titels blogs

Blog

Landgenoten!

En lieve vrienden!

Dank voor jullie stortvloed aan felicitaties! Eigenlijk wilde ik helemaal niet jarig zijn (waar zijn alternative facts als je ze nodig hebt), maar deze morning after voel ik me toch precies de ouwe lul die ik volgens de wc-kalender wezen moet. En dan ben ik nog maar op de helft! Dus heus, jullie warme bad voelde als een defibrillator.

Hug van Rein die hoopt dat jullie zijn schrijfsels ook zullen lezen als hij over nog eens 58 jaar beeldend proza over de ins en outs van zijn incontinentie gaat posten…

jarig
De geest achter de schrijver

De engel

Van vlees en bloed

Een van de gymnasiasten op deze klassenfoto heeft zijn eindexamen niet gehaald. Terwijl hij toch voor een ijverige jongen doorging. Sterker, hij werd ‘Engeltje van Goud’ genoemd door onze lerares Engels. En niet alleen omdat hij tweetalig was, ook vanwege zijn brave voorkomen. Althans, dat laatste was onze interpretatie.

‘Engeltje’ genoemd worden door een leraar, dat staat op iedere zichzelf respecterende middelbare school gelijk aan een pestvonnis. Vooral in mijn vileine klasje, waar ik voor Tweetie versleten werd vanwege mijn piepstemmetje. Dood zijn wilde ik er vaak. Maar voor pesterijen was het Engeltje van Goud te zelfverzekerd, op het zelfgenoegzame af zelfs. Althans, dat in onze interpretatie.

Wat ook speelde was dat ie er te vaak niet was om gepest te kunnen worden. ‘Ziek’ werd er dan bij zijn naam in het klassenboek genoteerd. Hoe ziek precies kregen we van de rector persoonlijk te horen. ‘Hij lijdt aan een terminale ziekte,’ zo zei het schoolhoofd na een paar keer plechtig zijn keel geschraapt te hebben. ‘Bedoelt u dat ie dood gaat?’ vroeg iemand.

Nou was ons lyceum de laatste plek op aarde waar je medelijden kon verwachten. Maar doodgaan, dat was toch wel weer cool. En dat hij ondanks zijn terminaliteit geregeld naar school kwam om lessen te volgen, dat dwong respect af. Al vonden wij het ook wat vreemd. Want wat heb je aan de wortelformule en de Zestigjarige Oorlog als je toch straks tussen zes plankjes ligt? En waarom speelde die zelfgenoegzame glimlach nog steeds om zijn mond? Alsof hij zich op een ander geestelijk plan bevond dan wij ordinaire pubers!

Een echte vriend van me is ie niet geworden. Maar omdat hij bij me in de klas zat en door zijn dodelijkheid te boek stond als stoer, nodigde ik hem uit voor mijn feestje. Niet dat het een eer was om bij de vijftienjarige Tweetie te gaan beesten. Ik was te klein, te meisjesachtig en vooral te raar om een vet feest te kunnen garanderen. Daarbij hielp de ambiance van onze Fritzlkelder niet mee: een rode en een gele TL-lamp moesten zorgen voor een dynamische discofeer, paprikachips, lauw AH-bier en limonadeglazen vol Belinda’s waren de drugs of choice. Mijn Alice Cooperplaten kon ik niet draaien want te kinderachtig, Deep Purple’s Child in Time bleek niet dansbaar. Uit je bol gaan was toch al risicovol met dat lage plafond.

Gelukkig kwamen er nog aardig wat populaire leerlingen opdagen. Zoals E., waar ik verliefd op was en haar zusje C., waar ik ook op viel. Tegen beter weten in probeerde ik met mijn Tweetiestemmetje de gastheer uit te hangen, terwijl E. veel te close met klasgenoot W. ging slijpen en C. op een stretcher begon te vrijen met vriend G. Gedesillusioneerd trok ik me terug in een hoekje en probeerde ik me te verliezen in Ian Gillans gekrijs. Was ik maar terminaal! dacht ik. Tot ik tegenover mij het Engeltje van Goud zag zitten.

Hij had zijn arm geslagen om een klasgenote en keek voor zich uit, zelfverzekerd op het zelfgenoegzame af. Maar het meisje oogde benauwd, op het wanhopige af. Toen de Engel haar probeerde te kussen wendde zij haar gezicht af, toen hij zijn arm subtiel liet afzakken naar haar rechterborst haalde zij hem weg, toen zijn knie de hare raakte trok zij die op. Om één uur ’s nachts gingen de rode en de gele TL-buizen uit en werd de witte ontstoken. Lijkbleek was de Engel. Niet langer keek hij zelfgenoegzaam. Voor het eerst bespeurde ik iets in zijn blik wat ik al die maanden gemist had.

Op de begrafenis kreeg ons klasje onvermijdelijk de slappe lach. De lerares Engels was in tranen. ‘Hij is nu onder de engelen,’ zou ze later in de klas verzuchten terwijl ze zijn naam in het klassenboek doorkraste. ‘Off to a better place.’ Maar ik wist beter. Haar Engeltje had er Goud voor gegeven om zich eenmaal in ons aardse dal een wezen van vlees en bloed te kunnen voelen. Om één uur van zijn korte leventje ongegeneerd in een bloesje te graaien en er lustig op los te tongen. Wat ik nu ook wist, was dat ik nooit meer dood wilde zijn. Hoe onsterfelijk cool me dat ook gemaakt zou hebben in dat klasje met die eeuwige pubers.

De Engel
Dit is geen raadspelletje

De Pornosnor

Van de Ascona

Eigenlijk heb ik mijn autorijbewijs alleen maar gehaald omdat ik zo graag wilde motorrijden. Mijn vader had die voorwaarde gesteld: eerst je auto, dan pas je motor. Als bink had ik helemaal niets met auto’s want niet stoer genoeg voor mijn wilde haren, maar het leek me handig zijn Ascona te kunnen lenen als het noodweer was. Dus ik op mijn achttiende naar een autorijschool zoeken – en dan gelijk maar eentje waar ze met Ascona’s lesten. Kon ik alvast wennen aan het dashboard.

De rij-instructeur zag er bepaald niet uit als een typische Asconarijder. Zelfs niet als een Opel Mantaman. Zwart sluik haar over de oren, uitgeharde pornosnor, discobloes vol woekerend borsthaar en een macho Ray-Ban op de neus. Een patjepeeër met plat Rotterdamse bariton, luid op het onbeschofte af. Goed zo! dacht ik, van zo iemand leer je het meest! Ik had namelijk ooit gelezen over een zwarte soldaat in Vietnam die als groentje instinctief naar de ergste bad ass veteraan in het peloton was getrokken, omdat hij wist dat ie van zo’n ervaren klootzak, hoe redneck ook, het meest kon opsteken over survival.

En laten we wel wezen, autorijles lijkt verdomde veel op oorlog voeren. In elk hoekje zit wel een dodelijk ongeluk. Althans, dat meende de Pornosnor. Bij het lulligste foutje dat ik maakte rukte hij reflexmatig aan het stuur en snauwde hij me een ‘LET TOCH OP GODVERRRDOMME!’ of een ‘KIJK UIT JE DOPPEN GODVERDOMME! toe. Als hij even niet blafte sneed hij op over vrouwelijke leerlingen die hem in nature zouden uitbetalen om korting te krijgen. De alpha male van de asphalt jungle, dat was ie.

Om deze cerebrale kaalslag het hoofd te bieden bracht ik geregeld mijn theorieën over het automotive universum te berde, wat hem bijkans tot razernij dreef: ‘NEE GODVERDOMME ER KOMEN GEEN ZELFRIJDENDE AUTO’S!’ ‘NEE GODVERDOMME INSTRUCTEURS WORDEN NIET VERVANGEN DOOR ROBOTTEN!’ Als hij zo fulmineerde liep zijn hoofd rood aan, alsof er iets aanbrandde in zijn hersenschors. Aan het einde van de les droop het speeksel van de voorruit af.

Toch vermoed ik dat het vooral mijn zelfverzekerde, om maar niet te zeggen nonchalante rijstijl was die hem op de zenuwen werkte. Zo reed ik de Ascona eenmaal bijna de verkeerde kant van de snelweg op, waarop de Pornosnor zó schrok dat hij me vergat af te bekken bij het ingrijpen. Zelf kon ik er wel om lachen – aspirant motorrijders doen niet zo moeilijk over een beetje spookrijden. Ook trapte ik graag in woonwijken het gaspedaal in om te testen of er een muscle car in de Ascona schuilging, waarop de Pornosnor dan bovenop de rem ging staan. De man kon gewoon niet genieten van autorijden.

Vele weken heeft onze lesoorlog geduurd. Bij iedere ingreep werden mijn theorieën wat enigmatischer (‘Is het niet zo dat…’), zijn scheldkanonnades wat minder luid (‘K-k-kijk toch uit!’). Er kwamen wallen onder zijn Ray-Ban, de eerste grijze haren manifesteerden zich in zijn sluike coupe. En zag ik daar niet een tic bij zijn neus, zo een als Inspector Clouseau’s baas ook had? Toen we het verplichte minimum aantal lessen naderden verstomde het gesnauw. Zijn eens zo fiere snor hing slap om de mondhoeken. De capitulatie was nabij.

Ik vroeg het examen aan. En, zoals dat gaat bij nonchalante afrijders die geen ruk om een autorijbewijs geven, ik slaagde in één keer. Toen ik het goede nieuws kwam brengen in het CBR proestte de Pornosnor zijn koffie uit en kneep hij reflexmatig zijn plastic bekertje kapot. Hij keek me aan met een blik die het midden hield tussen ontzetting en afgrijzen. ‘W-w-wel rustig aan doen als je de w-w-weg op gaat hè,’ stamelde hij, terwijl er zich enorme okselvlekken in zijn discoblouse aftekenden.

Vier auto’s heb ik in de maanden na het examen in de prak gereden, mede dankzij mijn nonchalante rijstijl. Allez, niet de Ascona van mijn pa hè! Bedrijfswagens waren het, van uitzendbaanbaasjes die het gewaagd hadden mij af te snauwen. Ieder ongeluk kwam ik er zonder kleerscheuren af. Sterker, ik werd er alleen maar zelfverzekerder door. Daarom stuurde ik na het invullen van de verzekeringsformulieren altijd even een kaartje naar de Pornosnor. Om hem te bedanken voor zijn levensreddende lessen. Ik durf te wedden dat mijn casus onder zijn leerlingen tot een urban legend is uitgegroeid.

De Pornosnor
Muscle car for alpha males

Klein geluk

In het insectenhotel

Bij mij aan de overkant van het kanaal was het ooit pais & vree. De A2 lag er gemoedelijk te ronken met haar onuitputtelijke modderstroom aan koekblikken die mij met hun fijnstoffen en uitlaatgeruis iedere avond in slaap wiegden. Geluk zit hem in kleine dingen! Helaas is er enkele jaren geleden een gemeenteraadslid op het onzalige idee gekomen om dit stukje snelweg ondergronds te maken, opdat de gruwelijk mislukte vinexwijk Leische Rijn erachter aansluiting kan vinden op de bruisende Domstad. Amaï! dacht ik, het is gebeurd met mijn woongenot!

En zo geschiedde. De A2 werd hier een paar honderd meter vertunneld waarna een colonne van kiepwagens er duizenden en duizenden kubieke meter aan hondenpoep op stortte, dat vervolgens met heipalen werd aangestampt. Jaren aan geluidsoverlast veroorzaakte deze nijverheid, maar dan heb je ook wat: in de poepheuvel wortelt nu het Prins Willem Alexanderpark, terwijl aan de voet ervan tweeverdienerswijk Leeuwensteyn zal verrijzen, met uitzicht op het kanaal – én op mijn doortochtflatje. Zelden was onbetaalbaar geluk zó binnen handbereik.

Nu wil het feit dat ik bijna dagelijks een binnensmonds vloekende zenwandeling door het park maak. In de eerste plaats om te checken wat voor mogelijke verstoringen ze er bouwen. Zo vrees ik voor een openluchttheater met The Voice of Leidsche Rijn of een voetbalveld vol juichende hooligans. Immers, de top van de heuvel zit op dezelfde hoogte als mijn penthouse en het kanaal werkt als een echobak. En voordat u me voor zeurkous verslijt: onze buurt wordt al jaren geteisterd door twaalf uur durende dancefestivals waarbij we letterlijk van onze balkonnetjes gedreund worden. Dus tel uit mijn oordoppen de komende jaren.

Ik wandel echter ook graag door het park omdat het nog ongerepte natuur is. Tussen de bulldozers en heimachines door kun je over een echte fazant struikelen of glijd je uit over een koppel parende vuursalamanders. Helaas ben ik ook op signalen van oprukkende vooruitgang gestuit: een hut met bordjes. Zo op het eerste gezicht lijkt het chalet bestemd voor een parkwachter die zich hier tijdens de lunch kan terugtrekken met boterhammetjes en pornoblaadjes, maar niets is minder waar. Volgens aanwijzingen hoort het bij een ‘insectenhotel’. Say what? Het staat er echt. Een hotel voor onze geleedpotige vrienden, die blijkbaar tot rust moeten komen na hun voetreis uit Leidsche Rijn. Probeer dat maar eens uit te leggen aan een expat.

Toch zie ik ook in deze vermutsing weer een uitdaging. Zo ben ik van plan op internet wat Chinese insecteneieren te bestellen en ga ik alle kamers van het hotel reserveren. Nog deze zomer zullen er duizenden van mijn reuzenhorzels (Vespa mandarinia hanniki) er hun koffer uitpakken om, op zo’n lome avond dat het Prins Bier Festival de geluidsbarrière wil doorbreken, de Leeuwensteyners en masse het kanaal in te drijven, terwijl ik aan gene zijde op mijn balkonnetje onder een bloedrode zonsondergang zit in te indommelen. Soms schuilt geluk in heel veel kleine dingen.

Rear window

Met neon

In mijn wijk woont veel antisociaal volk. Ranzige tokkies, agressieve kampers, dreigende hangjongeren, chronisch klagende ziektewetters en een vreselijk boze witte schrijver die zich anders voelt dan alle andere bewoners. Een enkele keer trekt er een verdwaald hogeropgeleid paartje bij ons in, om na een jaartje huiveren weer te verkassen naar een starterswoning die wél aansluit bij hun wensdenken. Niet voor niets heeft de woningbouwvereniging onlangs twee en twintig (overigens opvallend Hollandsch ogende) studenten sociologie gevraagd om de bewoners met elkaar in contact te brengen. Arme schapen! Zij zullen in menig trappenhuis op een muur van onbegrip stuiten. We zijn hier nu eenmaal op onze privacy gesteld…

Ik mag dan mopperen op mijn buurt, eigenlijk voel ik me er helemaal thuis met mijn apocalyptische inborst. Ook vanwege het uitzicht. Want als je – zoals ik – gebukt gaat onder een welhaast masochistische arbeidsethos en voortdurend iets bedenkt om in godsnaam even niet te hoeven werken, kijk je graag uit het raam. Geen wonder, zullen mijn vrienden nu zeggen, met dat schitterende kanaal voor de deur! Maar voor dát raam hangen de gordijnen gesloten. Liever gluur ik aan de achterkant, uit mijn keukenraam. Achter mijn doortochtflat staat namelijk een andere woonkazerne, gescheiden door een binnentuin vol ludiek zwerfvuil. Zo heb ik zicht op een bijenkorf aan levens, net als in Hitchcocks Rear Window.

Nou is het niet zo dat ik tijdens het koken paaldanseressen in mijn blikveld tref die rekoefeningen doen in een helverlichte achterkamer, of echtgenoten betrap die hun eega met een slagersmes bewerken na het platina huwelijksfeest. Wel ben ik op een buitengewoon mysterieuze overbuur gestuit. Hij of zij heeft in de slaapkamer neonverlichting aangebracht, die bovendien van kleur verspringt.

Eerst vermoedde ik een lichtekooi, maar geen temeier die haar klanten klaar krijgt als zij verzuipen in een golf van ROOD-GROEN-BLAUW. Daarbij: áls je klanten wilt trekken laat je je baken toch in stemmig rood aan de voorkant branden. Nee, ik denk dat het om een vorm van contact zoeken gaat. Met aliens, of desnoods met buren. Dus. Als ik nou eens een schijnwerper van een aangemeerde rijnaak sloop en de buur vanaf mijn balkon in morsecode uitnodig tot een dialoog – om de laatste roddels door te nemen – dan krijgen we vanzelf dat stukje verbinding dat onze pauperbuurt tot prachtwijk zal maken. Ik zeg: pakken die kansen!

Het vastgevroren kindeke

*een waargebeurd kerstverhaal*

Het was een winter zoals we die al jaren niet meer meegemaakt hadden in ons landje. Sneeuwstormen teisterden de Heemraadssingel bij temperaturen zo laag dat zelfs de Elfstedentocht afgelast moest worden. De familie Hannik had zich met coltruien en wollen broeken tegen de elementen ingegraven rond de petroleumkachel die door onze vader zo hoog mogelijk opgestookt werd, terwijl moeder de vrouw in de keuken bezig was met het bereiden van een even voedzaam als zalig kerstmaal.

Groot was onze schrik dan ook toen er plots aangebeld werd. Wie kon dat zijn! In dit noodweer! Op dit uur! Een patiënt met slagaderlijke bloeding!? Behoedzaam opende mijn vader de voordeur. Daar stond de buurman, gehuld in maar liefst twee winterjassen, van top tot teen ondergesneeuwd. Nauwelijks verstaanbaar in de gierende wind vertelde hij ons dat er iets vreselijks gaande was op de singel. Of beter gezegd IN. Er was een meeuw gesignaleerd, VASTGEVROREN in het ijs! Bij het vernemen van zulk een gruwelijk nieuws barstten wij kinderen in snikken uit en trok mijn moeder lijkbleek weg. Op kerstavond nog wel liefst!

Mijn vader aarzelde geen moment. Hij haalde een ladder van zolder, een touw van de vliering en een zaklantaarn uit de kelder. Hij trok zijn ijsmuts tot over de oren en knoopte zijn kapiteinsjas dicht tot aan de neus. Even haalde hij diep adem, toen haastte hij zich met de buurman naar de plaats des onheils, recht tegenover ons huis. Ze waren niet de enigen. Een dozijn buurtbewoners had zich inmiddels aan de waterkant verzameld, wijzend naar een zwart stipje in het ijs. ‘Godzijdank!’ verzuchtten zij toen ze zagen wie de gelederen kwam versterken. ‘De dokter is er!’

Mijn vader richtte de zaklantaarn op het stipje in het ijs en tuurde er zwijgend naar. Hij stak een Chief Whip op, stampte vanaf de waterkant een paar keer op het ijs en legde toen met de vastberadenheid van een brandweerman de ladder op het bevroren oppervlak. Hoe hard het ook vroor, vorige week was er nog een patiënt onder het ijs verdwenen! Daarbij had mijn vader het postuur van een Russische tank. Oplettendheid was geboden!

Hij bond het touw vast aan de ladder, gaf het uiteinde aan de buurman, nam een laatste haal van zijn sigaret, pinkte de peuk weg en ging toen met zijn buik op de ladder op het allengs krakende ijs liggen. Stapje voor stapje sleepte hij zich met de ladder op zijn ellebogen naar het midden van de singel. Daar zat de meeuw met zijn pootjes muurvastgevroren. Zo versuft was het dier door koude en uitputting, dat het zich niet verzette toen mijn vader het ijs rond hem met de zaklantaarn aan stukken sloeg en de vogel oppakte. Dokter Hannik kreunde een signaal, waarop de menigte de ladder met vracht-en-al naar de oever trok, waar redder en slachtoffer onthaald werden op een daverend applaus.

Eenmaal thuis moest het kindeke in ons stalletje plaats maken voor de meeuw, die zich behaaglijk in het stro van de kribbe nestelde. De hele kerstavond zou hij gelijk een gans volgestouwd worden met mijn moeders kooksels – om aan te sterken voor de rest van de winter!

Of onze gast de feestdagen overleefd heeft weet ik niet meer. Wel kan ik me herinneren dat de kippensoep op Tweede Kerstdag anders smaakte dan gewoonlijk, al schrijf ik dat graag toe aan het onthutsende besef dat mijn vader de grootste held was van de hele dichtgevroren singel.

Ik wens jelui veel warme momenten in deez’ donk’re dagen…

Het vastgevroren kindeke
Goed laten trekken!

Bekentenissen

Van een sjoemeljournalist

Het is een kwestie van tijd. Hoe meer naam ik maak als authentiek en integer schrijver, hoe groter de kans is dat een jaloerse journalist onderzoek gaat doen naar mijn verleden. En die roots zullen een stuk minder authentiek en integer blijken. Om de dirt diggers een stap vóór te zijn volgen hierbij enkele bekentenissen van Berend van der Laan, drs. Samuel Boskoop en dr. Frank Mijnhart.

Het gaat om mijn eerste betaalde werkzaamheden als freelance journalist, zo’n dertig jaar geleden. Gezien mijn rijke fantasieleven en mijn weerzin tegen alles met waarheid zag ik mezelf vooral als een ‘creative reporter’. Moest kunnen vond ik, een beetje liegen, want schrijven kon ik als geen ander.

Die mening was ook mijn goede vriend H. toegedaan. Hij verzorgde de eindredactie van een fitnessmagazine. Eind jaren tachtig was iedereen nog lekker bezig met zijn body dus H. zat altijd verlegen om kopij. Hij kende mij als filmconnoisseur en vroeg me te schrijven over films met gespierde sterren zoals Stallone, Schwarzenegger en Eastwood. Bodyscope zou de rubriek heten. De stukjes waren prima leesbaar, al moest ik me inhouden om de films niet af te kraken.

Sterker, Bodyscope deed het zó goed dat ik van H. ook artikelen over fitness mocht schrijven. Onontgonnen terrein voor mijn persoon, geen probleem voor de creative reporter in mij. Het ene instructieve na het andere informatieve stukje poepte ik uit. Ik wist precies hoe het zat met reverse grip bench press, rationeel emotieve therapie, het belang van recuperatie en het verslavende effect van endorfine. Deze info roofde ik vooral uit Amerikaanse artikelen (‘Endogenous peptides and analgesia’) en alles wat ik niet wist of niet begreep verzon ik erbij. Overtuigende lulkoek, zo vond ik zelf.

Die mening was ook H. toegedaan. Bijna de helft van het blad mocht ik vullen. Dat moest natuurlijk wel onder pseudoniemen. Opnieuw geen probleem voor de creative reporter in mij. Deskundoloog Berend van der Laan zag het licht, die al spoedig gezelschap kreeg van Samuel Boskoop en Frank Mijnhart. Was de tweede een echte doctorandus, de derde had het zelfs tot doctor geschopt. Waarin precies bleef onduidelijk; men vermoedt iets met moleculaire levenswetenschappen.

Natuurlijk is het strafbaar om titulatuur te gebruiken als je slechts kunt bogen op een zwemdiploma en een bij elkaar gespiekt Atheneum A. Maar juist dat illegale gaf mijn antisociale inborst een kick. De Diederik Stapel van de bodycultuur voelde ik me, lang voordat Diederik uit zijn duim ging zuigen. Het was dan ook met smart dat ik de stekker uit mijn imaginaire wetenschappers moest trekken toen ik gevraagd werd om filmrecensent te worden bij de lokale omroep. Tijd voor echte journalistiek.

Of mijn intuïtieve fitnessstukjes ooit (blijvend) letsel veroorzaakt hebben ben ik nooit te weten gekomen. Wel hoop ik dat mijn jeugdzonden boven komen drijven als mijn integere en authentieke boeken beroerd blijken te verkopen, zodat ik in talkshows mag aanschuiven als prof. dr. ir. Berend S. Mijnhart, om de Peter R. de Vriesjes en andere allesweters even te laten merken wat een échte know-it-all is.

Bekentenissen van een zwendeljournalist
Meester in de rechten, dat ontbreekt nog

Het bewijs

Op de Mathenesserdijk

Sommige auteurs lijken te schrijven om zichzelf te vereeuwigen. Ze hopen via hun werk voort te bestaan wanneer hun beenderen eenmaal zijn vergaan. Dan ben ik een stuk minder ambitieus. Ik schrijf om mijzelf ervan te overtuigen dat ik besta – scribo ergo sum als het ware.

Of bestaan héb. In 1980 bijvoorbeeld. Toen ik in het ex-peeskamertje van mijn vader woonde, op de Mathenesserdijk 273 te Rotterdam. Van het ene ongeschoolde baantje naar het andere doolde ik, op mijn reutelende Honda 550K3 viercilinder, om ’s avonds aan de bar van Dizzy te hangen. Als een geest op zoek naar zielenrust. Of was het een levensdoel?

Over dat jaar van mijn leven gaat mijn volgende boek. Een roman wordt het, maar ook voor autobiografische fictie moet je research doen om de couleur locale waarachtig te kunnen schilderen. Daarom duik ik regelmatig in het online fotoarchief van de gemeente Rotterdam.

Dit is de eerste foto waar ik op stuitte, van Mathenesserdijk nummer 273. Hij trof me als een mokerslag. Niet alleen omdat de foto me weer in 1980 bracht; op de Dijk, boven Textiel bij Hans, achter de telefooncel. Maar vooral omdat ik er zelf op blijk te staan. Stomtoevallig. Dat ben ik, die slungel met die gympen, amper meerderjarig, in gepieker verzonken, de hoes over de Honda trekkend. In het fotoarchief van de gemeente. Een overtuigender bewijs dat ik toen bestaan heb kan ik me niet wensen.

De kans is groot dat ik tijdens mijn research meer gemeentefoto’s uit die tijd zal posten. Minder groot is de kans dat ik ook zelf op al díe foto’s te zien zal zijn. Tenminste, dat mag ik hopen; het idee dat je overal bestaan hebt, zoals Woody Allens Zelig, is misschien nog angstaanjagender dan het gevoel dat je pas bestaat als je erover gaat schrijven.

Rein Hannik in 1980 op de Mathenesserdijk
In het gemeentearchief ergo sum

De knetterende tegenpolen

En hun rode viltstiften

Een van de weinige Nederlandse schrijvers die ik graag lees is mijn ex S. Tenminste, ik ken haar talent van twintig jaar geleden. Toen schreef ze columns in het Universiteitsblad. Naast die van mij. Onze stijlen konden niet méer verschillen. Haar stukjes gingen over de alledaagse halszaken van studenten, hadden een welhaast antropologisch karakter. Mijn schrijfsels waren vlammende pamfletten die ik vermomde als film- en televisierecensies - voor mij draaide alles om deductie en cadans. Concurrentie hoefden we van elkaar niet te vrezen.

We hadden ook zeer uiteenlopende roots. S. was opgegroeid in een strenggelovig, dorps milieu. Ze hield niet van de zelfkant of van de vurige discussies waarmee de grootstedelijke Rein haar tijdens redactieborrels probeerde in te palmen. Toch vertoonde deze brave meid ook radicale trekjes. Zo had ze ooit, toen ze zich voor een studie moest inschrijven, haar naam spontaan aan de balie veranderd van een ‘N……’ in een ‘S......’ Dat is nogal wat, zo’n metamorfose! Alsof je je doping ontkent! Aan de andere kant, ‘N……’ klinkt als een Hollandsche meid die met melkbussen door de zompige polder sjouwt, terwijl je met een ‘S......’ al gauw de literaire salon aan je voeten denkt te hebben.

Zoals dat gaat met tegenpolen, kregen we verkering. Die verliep uiterst moeizaam want daar heb ik nu eenmaal patent op. Geruzie, geweifel, gemok. En zeer verschillende dromen. S. wilde een echte schrijver worden, ik had mijn zinnen gezet op stand-up comedy en zingen in een bandje - iets met direct contact. Toch waren er momenten van harmonie. Mijn beste herinneringen zijn de keren dat we samen elkaars columns redigeerden. Dankzij mijn rode pen werden haar columns een stuk minder truttig, dankzij haar strenge viltstift de mijne veel minder macho. Na afloop van zo’n brainstormsessie hadden we knetterende seks, al kan die laatste herinnering ook het gevolg zijn van kortsluiting in mijn dementerende geheugen.

Hoezeer we elkaars schrijfkunst ook respecteerden, uitgaan moest het natuurlijk wel. Daarbij stuurde het Universiteitsblad ons na tien jaar de laan uit. S. en ik verloren elkaar uit het oog. Twee decennia passeerden. Tot ik enkele dagen geleden met mijn debuut ‘Coef’ bij het AD leurde, omdat daar een oud-collega van het Universiteitsblad werkt. Hij zei me dat een andere ex-collega van het U-blad, ons aller S., een uur eerder hetzelfde gedaan had met háar debuut! Wat!? reageerde ik. Is S. schrijver geworden! Synchroon met mij! Daar moest ik toch wel even om grijnzen.

Ik kon het ook niet nalaten om op haar blog te spieken naar de presentatie van haar roman. En jawel hoor, daar staat ze, glunderend in een veel te nette jurk. Dol- en dolgelukkig is ze. Apetrots. En terecht. Daar ben ik toch wel jaloers op, want ik voel zelf bar weinig bij mijn debuut, vastgezogen in een vacuüm. Misschien komt ‘het’ nog, bij de presentatie op zondag 16 oktober. Live contact is immers een stuk spannender en dus bevredigender dan veilig achter je pc’tje jongleren met deductie en cadans. En nee, ik heb S. niet uitgenodigd. Vind ik ongepast, aangezien zij ook niet aan mij gedacht heeft. Jammer eigenlijk, want we hebben toch aan elkaars schrijverswieg gestaan. Een pact dat dieper gaat dan verkering. En wie weet, kunnen we ooit elkaars volgende manuscript redigeren. Om even bejaard na te knetteren.

Kill each other's darlings
Even wat darlings over de kling jagen