plaatse om haar te kalmeren, al liet ze zich dat niet zomaar gebeuren. Schelden! Krijsen! Brullen! Haar stem galmde over het kanaal alsof ze zelf in brand stond – tot in Amsterdam was ze te horen.

Weldenkende lezers zullen nu wellicht opperen dat Nicolae zo uit haar doen was omdat ze vreesde dat ook haar huis vlam zou vatten. Of dat de brand een trauma uit haar Roemeense jaren had opengereten. Of beide. Maar jullie kennen Nicolae niet. Ik vermoed dat zij die Twingo zelf in de fik heeft gestoken. Omdat ie met twee wielen op haar stoep geparkeerd stond. Omdat ie haar uitzicht belemmerde. Omdat ie de verkeerde kleur had. Omdat het een Twingo was.

Laten we het hopen. Het zou een krachtig statement zijn richting de straatterroristjes die onze buurt denken te kunnen teisteren. Nicolae rules here! Deze First Lady weet pas wat buurtpreventie is! Met deze geruststellende gedachte ben ik zondagochtend weer mijn nest ingedoken. Om, voor het eerst in eeuwen, eens onbezorgd uit te slapen. Alsof wijlen mijn moeder over me waakte.

De First Lady van de krachtwijk
Eigenlijk een soort buurtbarbecue

De wolken

Van Vlieland

De scène staat op mijn netvlies gebrand als een fragment uit een helse musical. De setting: het pleintje achter de lagere school. Het jaar: 1971. Klasgenoot Wouter van 6A staat tegenover Eloïse van 6B. Ze tasten elkaar af met glunderende blikken, smoor en smoorverliefd als ze zijn. Langzaam maar zeker worden ze omsingeld door zo’n beetje alle leerlingen. Van beide klassen. Het net sluit zich – en dan gebeurt het. De menigte moedigt de tortelduifjes aan om elkaar een eerste zoen te geven! Als die dat na tienduizend zinderende minuten eindelijk doen, ontsteekt het publiek in een daverend applaus en gejuich. Ik ben de enige die niet meedoet. Want ik ben zelf smoor en smoor op Eloïse.

Moet gezegd worden dat Eloïse quite a catch was. Ze heette Calmhout of zoiets van achteren, een deftige naam die paste bij haar aristocratische trekken. Alhoewel ze toch wijde soulpijpen droeg, wat gewaagd was op onze oerdegelijke school. Modegevoelig of niet, voor mij stond ze voor tijdloze perfectie.

Moet ook gezegd worden dat het lastig concurreren was met Wouter. Met zijn blonde manen en diepblauwe ogen oogde hij als een posterboy, terwijl ik met mijn nukkige lok en brutale lach meer overkwam als een schoffie. Droeg Wouter een azuurblauw corduroy jack, ik was gehuld in een roestbruin exemplaar. Werd Wouter altijd als eerste gekozen met gym, ik moest het hebben van balontwijkende behendigheid. Was Wouter de populairste jongen van 6A, mij zag niemand staan. Daarbij mocht zijn vader zich een echte miljonair noemen, wat toch behoorlijk aristocratisch klonk.

Dat Eloïse verkering had met Wouter betekende niet dat ik minder verliefd werd. Integendeel. De onmogelijkheid leek mijn hunkering te voeden. Als ze me alleen maar eens opmerkte! Dat moest dan snel gebeuren, want over een paar maanden zou de middelbareschooltijd aanbreken. Dus sloofde ik me tijdens de Sportdagen uit bij slagbal door met Olympische lenigheid een snoekduik te maken naar het thuishonk, helaas precies op het moment dat Wouter een homerun sloeg, wat aan Eloïse een kreun en een gilletje ontlokte. Ik leek gedoemd tot een bestaan in de schaduwen.

Mijn laatste hoop had ik gevestigd op het schoolreisje naar Vlieland. Op zich al een avontuur, want de eerste keer dat ik zonder ouders op pad ging. We werden begeleid door meester Pieters, een onooglijk mannetje met een underbite waarmee hij knarsetandde als je iets deed wat hem niet zinde. Onder zijn vleugels bleek het schoolreisje vooral een doe-vakantie met allerhande speurtochten, die volledig aan me voorbij gingen omdat ik met mijn hoofd in de wolken verkeerde. Wel had ik steevast een fotocamera om de nek hangen, want als ik ergens naar speurde dan was het natuurlijk naar Eloïse – die elders druk was met andere puzzeltochten.

Pas op de terugreis trof ik haar. Op het dek van de oceaanstomer die ons naar het vasteland zou brengen. Daar lag ze, zomaar languit in de lentezon, met die aristocratische gelaatstrekken van haar. Geen Wouter te bekennen! En even, heel even, voelde ik de moed opkomen om me naast haar te vleien. Om zonder een woord te zeggen samen met haar naar de wolken te turen, een milliseconde in de illusie te leven dat ik verkering met haar had. Helaas. Op dat moment doemde Wouter op in zijn azuurblauwe jack. Half in paniek en zonder zelfs maar door de zoeker te durven kijken, maakte ik een gluurfoto van het scheepsdek, hopende dat Eloïse de mechanische sluiter niet zou opmerken boven de cadans der dieselmotoren. Als zij mij niet zag staan, dan wilde ik toch in ieder geval haar vereeuwigen.

Het laatste schooljaar werd afgerond met een expositie van handenarbeid over Vlieland. Knutselen en tekenen, dat waren de enige vakken die me boeiden. Ik kon me erin verliezen, vond troost in mijn creaties. Kwamen de meeste leerlingen aanzetten met kunstprutsels van meegenomen trofeeën uit de waddennatuur, ik had een tekening gemaakt van meester Pieterse. En niet zomaar een tekening, nee een echte karikatuur. Je kon het mannetje door het papier heen horen knarsen.

Toen ik aan de vooravond van de expositie de tekening aan de andere leerlingen toonde, waren die danig onder de indruk. Ik wist me bijkans omsingeld door hun ogen! En plots was daar ook Eloïse, geflankeerd door kirrende chaperonnes. Ze keek naar de tekening. Toen naar mij. Nam me eens goed op. En glimlachte, zoals alleen een aristocrate dat kan. Om het volgende moment voorgoed uit mijn leven te verdwijnen.

Niet veel later zou meester Pieterse me apart nemen. Hij pakte mijn tekening erbij, spiedde schielijk om zich heen, en meldde toen tandenknarsend dat ik de karikatuur niet mocht gebruiken voor de tentoonstelling. Waarom, dat zei hij niet. Maar ik voelde aan mijn water dat mijn meesterwerk gecensureerd werd. Ik had mijn onschuld verloren. Het kon me niet deren. Ik had mezelf zichtbaar gemaakt. Door mijn hoofd hoog te houden in de wolken. En iets positiefs te creëren uit iets negatiefs – het enige dat ik ooit op school geleerd heb.

De wolken van Vlieland
Het is hier erg bruin en ik word heel leuk