titels blogs

Blog

Ode aan de sukkels

Des levens

Met enige regelmaat stuit ik op Facebook op filosofische quotes. Van wijsgeren, wereldleiders, asceten. Ze zetten me zelden aan het denken. Niet omdat ik de inzichten allemaal onzin of gratuit vind, maar omdat ze de recalcitrant in me oproepen. Don’t teach me! schreeuwt het in me in fatsoenlijk Nederlands. Want ik weet het zelf zoveel beter. Of niet. Maar laat mij in godsnaam zelf ploeteren.

Eigenlijk is er maar één tegeltje dat ik uit mijn eigen bestaan heb weten te peuren: ‘De mensheid bestaat uit sukkels, en de grootste sukkels zijn de sukkels die denken dat ze geen sukkels zijn.’ Daarom laat ik me zo graag vervoeren door de lulligste foto’s uit mijn leven. Zoals dit kiekje met Rotterdamse vrienden na een bezoek aan de ZOO van Antwerpen, honderd jaar geleden. Overjarige snotneuzen, die het belangrijker vinden om een flauwe grap te maken over de annalen dan om hun intellect te spuien met andermans inzichten. Monty Python’s Meaning of Life zit hen in het gebeenderte. De kiek doet me gloeien van trots.

Ik beschouw mezelf als een buitengewoon somber mens. Maar ook als een die geen gelegenheid laat schieten om onbezonnen lol te maken. Om even de schater te horen galmen die onze pirouetten terugbrengt tot de klompendans die ze zo graag willen zijn. God beware me als deze post ooit tot een tegeltje wordt.

Ode aan de sukkels
Sukkels voor de ZOO

De Marianentrog

Van de live uitzending

Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ben ik in oktober te gast bij een nieuw live televisieprogramma. De pilot laat nog even op zich wachten, maar het schijnt een nieuwe 5 Uur Show te worden. Aanleiding voor de uitnodiging is mijn debuut Coef: de weg van de waanzin. Uiteraard ben ik blij met deze extra publiciteit, wel vraag ik me af in hoeverre het tot de redactie is doorgedrongen hoe heftig mijn boek is. Een verhaal over jappenkampen, LSD-therapie en paranoïde psychoses, probeer dat maar eens hapklaar op te dienen tussen de ditjes & datjes die zo'n gezelligheidsshow kenmerken.

Meer zorgen maak ik me over het ‘live’ karakter. Want ‘live’ is toch wel heel erg live. Gelukkig heb ik de nodige ervaring opgedaan met televisie en radio, weet ik precies hoe mis het kan gaan. Zoals tijdens die radioshow, ergens eind jaren ’80, toen ik als vaste filmrecensent mijn ongezouten mening mocht ventileren. Voor de afwisseling had ik besloten een keertje niet van een netjes getypt velletje op te lezen, maar te IM-PRO-VI-SE-REN. Dat heb ik geweten. Geen zin kwam er normaal mijn strot uit. Mijn tong leek gegijzeld door mijn overbewustzijn. ‘DIT IS LIVE, REIN!’ galmde het door mijn kop. ‘DIT IS ONTZETTEND LIVE! HEEL UTRECHT KAN JE HOREN ALS JE ER NU “HE*L H*TLER” UITFLAPT! DIT GAAT HELEMAAL MIS! DIT WORDT DE AFGANG VAN JE LEVEN!!’ Op het laatste hoorde ik alleen nog de kortsluiting in mijn frontaalkwab knetteren. Toen ze mijn gehakkel eindelijk overstemd hadden met een Gouwe Ouwe was ik reeds afgedaald in de Marianentrog, om daar mijn overmoed en vermeende nonchalance in totale duisternis te vervloeken.

Uitgaande van dit worst case scenario heb ik mezelf inmiddels de nodige mediatraining gegeven voor mijn gastoptreden in oktober. Goed instuderen, die spontaniteit! En de spiekbriefjes liggen al klaar. Maar ik vertrouw vooral op Plan B. Als me gevraagd wordt hoe dat nou VOELT, zo’n boek schrijven over een GEKKE MOEDER, en ik het antwoord niet mag oplezen, zal ik overgaan op een stevige La Tourette (‘VIEZEVUILEGORETERINGJAPPEEEEEEEEEEEN!!’), die later verklaard zal worden uit Tweede Generatieproblematiek (‘kampsyndroom’ klinkt zóveel literairder dan ‘verward’), waarna ik afrond met een perfect gesimuleerde psychose, om schuimbekkend en stuiptrekkend afgevoerd te worden en plaats te maken voor een gezellig item over Zaandamse vloggers die aan politie-huggen doen. Wedden dat ik de week daarop in Heel Holland Bakt zit?

De Marianentrog
Gewoon jezelf blijven

Het boek is af

Coef ligt in oktober in de winkel

Tot die tijd moeten jullie het doen met deze tevreden Rein en zijn verhalencollage. Dank voor het lezen van mijn schrijfsels en de vele schouderklopjes op Facebook! XR

Rein Hannik
Trots op zijn copyright tattoo

Baas der Illusies

Van Le Carafon

Hij is niet meer. Rany, baas en enig personeelslid van nachttent Le Carafon. Bezweken aan longkanker, terwijl hij al jaren geleden gestopt was. Dat krijg je er nu van.

Toen ik in lang vervlogen tijden nog nachtbraakte in Utrecht, kwam ik regelmatig in zijn tent terecht. Logischerwijs bijna, want Le Carafon ging pas open als gewone kroegen hun luiken sloten. Met dat enorme traliewerk voor het raam straalde het precies het Einde der Illusies uit waarin ik me thuis voelde met een slok op. Ook werd het gemeden door studentjes, en met hen de onuitstaanbare onbezorgdheid die de Domstad teistert. Le Carafon was Utrechts remise der zuiplappen.

De meeste stamgasten stamden net als Rany uit de Antillen of Suriname, waardoor de sfeer me aan het Katendrecht van begin jaren tachtig deed denken. Niet dat blanken weggestaard werden, of freaks weggehoond. Integendeel. Zo zat er vaak een roomblanke leernicht in vol ornaat aan de bar, met zijn maatje aan een hondenriem gedwee aan zijn zijde, beiden doodserieus aan hun borrel nippend, alsof drinken hun beroep was. Alcoholisten zijn zelden levensgenieters.

Maar eigenlijk was Rany dat zelf wel. Met zijn luide stem, bulderende lach en imposante fysiek had hij alles in zich om als herbergier-from-hell te figureren in een cultfilm. De hartelijkste nachtburgemeester denkbaar, een titel waarvoor hij overigens bedankte. But make no mistake. Le Carafon was zíjn kindje, en al dat gezuip verliep ordentelijk dankzij zijn zero tolerance. Als je met dronken kop beweerde dat je te weinig wisselgeld had teruggekregen, of als je mot kreeg met een van de stamgasten, werd je subiet de tent uitgekafferd. Gelukkig kwam dat zelden voor. Terwijl Stevie Ray Vaughan uit de speakers soleerde, zo knetterhard dat alleen Rany’s bulder er bovenuit kwam, kreeg je er even het gevoel dat Het Einde der Illusies slechts een illusie was.

Hoe stoer ik daar ook aan de bar hing, Rany noemde mij steevast ‘schatje’ omdat ik altijd zo vriendelijk tegen iedereen deed. Uit zijn mond klonk dat als een macho compliment. En iedere keer als ik daar de deur uitwaggelde met een loszittend shagje in de mondhoek, net voldoende in control om mijn decorum op te houden, en verwelkomd werd door een voorzichtig zonnetje, dan wist ik dat die luttele roofbouwuurtjes misschien tien jaar van mijn gezondheid hadden weggespoeld, maar dat ze me ooit nog eens een mooie herinnering zouden opleveren. Al was het maar doordat Rany’s tent de enige kroeg is geweest waarin ik nooit een laatste ronde heb meegemaakt.

Rany droomde altijd van een stukje land in Suriname. Die illusie is een droom gebleven. Wel zijn de stamgasten nog met de pet rondgegaan voor een andere wens van hem: een Mercedes CLK cabriolet. Daar rijdt hij nu in rond aan gene zijde. Met triomfantelijke bulder.

De opvolger, Le Carafon Next Generation, rekent vast op de oude klandizie. Mij zullen ze er niet treffen. Niet alleen omdat de stamvader niet meer is, ook omdat ik nu opsta op een uur dat ik vroeger uitging. Naarstig op zoek naar Het Begin der Illusies.

Le Carafon
Het Einde der Illusies

De onzichtbare mijlpalen

Van de levensfilm

Sommige mensen die ternauwernood aan de dood ontsnapt zijn, beweren dat ze de hoogtepunten van hun leven aan zich voorbij hebben zien flitsen. Een afscheidsgeschenk Gods? Sinds ik van het fenomeen kennis heb genomen loop ik erover te piekeren, want zo’n resumé van je bestaan roept de nodige vragen op.

Om te beginnen: wie bepaalt de keuze van de levensfragmenten? Mag je dat zelf, of liever gezegd je eigen onderbewustzijn, dat doen? Of haalt God razendsnel jouw greatest hits van de plank voor zo’n prematuur IM? Als God het voor ’t zeggen heeft is het maar de vraag of we naar die momenten moeten uitkijken, want Hij kiest geheid voor de beproevingen; de mislukkingen, de afwijzingen, de ontgoochelingen. Die hebben immers een mensch van je gemaakt.

Als we zelf mogen beslissen kiezen we natuurlijk voor onze dierbare herinneringen. Ik weet er wel een paar. Veilig op de bruinverbrande schouders van mijn vader in de branding van de Méditerranée. Die eerste echte vrijpartij in dat met zonlicht overgoten flatje. Mijn ex die zo hard om mijn rare grap moest lachen dat ze in haar broek pieste. Samen met de stiefkinderen gekke bekken trekken voor de webcam. En iedere ‘like’ die ik voor mijn schrijfsels heb gekregen en mijn zelfvertrouwen heeft gespekt. Voor een ander misschien restmateriaal van een commercial voor levensverzekeringen, voor mij onzichtbare mijlpalen die zich in me verankerd hebben.

Maar ik zit met meer vragen over het levensfilmpje. Zijn de flitsen net zo onbetrouwbaar als je geheugen dat is? Duurt de film langer als je eenmotorige vliegtuigje op tienduizend voet pech krijgt dan wanneer je plots door een tram geplet wordt? Kun je de kwaliteit van de beelden beïnvloeden door zo bijzonder mogelijk te leven? Worden zelfmoordenaars de flitsen onthouden omdat ze de kogel zelf afvuren? Krijgen blinden uitsluitend luisterfragmenten voorgeschoteld? (En hoe zit het dan met doofstomme blinden?) Zal een gesneuveld kindsoldaatje uitsluitend gruwelijke passages zien? Moet een geaborteerde foetus het doen met wat dia’s van de baarmoeder? Van die dingen.

Gelukkig zit ik er niet altijd over te piekeren. Want of er nu levensflitsen komen of niet, diep in mijn hart weet ik dat Het Einde een overweldigend gevoel van troost zal bieden. Dat is het enige waar wij stervelingen ‘recht’ op hebben, als we het ongevraagde cadeau dat Het Leven heet uit onze vingers laten flikkeren, als ware het een vettige lavalamp: de illusie dat onze fanfare in het aardse dal ergens goed voor geweest is. Om wat voor onuitspreekbare reden dan ook. Daar zijn geen greatest hits voor nodig – die bewaren we wel voor Facebook.

De onzichtbare mijlpalen
Het achterhoofd telt maar door

De zoen

En de tegenligger

Na echtscheiding en verhuizing staat ie op de derde plaats in de TOP 10 van dodelijke stressveroorzakers (CBS 1976): vakantie. Niet verwonderlijk dus dat die drie weken het slechtste in de mens naar boven halen. Althans, dat doen ze bij mij. Stikchagrijnig word ik ervan, dat gelanterfant in een land waar ze geen fatsoenlijk Nederlands spreken en je niet met guldens kan betalen. En dan dat godvergeten GENIETEN! Alsof het leven daarvoor bedoeld is!

Voor mijn ex-vriendinnen is vakantie vooral stressmaker nummer drie geworden dankzij mijn persoon. Zoals die arme P. Zij was mijn eerste echte relatie, had geen idee wat voor vlees ze in de kuip had toen we samen landjes gingen hoppen door Europa. In haar Eendje, begin jaren ’80. Oftewel B-weggetjes afwaggelen, poedelen in authentieke beekjes en kamperen waar dat ‘t minst mag.

Heel romantisch allemaal, maar na een week in een lekkend tentje word je toch behoorlijk met elkaars verbeterpuntjes geconfronteerd. Zo bleek P. erg gesloten. En ik erg extravert. Maar vooral ongenietbaar. Kicks zocht ik! Euforie! Meeslepend avontuur! Als P. zich aan mij ergerde, hield ze zich wijselijk in. Chagrijnige mannen zijn net mokkende kinderen, die moet je even laten.

Om wat stoom af te blazen mocht ik in Frankrijk achter het stuur kruipen. Ha! Ik zou haar eens laten zien hoe je met twee paardjes onder de kap heuvel-op vrachtwagens inhaalt! Sur le chemin! Nou lijkt het met zo’n opgerold canvas dak en luchtgekoeld motortje al snel alsof je door de geluidsbarrière knalt, maar ik bewees me een voorbeeldig coureur. Tot ik ons op een tweebaansweg naast een poids lourd gemanoeuvreerd had. Zo een die eindeloos lang blijkt. We kwamen er maar niet voorbij, hoeveel peentjes de paardjes en ik ook zweetten. Een monstertruck was het! Daarbij leek ie snelheid te maken om die rotHollanders eens een poepie te laten ruiken. En toen. Toen kwam die bocht. Met die tegenligger. Die de heuvel áf raasde. Mijn hart sloeg over, ik trapte het gaspedaal door de roestbodem heen, om daarna keihard op de rem stappen, waardoor het Eendje wild zwabberend en met gillende bandjes net op tijd achter de monstertruck terecht kwam.

Trillend zette ik de auto aan de kant. Zuchtte diep. Staarde naar mijn versleten gympen. Woedend was ik op mezelf. PUBER! schreeuwde het door mijn kop. MANNETJE! KAFFER! KLOOTZAK! En dat allemaal zonder kreukelzone, zonder gordels en zonder dak. Ook van P. verwachte ik de volle lading; ik had immers met haar leven gespeeld. Maar niets van dat al. Ze gaf me een zoen op mijn rechterwang. Zo teder, zo troostend, zo koesterend, dat de tranen me in de ogen schoten. Damn. Dat was wat ik al die tijd nodig had gehad. Ik hóefde van haar helemaal niet te genieten.

Die laatste twee weken van de vakantie heb ik genoten. Van het onverstaanbare Oostenrijks, het Italiaanse Monopolygeld en de Vlaamse zakkenrollers. En vooral van P. en de rust die ze uitstraalde. Maar met mij op vakantie is ze sindsdien niet meer gegaan.

De zoen
Europa hoppen met 80 per uur

Het mondkapje

Van de mondhygiëniste

‘Je gebit, dat is je uithangbord!’ Deze levenswijsheid werd ons thuis onder de neus gewreven, lang voordat we in de spiegel hadden leren kijken. Ik schrok er een beetje van, want mijn uithangbord hing wel heel erg in de picture. Een ivoren waaier leek het! Dus toen er om de hoek een orthodontist kwam wonen, lieten mijn ouders mijn overbite onmiddellijk in de beugels hijsen. Jarenlang moest ik slapen met zo’n plaatje dat aan je verhemelte plakte en naar oude mensen rook. Maar het resultaat mocht er wezen: nog voor mijn puberteit aanbrak was mijn waaier getransformeerd in een Macleans smile.

Zo veel complimentjes kreeg ik voor dat gebit dat ik reflexmatig grijnsde, ook als er weinig te grijnzen viel. Het gaf me een gevoel van macht, alsof ik een geheim wapen paraat hield achter mijn verlegen smoelwerk. Het zou ook mijn ego overeind houden toen ik jarenlang door acne geteisterd werd. En zo kon het dat er lang voor mijn ontmaagding een enorme flirt in mij ontwaakte. ‘Heeere’s Johnny!’ klonk het iedere keer in mijn hoofd als ik de kroeg toegrijnsde.

Dit allemaal tot grote ergernis van Moedertje Natuur. Die had me liever met mijn authentieke overbite laten rondlopen. Zo’n schoonheidsfoutje houdt een mens nederig. Toegegeven, hoeveel aandacht de Macleans me ook opleverde, relaties heb ik nooit niet langer dan een paar jaar kunnen volhouden. Altijd was er weer die onrust, die behoefte aan groener gras om mijn tanden in te zetten. Inmiddels ben ik de midlife gepasseerd en begint mijn inner Jack Nicholson een beetje pathetisch te klinken.

Daarbij heeft Moedertje Natuur me iets gegeven om me een toontje lager te laten zingen: parodontitis. Dat is een aandoening waardoor je tandvlees bij de geringste tandplak ontsteekt. Anders gezegd: als ik in de middeleeuwen geboren was, had ik nu met een kunstgebit gelopen (en zelfs dat niet). Gelukkig leven we in de Eeuw van de Mondhygiëniste! Al een kwart eeuw zoek ik haar elk kwartaal op, ook nu haar tandartsenpraktijk verkast is naar een dorp onder de rook van Utrecht. Uren ben ik kwijt aan wachten op streekbussen. Maar dan heb je ook wat. Bij iedere tandartscontrole kom ik glansrijk door de APK.

Maar ik ben niet alleen dol op mijn mondhygiëniste omdat ze haar werk zo goed doet. Ze is ook een ontzettend Fijn Mens. Zo iemand die je altijd complimentjes geeft, ook als je wat minder vlijtig geflost heb. Die je monsters meegeeft van vertegenwoordigers zodat je nooit meer dure tandpasta hoeft te kopen. Die op je wacht als je bus vertraging heeft of extra snel schrobt als je een bus moet halen. Ze waakt over mij. Of in ieder geval in mijn gebit.

Daarbij is zo’n schoonmaakbeurt voor mij een leerzaam moment. Want als ze met me bezig is, kan ik niet grijnzen of grapjes maken of over het leven tetteren. Dat halve uurtje ben ik de bescheidenheid zelve. Het is ook bij haar dat ik heb leren luisteren. Niet dat ze een flapuit is, maar in de loop der jaren heeft ze me een en ander toevertrouwd. Dat ze al iets van een kwart eeuw weduwe is. Dat ze drie kinderen in haar eentje heeft moeten opvoeden. Dat ze geen ruimte heeft gehad voor flirts, laat staan voor liefde. Tegen de zestig liep ze inmiddels, dus ik dacht wel eens: die is kansloos bij Cupido. Terwijl ik niet eens wist hoe ze er precies uitziet, omdat ze dat mondkapje altijd voor heeft.

Maar Moedertje Natuur neemt niet alleen, soms geeft ze wat. En nog somser geeft ze dat aan hen die dat ’t hardst verdienen. Zo vertelde mijn hygiëniste me een jaar geleden dat ze verkering heeft. Met een twintig jaar jongere vent nog wel liefst! Ze was de eerste om haar twijfels uit te spreken over de levensvatbaarheid van de relatie. Maar ze klonk zo enthousiast, zo vol vertrouwen. En met reden. Want het blijft aan. Het gaat goed. Ze is zelfs gaan samenwonen. En bij de laatste poetsbeurt meldde ze trots ze dat ze deze zomer nog in het huwelijksbootje stapt! Toen ik dát hoorde moest ik tijdens het spoelen even een traantje wegpinken.

Eenmaal buiten, wachtend bij de elektronische bushalte die altijd belooft dat de bus snel komt maar mij expres langer laat wachten (omdat dat een mens nederig houdt), onderzocht ik de oogst die ze me had toegestopt. Tandpasta, ragertjes, mondwater en… een mondkapje. Dat laatste was vast niet haar bedoeling geweest. Maar misschien wel die van Moedertje Natuur. Een hint dat ik me eens anders moet presenteren, dat ik een nieuwe profielfoto op Facebook moet plaatsen, met dat mondkapje vóór. Zodat mijn lezers die andere Rein eens leren kennen. Die er ook best wezen mag: bescheiden luisterend – als een gemuilkorfde Hannibal Lecter.

Het mondkapje
Cheese!

De noot en de dood

In de boekenwinkel

Het was de walnoot in mijn pennenbakje die me aan H. deed denken. H.-van-de-boekenwinkel. Samen met een kameraad runde hij een antiquariaat in het centrum. Dat deed ie dertig jaar lang, maar eigenlijk was hij vooral een anti-verkoper. Want klanten, daar had ie ’t land aan. Vréselijk volk vond ie dat. Domme vragen. Gezeur. Geplak. Liefst werd ie met rust gelaten, zodat hij de tienduizend boeken van zijn winkel kon herlezen, als het even kon met tienduizend glazen wijn binnen handbereik.

Toch was dat geplak deels aan hemzelf te wijten. Want H. kon enorm charmeren. Zijn onNederlandse gastvrijheid maakte het boekenwinkeltje tot magneet voor bibliofielen. Zo tegen sluitingstijd stroomde het vol intellectuelen die hun kennis der Letteren etaleerden; verkopfte, overjarige studenten die meer met boeken en schrijvers hadden dan met het leven waaruit die verhalen gedestilleerd waren. Ze ademden een lethargische passie uit.

Dan vond ik H. een aangename uitzondering. Alleen al omdat hij zo fysiek was. Op het liederlijke af zelfs. Een boomlange kerel die zoop als een Rus, rookte als een ketter en en passant de – bij voorkeur wat rijpere – dames het bed in praatte. H. leefde zoals hij dacht dat een schrijver dat doet. Omdat ik het winkeltje meed zijn we nooit vrienden geworden, maar als we elkaar troffen in de kroeg of op een feestje, klikte het alsof we samen opgegroeid waren. Kon hij lullen als Brugman, ik oreerde volgens hem als een predikant. Dat kwam bij mij binnen als een compliment.

H. had geen sterke persoonlijkheid. Bij de vierde fles wijn begon hij zich steevast in zijn gesmoorde ambitie te wentelen. Hij had schrijver willen worden maar was, zoals zoveel romantische lezers, meer absorbant dan scribent. Bovendien had hij ontzag voor Grote Namen. En was ie aartslui. Eén titel heeft hij eruit weten te persen. Geen Great Dutch Novel, wel een bescheiden werkje vol aardige anekdotes. Over klanten die domme vragen stellen, aan zijn kop zeuren en in de winkel blijven plakken.

Door dat imposante lichaam leek hij ondanks zijn alcoholisme onverwoestbaar. Dat was ie niet. Hij kreeg kanker. Toen bekend werd dat hij nog maar twee maanden te gaan had, besloot ik hem thuis op te zoeken. Dat voelde aanvankelijk wat onwennig, alsof ik een stamgast zonder decor van tap en kastelein had getroffen. Hij liep moeizaam met een stok vanwege uitzaaiingen in het bekken. Emmers vol morfine moest hij slikken tegen de pijn. Maar van zelfmedelijden was niets te bespeuren. Integendeel. H. weigerde zich van zijn stuk te laten brengen door de dood. ‘Ik kan het écht niet erg vinden om te sterven. Ik heb een mooi leven geleid, vol kunst en liefde.’ Die avond lulden we zoals we altijd geluld hadden. Zwarte grapjes, ongeloofwaardige verhalen en onbruikbare wijsheden. Hij praatte alsof ie op vakantie ging. Toen we afscheid namen vroeg ik of ik iets van hem ter herinnering mocht meenemen. Ik koos voor een stomme walnoot, zo een die zich maar niet laat kraken.

Wij onsterfelijken weten niet hoe het voelt om ter dood veroordeeld te zijn. Kunnen ons niet voorstellen hoe we ons zullen houden na het slechtnieuwsgesprek. Zo had niemand verwacht dat Bourgondiër H. met zijn zwak voor zwelgen zijn lot zó waardig zou dragen – of juist onwaardig, in de goede foute zin van het woord. Hij deed zich evenmin voor als een vechter, zo’n terminale die op posters gepresenteerd wordt als een krijger, met grimmige been-through-it-all-blik, alsof woekerende cellen een uitdaging zijn. H. had daadwerkelijk vrede met het tijdelijke. En hoezeer ik mij ook gezegend voel met de drive om mijn schrijfambities wél te verwezenlijken, soms zou ik al die Spartaanse ijver even willen verruilen voor de gekreupelde maar daarom niet minder zwierige wals die H. van zijn laatste twee maanden op aarde wist te maken.

De noot en de dood
De boekenwinkel

When Bambi got lynched

In the sequel

Het fijne aan renoveren is dat je tijdens het opruimen van je zooi op lang vergeten pareltjes uit je jeugd stuit. Zo trof ik deze aquarel uit de tijd dat ik nog Walt Disney wilde worden. De dynamiek was onmiskenbaar aanwezig, alleen de toon moest ik nog wat verfijnen. Wat een onverwachte sequel was dat geworden!

When Bambi got lynched
De passie van een kind

Rustiek

Versus herhaling

Dit is hem. Nee, niet dat watje bij de haard of die Louis de XIVe stoel… De vloer! Met die ruige doch warmbloedige, verweerde maar vooral doorleefde uitstraling. Zo natuurgetrouw! En zo nep, want laminaat. Natuurlijk zou ik liever een partij échte afgefikte watermolenplanken op de vloer van mijn pasgerenoveerde betonflatje leggen voor de beoogde landhuislook, maar dat mag niet van de woningbouwvereniging. En met deze Quickstep zal het evengoed een warm nest worden, waar ik mijn gasten kan voorlezen uit eigen werk.

Echter. Het probleem met laminaat is dat ik een probleem heb met laminaat. Niet omdat het nep is, maar omdat ik dat ook altijd kan zien. En zeker met dit ‘decor’ zoals dat heet. Want daar bestaan maar tien verschillende prints van. Dus tien verschillende plankjes. Dat weet ik zo precies omdat ik de fabrikant erover heb uitgehoord (tot ie de hoorn op de haak gooide). Dus ik weet nu ook al, dat als ik mijn gasten straks na de vossenjacht fêteer op een glaasje cognac en een verhaal afsteek over mijn wilde jaren als stroper, mijn blik steeds naar die vloer getrokken zal worden, WAAR IK HER EN DER VERSPREID ALLEMAAL IDENTIEKE PLANKJES ZIE LIGGEN DIE IK ER STUK VOOR STUK UIT WIL RUKKEN OM OP DE ELEKTRISCHE OPEN HAARD VAN MIJN RUSTIEKE LANDHUISFLATJE AAN GORT TE SLAAN!

Misschien ben ik toch meer iemand voor de rustieke betonlook.

Rustiek
Daar! Wéér dat patroon!