titels blogs

Blog

Bekentenissen

Van een sjoemeljournalist

Het is een kwestie van tijd. Hoe meer naam ik maak als authentiek en integer schrijver, hoe groter de kans is dat een jaloerse journalist onderzoek gaat doen naar mijn verleden. En die roots zullen een stuk minder authentiek en integer blijken. Om de dirt diggers een stap vóór te zijn volgen hierbij enkele bekentenissen van Berend van der Laan, drs. Samuel Boskoop en dr. Frank Mijnhart.

Het gaat om mijn eerste betaalde werkzaamheden als freelance journalist, zo’n dertig jaar geleden. Gezien mijn rijke fantasieleven en mijn weerzin tegen alles met waarheid zag ik mezelf vooral als een ‘creative reporter’. Moest kunnen vond ik, een beetje liegen, want schrijven kon ik als geen ander.

Die mening was ook mijn goede vriend H. toegedaan. Hij verzorgde de eindredactie van een fitnessmagazine. Eind jaren tachtig was iedereen nog lekker bezig met zijn body dus H. zat altijd verlegen om kopij. Hij kende mij als filmconnoisseur en vroeg me te schrijven over films met gespierde sterren zoals Stallone, Schwarzenegger en Eastwood. Bodyscope zou de rubriek heten. De stukjes waren prima leesbaar, al moest ik me inhouden om de films niet af te kraken.

Sterker, Bodyscope deed het zó goed dat ik van H. ook artikelen over fitness mocht schrijven. Onontgonnen terrein voor mijn persoon, geen probleem voor de creative reporter in mij. Het ene instructieve na het andere informatieve stukje poepte ik uit. Ik wist precies hoe het zat met reverse grip bench press, rationeel emotieve therapie, het belang van recuperatie en het verslavende effect van endorfine. Deze info roofde ik vooral uit Amerikaanse artikelen (‘Endogenous peptides and analgesia’) en alles wat ik niet wist of niet begreep verzon ik erbij. Overtuigende lulkoek, zo vond ik zelf.

Die mening was ook H. toegedaan. Bijna de helft van het blad mocht ik vullen. Dat moest natuurlijk wel onder pseudoniemen. Opnieuw geen probleem voor de creative reporter in mij. Deskundoloog Berend van der Laan zag het licht, die al spoedig gezelschap kreeg van Samuel Boskoop en Frank Mijnhart. Was de tweede een echte doctorandus, de derde had het zelfs tot doctor geschopt. Waarin precies bleef onduidelijk; men vermoedt iets met moleculaire levenswetenschappen.

Natuurlijk is het strafbaar om titulatuur te gebruiken als je slechts kunt bogen op een zwemdiploma en een bij elkaar gespiekt Atheneum A. Maar juist dat illegale gaf mijn antisociale inborst een kick. De Diederik Stapel van de bodycultuur voelde ik me, lang voordat Diederik uit zijn duim ging zuigen. Het was dan ook met smart dat ik de stekker uit mijn imaginaire wetenschappers moest trekken toen ik gevraagd werd om filmrecensent te worden bij de lokale omroep. Tijd voor echte journalistiek.

Of mijn intuïtieve fitnessstukjes ooit (blijvend) letsel veroorzaakt hebben ben ik nooit te weten gekomen. Wel hoop ik dat mijn jeugdzonden boven komen drijven als mijn integere en authentieke boeken beroerd blijken te verkopen, zodat ik in talkshows mag aanschuiven als prof. dr. ir. Berend S. Mijnhart, om de Peter R. de Vriesjes en andere allesweters even te laten merken wat een échte know-it-all is.

Bekentenissen van een zwendeljournalist
Meester in de rechten, dat ontbreekt nog

Het bewijs

Op de Mathenesserdijk

Sommige auteurs lijken te schrijven om zichzelf te vereeuwigen. Ze hopen via hun werk voort te bestaan wanneer hun beenderen eenmaal zijn vergaan. Dan ben ik een stuk minder ambitieus. Ik schrijf om mijzelf ervan te overtuigen dat ik besta – scribo ergo sum als het ware.

Of bestaan héb. In 1980 bijvoorbeeld. Toen ik in het ex-peeskamertje van mijn vader woonde, op de Mathenesserdijk 273 te Rotterdam. Van het ene ongeschoolde baantje naar het andere doolde ik, op mijn reutelende Honda 550K3 viercilinder, om ’s avonds aan de bar van Dizzy te hangen. Als een geest op zoek naar zielenrust. Of was het een levensdoel?

Over dat jaar van mijn leven gaat mijn volgende boek. Een roman wordt het, maar ook voor autobiografische fictie moet je research doen om de couleur locale waarachtig te kunnen schilderen. Daarom duik ik regelmatig in het online fotoarchief van de gemeente Rotterdam.

Dit is de eerste foto waar ik op stuitte, van Mathenesserdijk nummer 273. Hij trof me als een mokerslag. Niet alleen omdat de foto me weer in 1980 bracht; op de Dijk, boven Textiel bij Hans, achter de telefooncel. Maar vooral omdat ik er zelf op blijk te staan. Stomtoevallig. Dat ben ik, die slungel met die gympen, amper meerderjarig, in gepieker verzonken, de hoes over de Honda trekkend. In het fotoarchief van de gemeente. Een overtuigender bewijs dat ik toen bestaan heb kan ik me niet wensen.

De kans is groot dat ik tijdens mijn research meer gemeentefoto’s uit die tijd zal posten. Minder groot is de kans dat ik ook zelf op al díe foto’s te zien zal zijn. Tenminste, dat mag ik hopen; het idee dat je overal bestaan hebt, zoals Woody Allens Zelig, is misschien nog angstaanjagender dan het gevoel dat je pas bestaat als je erover gaat schrijven.

Rein Hannik in 1980 op de Mathenesserdijk
In het gemeentearchief ergo sum

De knetterende tegenpolen

En hun rode viltstiften

Een van de weinige Nederlandse schrijvers die ik graag lees is mijn ex S. Tenminste, ik ken haar talent van twintig jaar geleden. Toen schreef ze columns in het Universiteitsblad. Naast die van mij. Onze stijlen konden niet méer verschillen. Haar stukjes gingen over de alledaagse halszaken van studenten, hadden een welhaast antropologisch karakter. Mijn schrijfsels waren vlammende pamfletten die ik vermomde als film- en televisierecensies - voor mij draaide alles om deductie en cadans. Concurrentie hoefden we van elkaar niet te vrezen.

We hadden ook zeer uiteenlopende roots. S. was opgegroeid in een strenggelovig, dorps milieu. Ze hield niet van de zelfkant of van de vurige discussies waarmee de grootstedelijke Rein haar tijdens redactieborrels probeerde in te palmen. Toch vertoonde deze brave meid ook radicale trekjes. Zo had ze ooit, toen ze zich voor een studie moest inschrijven, haar naam spontaan aan de balie veranderd van een ‘N……’ in een ‘S......’ Dat is nogal wat, zo’n metamorfose! Alsof je je doping ontkent! Aan de andere kant, ‘N……’ klinkt als een Hollandsche meid die met melkbussen door de zompige polder sjouwt, terwijl je met een ‘S......’ al gauw de literaire salon aan je voeten denkt te hebben.

Zoals dat gaat met tegenpolen, kregen we verkering. Die verliep uiterst moeizaam want daar heb ik nu eenmaal patent op. Geruzie, geweifel, gemok. En zeer verschillende dromen. S. wilde een echte schrijver worden, ik had mijn zinnen gezet op stand-up comedy en zingen in een bandje - iets met direct contact. Toch waren er momenten van harmonie. Mijn beste herinneringen zijn de keren dat we samen elkaars columns redigeerden. Dankzij mijn rode pen werden haar columns een stuk minder truttig, dankzij haar strenge viltstift de mijne veel minder macho. Na afloop van zo’n brainstormsessie hadden we knetterende seks, al kan die laatste herinnering ook het gevolg zijn van kortsluiting in mijn dementerende geheugen.

Hoezeer we elkaars schrijfkunst ook respecteerden, uitgaan moest het natuurlijk wel. Daarbij stuurde het Universiteitsblad ons na tien jaar de laan uit. S. en ik verloren elkaar uit het oog. Twee decennia passeerden. Tot ik enkele dagen geleden met mijn debuut ‘Coef’ bij het AD leurde, omdat daar een oud-collega van het Universiteitsblad werkt. Hij zei me dat een andere ex-collega van het U-blad, ons aller S., een uur eerder hetzelfde gedaan had met háar debuut! Wat!? reageerde ik. Is S. schrijver geworden! Synchroon met mij! Daar moest ik toch wel even om grijnzen.

Ik kon het ook niet nalaten om op haar blog te spieken naar de presentatie van haar roman. En jawel hoor, daar staat ze, glunderend in een veel te nette jurk. Dol- en dolgelukkig is ze. Apetrots. En terecht. Daar ben ik toch wel jaloers op, want ik voel zelf bar weinig bij mijn debuut, vastgezogen in een vacuüm. Misschien komt ‘het’ nog, bij de presentatie op zondag 16 oktober. Live contact is immers een stuk spannender en dus bevredigender dan veilig achter je pc’tje jongleren met deductie en cadans. En nee, ik heb S. niet uitgenodigd. Vind ik ongepast, aangezien zij ook niet aan mij gedacht heeft. Jammer eigenlijk, want we hebben toch aan elkaars schrijverswieg gestaan. Een pact dat dieper gaat dan verkering. En wie weet, kunnen we ooit elkaars volgende manuscript redigeren. Om even bejaard na te knetteren.

Kill each other's darlings
Even wat darlings over de kling jagen

Ode aan de sukkels

Des levens

Met enige regelmaat stuit ik op Facebook op filosofische quotes. Van wijsgeren, wereldleiders, asceten. Ze zetten me zelden aan het denken. Niet omdat ik de inzichten allemaal onzin of gratuit vind, maar omdat ze de recalcitrant in me oproepen. Don’t teach me! schreeuwt het in me in fatsoenlijk Nederlands. Want ik weet het zelf zoveel beter. Of niet. Maar laat mij in godsnaam zelf ploeteren.

Eigenlijk is er maar één tegeltje dat ik uit mijn eigen bestaan heb weten te peuren: ‘De mensheid bestaat uit sukkels, en de grootste sukkels zijn de sukkels die denken dat ze geen sukkels zijn.’ Daarom laat ik me zo graag vervoeren door de lulligste foto’s uit mijn leven. Zoals dit kiekje met Rotterdamse vrienden na een bezoek aan de ZOO van Antwerpen, honderd jaar geleden. Overjarige snotneuzen, die het belangrijker vinden om een flauwe grap te maken over de annalen dan om hun intellect te spuien met andermans inzichten. Monty Python’s Meaning of Life zit hen in het gebeenderte. De kiek doet me gloeien van trots.

Ik beschouw mezelf als een buitengewoon somber mens. Maar ook als een die geen gelegenheid laat schieten om onbezonnen lol te maken. Om even de schater te horen galmen die onze pirouetten terugbrengt tot de klompendans die ze zo graag willen zijn. God beware me als deze post ooit tot een tegeltje wordt.

Ode aan de sukkels
Sukkels voor de ZOO

De Marianentrog

Van de live uitzending

Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ben ik in oktober te gast bij een nieuw live televisieprogramma. De pilot laat nog even op zich wachten, maar het schijnt een nieuwe 5 Uur Show te worden. Aanleiding voor de uitnodiging is mijn debuut Coef: de weg van de waanzin. Uiteraard ben ik blij met deze extra publiciteit, wel vraag ik me af in hoeverre het tot de redactie is doorgedrongen hoe heftig mijn boek is. Een verhaal over jappenkampen, LSD-therapie en paranoïde psychoses, probeer dat maar eens hapklaar op te dienen tussen de ditjes & datjes die zo'n gezelligheidsshow kenmerken.

Meer zorgen maak ik me over het ‘live’ karakter. Want ‘live’ is toch wel heel erg live. Gelukkig heb ik de nodige ervaring opgedaan met televisie en radio, weet ik precies hoe mis het kan gaan. Zoals tijdens die radioshow, ergens eind jaren ’80, toen ik als vaste filmrecensent mijn ongezouten mening mocht ventileren. Voor de afwisseling had ik besloten een keertje niet van een netjes getypt velletje op te lezen, maar te IM-PRO-VI-SE-REN. Dat heb ik geweten. Geen zin kwam er normaal mijn strot uit. Mijn tong leek gegijzeld door mijn overbewustzijn. ‘DIT IS LIVE, REIN!’ galmde het door mijn kop. ‘DIT IS ONTZETTEND LIVE! HEEL UTRECHT KAN JE HOREN ALS JE ER NU “HE*L H*TLER” UITFLAPT! DIT GAAT HELEMAAL MIS! DIT WORDT DE AFGANG VAN JE LEVEN!!’ Op het laatste hoorde ik alleen nog de kortsluiting in mijn frontaalkwab knetteren. Toen ze mijn gehakkel eindelijk overstemd hadden met een Gouwe Ouwe was ik reeds afgedaald in de Marianentrog, om daar mijn overmoed en vermeende nonchalance in totale duisternis te vervloeken.

Uitgaande van dit worst case scenario heb ik mezelf inmiddels de nodige mediatraining gegeven voor mijn gastoptreden in oktober. Goed instuderen, die spontaniteit! En de spiekbriefjes liggen al klaar. Maar ik vertrouw vooral op Plan B. Als me gevraagd wordt hoe dat nou VOELT, zo’n boek schrijven over een GEKKE MOEDER, en ik het antwoord niet mag oplezen, zal ik overgaan op een stevige La Tourette (‘VIEZEVUILEGORETERINGJAPPEEEEEEEEEEEN!!’), die later verklaard zal worden uit Tweede Generatieproblematiek (‘kampsyndroom’ klinkt zóveel literairder dan ‘verward’), waarna ik afrond met een perfect gesimuleerde psychose, om schuimbekkend en stuiptrekkend afgevoerd te worden en plaats te maken voor een gezellig item over Zaandamse vloggers die aan politie-huggen doen. Wedden dat ik de week daarop in Heel Holland Bakt zit?

De Marianentrog
Gewoon jezelf blijven

Het boek is af

Coef ligt in oktober in de winkel

Tot die tijd moeten jullie het doen met deze tevreden Rein en zijn verhalencollage. Dank voor het lezen van mijn schrijfsels en de vele schouderklopjes op Facebook! XR

Rein Hannik
Trots op zijn copyright tattoo

Baas der Illusies

Van Le Carafon

Hij is niet meer. Rany, baas en enig personeelslid van nachttent Le Carafon. Bezweken aan longkanker, terwijl hij al jaren geleden gestopt was. Dat krijg je er nu van.

Toen ik in lang vervlogen tijden nog nachtbraakte in Utrecht, kwam ik regelmatig in zijn tent terecht. Logischerwijs bijna, want Le Carafon ging pas open als gewone kroegen hun luiken sloten. Met dat enorme traliewerk voor het raam straalde het precies het Einde der Illusies uit waarin ik me thuis voelde met een slok op. Ook werd het gemeden door studentjes, en met hen de onuitstaanbare onbezorgdheid die de Domstad teistert. Le Carafon was Utrechts remise der zuiplappen.

De meeste stamgasten stamden net als Rany uit de Antillen of Suriname, waardoor de sfeer me aan het Katendrecht van begin jaren tachtig deed denken. Niet dat blanken weggestaard werden, of freaks weggehoond. Integendeel. Zo zat er vaak een roomblanke leernicht in vol ornaat aan de bar, met zijn maatje aan een hondenriem gedwee aan zijn zijde, beiden doodserieus aan hun borrel nippend, alsof drinken hun beroep was. Alcoholisten zijn zelden levensgenieters.

Maar eigenlijk was Rany dat zelf wel. Met zijn luide stem, bulderende lach en imposante fysiek had hij alles in zich om als herbergier-from-hell te figureren in een cultfilm. De hartelijkste nachtburgemeester denkbaar, een titel waarvoor hij overigens bedankte. But make no mistake. Le Carafon was zíjn kindje, en al dat gezuip verliep ordentelijk dankzij zijn zero tolerance. Als je met dronken kop beweerde dat je te weinig wisselgeld had teruggekregen, of als je mot kreeg met een van de stamgasten, werd je subiet de tent uitgekafferd. Gelukkig kwam dat zelden voor. Terwijl Stevie Ray Vaughan uit de speakers soleerde, zo knetterhard dat alleen Rany’s bulder er bovenuit kwam, kreeg je er even het gevoel dat Het Einde der Illusies slechts een illusie was.

Hoe stoer ik daar ook aan de bar hing, Rany noemde mij steevast ‘schatje’ omdat ik altijd zo vriendelijk tegen iedereen deed. Uit zijn mond klonk dat als een macho compliment. En iedere keer als ik daar de deur uitwaggelde met een loszittend shagje in de mondhoek, net voldoende in control om mijn decorum op te houden, en verwelkomd werd door een voorzichtig zonnetje, dan wist ik dat die luttele roofbouwuurtjes misschien tien jaar van mijn gezondheid hadden weggespoeld, maar dat ze me ooit nog eens een mooie herinnering zouden opleveren. Al was het maar doordat Rany’s tent de enige kroeg is geweest waarin ik nooit een laatste ronde heb meegemaakt.

Rany droomde altijd van een stukje land in Suriname. Die illusie is een droom gebleven. Wel zijn de stamgasten nog met de pet rondgegaan voor een andere wens van hem: een Mercedes CLK cabriolet. Daar rijdt hij nu in rond aan gene zijde. Met triomfantelijke bulder.

De opvolger, Le Carafon Next Generation, rekent vast op de oude klandizie. Mij zullen ze er niet treffen. Niet alleen omdat de stamvader niet meer is, ook omdat ik nu opsta op een uur dat ik vroeger uitging. Naarstig op zoek naar Het Begin der Illusies.

Le Carafon
Het Einde der Illusies

De onzichtbare mijlpalen

Van de levensfilm

Sommige mensen die ternauwernood aan de dood ontsnapt zijn, beweren dat ze de hoogtepunten van hun leven aan zich voorbij hebben zien flitsen. Een afscheidsgeschenk Gods? Sinds ik van het fenomeen kennis heb genomen loop ik erover te piekeren, want zo’n resumé van je bestaan roept de nodige vragen op.

Om te beginnen: wie bepaalt de keuze van de levensfragmenten? Mag je dat zelf, of liever gezegd je eigen onderbewustzijn, dat doen? Of haalt God razendsnel jouw greatest hits van de plank voor zo’n prematuur IM? Als God het voor ’t zeggen heeft is het maar de vraag of we naar die momenten moeten uitkijken, want Hij kiest geheid voor de beproevingen; de mislukkingen, de afwijzingen, de ontgoochelingen. Die hebben immers een mensch van je gemaakt.

Als we zelf mogen beslissen kiezen we natuurlijk voor onze dierbare herinneringen. Ik weet er wel een paar. Veilig op de bruinverbrande schouders van mijn vader in de branding van de Méditerranée. Die eerste echte vrijpartij in dat met zonlicht overgoten flatje. Mijn ex die zo hard om mijn rare grap moest lachen dat ze in haar broek pieste. Samen met de stiefkinderen gekke bekken trekken voor de webcam. En iedere ‘like’ die ik voor mijn schrijfsels heb gekregen en mijn zelfvertrouwen heeft gespekt. Voor een ander misschien restmateriaal van een commercial voor levensverzekeringen, voor mij onzichtbare mijlpalen die zich in me verankerd hebben.

Maar ik zit met meer vragen over het levensfilmpje. Zijn de flitsen net zo onbetrouwbaar als je geheugen dat is? Duurt de film langer als je eenmotorige vliegtuigje op tienduizend voet pech krijgt dan wanneer je plots door een tram geplet wordt? Kun je de kwaliteit van de beelden beïnvloeden door zo bijzonder mogelijk te leven? Worden zelfmoordenaars de flitsen onthouden omdat ze de kogel zelf afvuren? Krijgen blinden uitsluitend luisterfragmenten voorgeschoteld? (En hoe zit het dan met doofstomme blinden?) Zal een gesneuveld kindsoldaatje uitsluitend gruwelijke passages zien? Moet een geaborteerde foetus het doen met wat dia’s van de baarmoeder? Van die dingen.

Gelukkig zit ik er niet altijd over te piekeren. Want of er nu levensflitsen komen of niet, diep in mijn hart weet ik dat Het Einde een overweldigend gevoel van troost zal bieden. Dat is het enige waar wij stervelingen ‘recht’ op hebben, als we het ongevraagde cadeau dat Het Leven heet uit onze vingers laten flikkeren, als ware het een vettige lavalamp: de illusie dat onze fanfare in het aardse dal ergens goed voor geweest is. Om wat voor onuitspreekbare reden dan ook. Daar zijn geen greatest hits voor nodig – die bewaren we wel voor Facebook.

De onzichtbare mijlpalen
Het achterhoofd telt maar door

Photoshop rebel

Zonder wapenfeiten

Eigenlijk heb je het pas écht gemaakt als er vroeg of laat een mugshot van je opduikt op internet. Zo’n politiefoto is immers het bewijs dat je ooit wilde haren hebt gehad, lang voordat je voor het grote geld bent gegaan. Frank Sinatra, Bill Gates, Al Pacino, Keanu Reeves, Woody Harrelson, ze hebben allemaal even vastgezeten toen ze nog niemand waren. Er zijn ook sterren die hun carrière juist afgesloten hebben met zo’n jailhousekiek. Nick Nolte, James Brown, Phil Spector, David Cassidy en zelfs Don McLean werden in hun midlife door de politiefotograaf vereeuwigd alsof ze na een long weekend coke snuiven hun vrouw vermoord hadden, wat soms ook het geval was.

Nee, dan uw stukjestyper. Omdat mijn naam niet verder reikt dan mijn Facebookmuur en ik niet prat kan gaan op noemenswaardige wapenfeiten, heb ik besloten de natuur een handje te helpen met deze polaroid. Nu maar hopen dat ie een eigen, roemrucht bestaan gaat leiden op internet. Aan jullie de taak er een gruwelijk misdrijf bij te bedenken.

Photoshop rebel
Photoshop rebel

De zoen

En de tegenligger

Na echtscheiding en verhuizing staat ie op de derde plaats in de TOP 10 van dodelijke stressveroorzakers (CBS 1976): vakantie. Niet verwonderlijk dus dat die drie weken het slechtste in de mens naar boven halen. Althans, dat doen ze bij mij. Stikchagrijnig word ik ervan, dat gelanterfant in een land waar ze geen fatsoenlijk Nederlands spreken en je niet met guldens kan betalen. En dan dat godvergeten GENIETEN! Alsof het leven daarvoor bedoeld is!

Voor mijn ex-vriendinnen is vakantie vooral stressmaker nummer drie geworden dankzij mijn persoon. Zoals die arme P. Zij was mijn eerste echte relatie, had geen idee wat voor vlees ze in de kuip had toen we samen landjes gingen hoppen door Europa. In haar Eendje, begin jaren ’80. Oftewel B-weggetjes afwaggelen, poedelen in authentieke beekjes en kamperen waar dat ‘t minst mag.

Heel romantisch allemaal, maar na een week in een lekkend tentje word je toch behoorlijk met elkaars verbeterpuntjes geconfronteerd. Zo bleek P. erg gesloten. En ik erg extravert. Maar vooral ongenietbaar. Kicks zocht ik! Euforie! Meeslepend avontuur! Als P. zich aan mij ergerde, hield ze zich wijselijk in. Chagrijnige mannen zijn net mokkende kinderen, die moet je even laten.

Om wat stoom af te blazen mocht ik in Frankrijk achter het stuur kruipen. Ha! Ik zou haar eens laten zien hoe je met twee paardjes onder de kap heuvel-op vrachtwagens inhaalt! Sur le chemin! Nou lijkt het met zo’n opgerold canvas dak en luchtgekoeld motortje al snel alsof je door de geluidsbarrière knalt, maar ik bewees me een voorbeeldig coureur. Tot ik ons op een tweebaansweg naast een poids lourd gemanoeuvreerd had. Zo een die eindeloos lang blijkt. We kwamen er maar niet voorbij, hoeveel peentjes de paardjes en ik ook zweetten. Een monstertruck was het! Daarbij leek ie snelheid te maken om die rotHollanders eens een poepie te laten ruiken. En toen. Toen kwam die bocht. Met die tegenligger. Die de heuvel áf raasde. Mijn hart sloeg over, ik trapte het gaspedaal door de roestbodem heen, om daarna keihard op de rem stappen, waardoor het Eendje wild zwabberend en met gillende bandjes net op tijd achter de monstertruck terecht kwam.

Trillend zette ik de auto aan de kant. Zuchtte diep. Staarde naar mijn versleten gympen. Woedend was ik op mezelf. PUBER! schreeuwde het door mijn kop. MANNETJE! KAFFER! KLOOTZAK! En dat allemaal zonder kreukelzone, zonder gordels en zonder dak. Ook van P. verwachte ik de volle lading; ik had immers met haar leven gespeeld. Maar niets van dat al. Ze gaf me een zoen op mijn rechterwang. Zo teder, zo troostend, zo koesterend, dat de tranen me in de ogen schoten. Damn. Dat was wat ik al die tijd nodig had gehad. Ik hóefde van haar helemaal niet te genieten.

Die laatste twee weken van de vakantie heb ik genoten. Van het onverstaanbare Oostenrijks, het Italiaanse Monopolygeld en de Vlaamse zakkenrollers. En vooral van P. en de rust die ze uitstraalde. Maar met mij op vakantie is ze sindsdien niet meer gegaan.

De zoen
Europa hoppen met 80 per uur