titels blogs

Blog

Het mondkapje

Van de mondhygiëniste

‘Je gebit, dat is je uithangbord!’ Deze levenswijsheid werd ons thuis onder de neus gewreven, lang voordat we in de spiegel hadden leren kijken. Ik schrok er een beetje van, want mijn uithangbord hing wel heel erg in de picture. Een ivoren waaier leek het! Dus toen er om de hoek een orthodontist kwam wonen, lieten mijn ouders mijn overbite onmiddellijk in de beugels hijsen. Jarenlang moest ik slapen met zo’n plaatje dat aan je verhemelte plakte en naar oude mensen rook. Maar het resultaat mocht er wezen: nog voor mijn puberteit aanbrak was mijn waaier getransformeerd in een Macleans smile.

Zo veel complimentjes kreeg ik voor dat gebit dat ik reflexmatig grijnsde, ook als er weinig te grijnzen viel. Het gaf me een gevoel van macht, alsof ik een geheim wapen paraat hield achter mijn verlegen smoelwerk. Het zou ook mijn ego overeind houden toen ik jarenlang door acne geteisterd werd. En zo kon het dat er lang voor mijn ontmaagding een enorme flirt in mij ontwaakte. ‘Heeere’s Johnny!’ klonk het iedere keer in mijn hoofd als ik de kroeg toegrijnsde.

Dit allemaal tot grote ergernis van Moedertje Natuur. Die had me liever met mijn authentieke overbite laten rondlopen. Zo’n schoonheidsfoutje houdt een mens nederig. Toegegeven, hoeveel aandacht de Macleans me ook opleverde, relaties heb ik nooit niet langer dan een paar jaar kunnen volhouden. Altijd was er weer die onrust, die behoefte aan groener gras om mijn tanden in te zetten. Inmiddels ben ik de midlife gepasseerd en begint mijn inner Jack Nicholson een beetje pathetisch te klinken.

Daarbij heeft Moedertje Natuur me iets gegeven om me een toontje lager te laten zingen: parodontitis. Dat is een aandoening waardoor je tandvlees bij de geringste tandplak ontsteekt. Anders gezegd: als ik in de middeleeuwen geboren was, had ik nu met een kunstgebit gelopen (en zelfs dat niet). Gelukkig leven we in de Eeuw van de Mondhygiëniste! Al een kwart eeuw zoek ik haar elk kwartaal op, ook nu haar tandartsenpraktijk verkast is naar een dorp onder de rook van Utrecht. Uren ben ik kwijt aan wachten op streekbussen. Maar dan heb je ook wat. Bij iedere tandartscontrole kom ik glansrijk door de APK.

Maar ik ben niet alleen dol op mijn mondhygiëniste omdat ze haar werk zo goed doet. Ze is ook een ontzettend Fijn Mens. Zo iemand die je altijd complimentjes geeft, ook als je wat minder vlijtig geflost heb. Die je monsters meegeeft van vertegenwoordigers zodat je nooit meer dure tandpasta hoeft te kopen. Die op je wacht als je bus vertraging heeft of extra snel schrobt als je een bus moet halen. Ze waakt over mij. Of in ieder geval in mijn gebit.

Daarbij is zo’n schoonmaakbeurt voor mij een leerzaam moment. Want als ze met me bezig is, kan ik niet grijnzen of grapjes maken of over het leven tetteren. Dat halve uurtje ben ik de bescheidenheid zelve. Het is ook bij haar dat ik heb leren luisteren. Niet dat ze een flapuit is, maar in de loop der jaren heeft ze me een en ander toevertrouwd. Dat ze al iets van een kwart eeuw weduwe is. Dat ze drie kinderen in haar eentje heeft moeten opvoeden. Dat ze geen ruimte heeft gehad voor flirts, laat staan voor liefde. Tegen de zestig liep ze inmiddels, dus ik dacht wel eens: die is kansloos bij Cupido. Terwijl ik niet eens wist hoe ze er precies uitziet, omdat ze dat mondkapje altijd voor heeft.

Maar Moedertje Natuur neemt niet alleen, soms geeft ze wat. En nog somser geeft ze dat aan hen die dat ’t hardst verdienen. Zo vertelde mijn hygiëniste me een jaar geleden dat ze verkering heeft. Met een twintig jaar jongere vent nog wel liefst! Ze was de eerste om haar twijfels uit te spreken over de levensvatbaarheid van de relatie. Maar ze klonk zo enthousiast, zo vol vertrouwen. En met reden. Want het blijft aan. Het gaat goed. Ze is zelfs gaan samenwonen. En bij de laatste poetsbeurt meldde ze trots ze dat ze deze zomer nog in het huwelijksbootje stapt! Toen ik dát hoorde moest ik tijdens het spoelen even een traantje wegpinken.

Eenmaal buiten, wachtend bij de elektronische bushalte die altijd belooft dat de bus snel komt maar mij expres langer laat wachten (omdat dat een mens nederig houdt), onderzocht ik de oogst die ze me had toegestopt. Tandpasta, ragertjes, mondwater en… een mondkapje. Dat laatste was vast niet haar bedoeling geweest. Maar misschien wel die van Moedertje Natuur. Een hint dat ik me eens anders moet presenteren, dat ik een nieuwe profielfoto op Facebook moet plaatsen, met dat mondkapje vóór. Zodat mijn lezers die andere Rein eens leren kennen. Die er ook best wezen mag: bescheiden luisterend – als een gemuilkorfde Hannibal Lecter.

Het mondkapje
Cheese!

De noot en de dood

In de boekenwinkel

Het was de walnoot in mijn pennenbakje die me aan H. deed denken. H.-van-de-boekenwinkel. Samen met een kameraad runde hij een antiquariaat in het centrum. Dat deed ie dertig jaar lang, maar eigenlijk was hij vooral een anti-verkoper. Want klanten, daar had ie ’t land aan. Vréselijk volk vond ie dat. Domme vragen. Gezeur. Geplak. Liefst werd ie met rust gelaten, zodat hij de tienduizend boeken van zijn winkel kon herlezen, als het even kon met tienduizend glazen wijn binnen handbereik.

Toch was dat geplak deels aan hemzelf te wijten. Want H. kon enorm charmeren. Zijn onNederlandse gastvrijheid maakte het boekenwinkeltje tot magneet voor bibliofielen. Zo tegen sluitingstijd stroomde het vol intellectuelen die hun kennis der Letteren etaleerden; verkopfte, overjarige studenten die meer met boeken en schrijvers hadden dan met het leven waaruit die verhalen gedestilleerd waren. Ze ademden een lethargische passie uit.

Dan vond ik H. een aangename uitzondering. Alleen al omdat hij zo fysiek was. Op het liederlijke af zelfs. Een boomlange kerel die zoop als een Rus, rookte als een ketter en en passant de – bij voorkeur wat rijpere – dames het bed in praatte. H. leefde zoals hij dacht dat een schrijver dat doet. Omdat ik het winkeltje meed zijn we nooit vrienden geworden, maar als we elkaar troffen in de kroeg of op een feestje, klikte het alsof we samen opgegroeid waren. Kon hij lullen als Brugman, ik oreerde volgens hem als een predikant. Dat kwam bij mij binnen als een compliment.

H. had geen sterke persoonlijkheid. Bij de vierde fles wijn begon hij zich steevast in zijn gesmoorde ambitie te wentelen. Hij had schrijver willen worden maar was, zoals zoveel romantische lezers, meer absorbant dan scribent. Bovendien had hij ontzag voor Grote Namen. En was ie aartslui. Eén titel heeft hij eruit weten te persen. Geen Great Dutch Novel, wel een bescheiden werkje vol aardige anekdotes. Over klanten die domme vragen stellen, aan zijn kop zeuren en in de winkel blijven plakken.

Door dat imposante lichaam leek hij ondanks zijn alcoholisme onverwoestbaar. Dat was ie niet. Hij kreeg kanker. Toen bekend werd dat hij nog maar twee maanden te gaan had, besloot ik hem thuis op te zoeken. Dat voelde aanvankelijk wat onwennig, alsof ik een stamgast zonder decor van tap en kastelein had getroffen. Hij liep moeizaam met een stok vanwege uitzaaiingen in het bekken. Emmers vol morfine moest hij slikken tegen de pijn. Maar van zelfmedelijden was niets te bespeuren. Integendeel. H. weigerde zich van zijn stuk te laten brengen door de dood. ‘Ik kan het écht niet erg vinden om te sterven. Ik heb een mooi leven geleid, vol kunst en liefde.’ Die avond lulden we zoals we altijd geluld hadden. Zwarte grapjes, ongeloofwaardige verhalen en onbruikbare wijsheden. Hij praatte alsof ie op vakantie ging. Toen we afscheid namen vroeg ik of ik iets van hem ter herinnering mocht meenemen. Ik koos voor een stomme walnoot, zo een die zich maar niet laat kraken.

Wij onsterfelijken weten niet hoe het voelt om ter dood veroordeeld te zijn. Kunnen ons niet voorstellen hoe we ons zullen houden na het slechtnieuwsgesprek. Zo had niemand verwacht dat Bourgondiër H. met zijn zwak voor zwelgen zijn lot zó waardig zou dragen – of juist onwaardig, in de goede foute zin van het woord. Hij deed zich evenmin voor als een vechter, zo’n terminale die op posters gepresenteerd wordt als een krijger, met grimmige been-through-it-all-blik, alsof woekerende cellen een uitdaging zijn. H. had daadwerkelijk vrede met het tijdelijke. En hoezeer ik mij ook gezegend voel met de drive om mijn schrijfambities wél te verwezenlijken, soms zou ik al die Spartaanse ijver even willen verruilen voor de gekreupelde maar daarom niet minder zwierige wals die H. van zijn laatste twee maanden op aarde wist te maken.

De noot en de dood
De boekenwinkel

When Bambi got lynched

In the sequel

Het fijne aan renoveren is dat je tijdens het opruimen van je zooi op lang vergeten pareltjes uit je jeugd stuit. Zo trof ik deze aquarel uit de tijd dat ik nog Walt Disney wilde worden. De dynamiek was onmiskenbaar aanwezig, alleen de toon moest ik nog wat verfijnen. Wat een onverwachte sequel was dat geworden!

When Bambi got lynched
De passie van een kind

Rustiek

Versus herhaling

Dit is hem. Nee, niet dat watje bij de haard of die Louis de XIVe stoel… De vloer! Met die ruige doch warmbloedige, verweerde maar vooral doorleefde uitstraling. Zo natuurgetrouw! En zo nep, want laminaat. Natuurlijk zou ik liever een partij échte afgefikte watermolenplanken op de vloer van mijn pasgerenoveerde betonflatje leggen voor de beoogde landhuislook, maar dat mag niet van de woningbouwvereniging. En met deze Quickstep zal het evengoed een warm nest worden, waar ik mijn gasten kan voorlezen uit eigen werk.

Echter. Het probleem met laminaat is dat ik een probleem heb met laminaat. Niet omdat het nep is, maar omdat ik dat ook altijd kan zien. En zeker met dit ‘decor’ zoals dat heet. Want daar bestaan maar tien verschillende prints van. Dus tien verschillende plankjes. Dat weet ik zo precies omdat ik de fabrikant erover heb uitgehoord (tot ie de hoorn op de haak gooide). Dus ik weet nu ook al, dat als ik mijn gasten straks na de vossenjacht fêteer op een glaasje cognac en een verhaal afsteek over mijn wilde jaren als stroper, mijn blik steeds naar die vloer getrokken zal worden, WAAR IK HER EN DER VERSPREID ALLEMAAL IDENTIEKE PLANKJES ZIE LIGGEN DIE IK ER STUK VOOR STUK UIT WIL RUKKEN OM OP DE ELEKTRISCHE OPEN HAARD VAN MIJN RUSTIEKE LANDHUISFLATJE AAN GORT TE SLAAN!

Misschien ben ik toch meer iemand voor de rustieke betonlook.

Rustiek
Daar! Wéér dat patroon!

De zielenrover

Met vetorecht

Als we de miljarden selfies op Facebook zouden moeten geloven, leidt iedereen een verschrikkelijk interessant en dynamisch bestaan. Een huiveringwekkend idee eigenlijk, al die manische positiviteit. En een aperte leugen. Want de mens moet hard knokken voor zijn dagelijkse portie geluk.

Maar vroeger, lang voordat de selfie was uitgevonden, belazerden we de kluit ook al. In de fotoautomaat. Dat was een selfiemaker pur sang, want je werd niet gekiekt met een coole party, statige Eiffeltoren of gemartelde gevangene op de achtergrond. Je moest er zélf wat van maken. Wel kreeg je carte blanche, zelfs als het voor een paspoort was. Zolang je er maar met één oor op stond en geen Lou Reed-zonnebril droeg, kon jezelf zo presenteren als je je voelde: filosofisch, macho, sexy of quasi nonchalant. De fotoautomaatkiekjes dropen van de authenticiteit. Althans, dat vonden we zelf.

Hoe anders zijn die automaten van tegenwoordig! Ze leggen je vast als een mugshot van een RAF-terrorist. Dat komt doordat zo’n apparaat precies weet welke eisen er gesteld worden aan een pasfoto. Én hij vetorecht heeft. Bij iedere opname bepaalt hij en hij alleen of jij er paspoortwaardig op staat. Dat is niet snel het geval. Je moet hoger zitten, rechter kijken, oppervlakkiger ademhalen. En vooral: NIET LACHEN. Steeds geeft ie je tegenstrijdige en vooral cryptische aanwijzingen, om na iedere klik weer meewarig de lens te schudden. Tot hij je uitgeput heeft. Dan flitst ie je zo ongenadig hard dat je een week later nóg met röntgenogen ronddwaalt. En spuugt ie eindelijk je mugshot uit.

Ik vermoed dat het die automaat helemaal niet om jouw perfecte paspoortsmoel te doen is. Dat hij op iets anders aast. Op je ziel. Ik denk dat hij je wil vereeuwigen zoals jij werkelijk bent. En dat is het allerlaatste wat jij van jezelf wilt zien. De fotoautomaat maakt de foto die je nooit op Facebook zal zetten. Doodzonde, want zo weet niemand wat voor beroerd leven je eigenlijk leidt. En loop jij al die herkenning mis! Facebook zou ons moeten verplichten om de pasfoto als profielfoto te gebruiken. Zodat we de wereld met z’n allen een beetje minder leuk kunnen maken. Wat zou dat een opluchting zijn.

De zielenrover
Zoek de ware Rein

Kitchen of Fame

In een doortochtflatje

In afwachting van de roem die mij ten deel zal vallen als schrijver, heb ik mijn keukenvloer laten egaliseren opdat ik van mijn handen – en van een bepaald orgaan – een afdruk kan achterlaten in mijn flatje, dat na mijn verscheiden zal uitgroeien tot bedevaartsoord.

leesbarenaamfoto
Klaar voor de Eeuwigheid

Woongenot is een keuze

Met de crematorium-look

Graag even uw likes voor mijn spiksplinternieuwe inrichting. Heb ik wel verdiend. Zoals u ziet heb ik gekozen voor een strakke maar stemmige ambiance, waarbij zwartlederen zitcomfort, haagbeuken laminaat en asgrijze vitrages warmte en verdieping krijgen dankzij een nauwlettend gecomponeerde foto-impressie van watervallen en een salontafel vervaardigd van duurzaam tropisch hardhout. Ook heb ik me laten verleiden een televisie aan te schaffen (uiteraard in gelijksoortige stijl), om meer verbinding met de maatschappij te voelen. Home is where the heart is!

Hoe graag had ik dit stukje zo willen beginnen. Helaas. This is not my beautiful house. Ik leef in een leugen. Waar ik over een week alweer uit moet. Het is een zogeheten logeerwoning, waarin ik moet bivakkeren tot mijn eigen flat opgeknapt is. Alsof dat iets zal helpen.

Want waar ik ook woon, altijd oogt mijn thuis alsof er net is ingebroken. En zelfs dat niet. Komt allemaal door mijn voorkeur voor pragmatische inrichting. Lees: troosteloze meuk die je bij het grofvuil van een TBS-kliniek verwacht. Die neiging naar ongezelligheid is een keuze, zo maak ik mezelf graag wijs. In een huis dat zijn best doet zou ik me ongemakkelijk voelen. ‘Als het maar werkt’ is mijn devies. ‘Je woont in een werkhok!’ verzuchtte mijn ex toen ze na een weekendje logeren toch wel erg opgelucht was dat ze weer mocht vertrekken. Ze bedoelde natuurlijk ‘woonstudio’. Omdenken, dat geeft zoveel gemoedsrust.

Maar niet voldoende. Want de enkele keer dat er een loodgieter over de vloer komt of de laatste Jehova’s getuige zijn voet tussen de deur wringt, staat het schaamrood me op de kaken. ‘Ja, ik ben aan het opknappen,’ begin ik dan ongevraagd, ‘de vorige bewoners hebben het compleet uitgewoond!’ Vrienden ontvang ik zelden aan huis. Liever maak ik een afspraak in het café, waar ze de leuke Rein treffen, in plaats van de manisch typende mood swinger die ‘IS HET HIER GODVERDOMME NOG NIET GEZELLIG GENOEG!’ brult als zijn ex een kaarsje wil aansteken. Terwijl mijn flat volgens haar zó’n potentieel heeft. Zeeën van ruimte! Schitterend uitzicht op het kanaal! Fonkelende lichtinval!

Dus. Genoeg is genoeg. Over een week gaat het roer om. Dan moet en zal ik aarden, voor het eerst in veertig jaar. Sterker, van de woningbouwvereniging heb ik al nieuwe keukenkastjes moeten uitzoeken. En een beukenhouten aanrechtblad. En kekke douchetegels. Mijn gezelligheidsdetector sloeg uit alsof ik lamellen ophing in de living van Tsjernobyl. Jammer dan. Ditmaal zet ik door. Groots genieten ga ik van mijn nieuwe thuis. ‘Het begint al!’ hoor ik Kamagurka’s Bert zeggen.

Voor nu echter mag ik nog even mijzelf zijn in deze logeerwoning. Woonideeën opdoen. En smullen van de dure chocolade die de woningbouwvereniging heeft achtergelaten om de verbannen bewoner welkom te heten. Merci! Niet dat ik gepaaid hoefde te worden, want ik voelde me direct thuis in de crematorium-look. Alsof ik een woonmagazine ben binnengestapt, of andermans bestaan heb gekaapt. Niets dat me aan mijn eigen leven herinnert! Er hangt zelfs een onpersoonlijk luchtje. Zouden er spuitbussen bestaan met Neutrale Mensengeur, zoals ze ook nieuwe auto’s allemaal hetzelfde luchtje meegeven?

Woongenot is een keuze
Het begint al!

De stofzuigers

Van Sjors

‘NNN*UKENNNN!!’ gromde Sjors boven het zoveelste fluitje Heineken, zijn snijtanden ontblotend. Behoorlijk dreigend klonk dat, terwijl deze veertiger met zijn corduroy jasje, Rien Poortvlietsikje en dwars gekamde haar toch vooral op een leraar biologie leek. Het waren zijn ogen die afweken. Die loerden de kroeg rond als een roofdier. Niet op zoek naar iets neukbaars, maar naar iets provoceerbaars; een studentje met bekakte praatjes of een koppelbaas met sterke verhalen. Stuk voor stuk werden ze door hem op de korrel genomen. Niemand had zo’n grote lulkoekdetector als Sjors.

Zijn geld verdiende hij met olieboren in Arabië. Dat deed ie een paar maanden non-stop om er dan de rest van het jaar op te teren. In onze stamkroeg om precies te zijn. Daar zoop hij alle fluitjes op die er in het fust zaten. Toch, zat heb ik hem nooit zien worden. Sjors had geen kwade dronk nodig voor zijn misantropie.

Waarom ik hem mocht weet ik niet meer precies. Misschien omdat hij de enige van het meubilair was die nooit sociaal wenselijk probeerde te doen. Of omdat ik een oudere broer in hem vermoedde. Waarom Sjors mij mocht weet ik ook niet meer precies. Misschien omdat ik de enige stamgast was die wel eens een normaal gesprek met hem aanknoopte. Dan liet hij iets doorschemeren van de doodeenzame ziel die er achter dat sarcasme schuilging. Scheelden we meer dan twintig jaar, als we samen aan de toog hingen leken we overlevenden van eenzelfde disfunctionele familie.

Zo tegen sluitingstijd liet Sjors steevast een taxi bellen. Bestemming: Katendrecht. Want dat NNN*UKENNN!! deed ie natuurlijk niet met een vriendin, maar bij de hoeren. Eenmaal vroeg hij me mee naar de Kaap. Niet om van bil te gaan, daar was ik veel te bleu voor, maar voor een afzakkertje. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Als enige kaaskoppen belandden we in een pikdonkere Surinaamse kroeg. Was grootverbruiker Sjors hun roomblanke mascotte, ikzelf voelde me minder op mijn gemak, en probeerde die angst te overschreeuwen door de loftrompet af te steken over mijn held Chuck Berry - getetter dat normaal gesproken direct door Sjors op de korrel genomen zou worden. Maar toen mijn bravoure niet gewaardeerd werd door de clientèle en er zelfs iemand met me op de vuist wilde, hoefde Sjors slechts te grommen om de gemoederen te bedaren. We zijn heelhuids thuis gekomen.

Bij Sjors wel te verstaan. Hij had een tweekamerappartementje op de Brielselaan, zo mogelijk nog deprimerender dan mijn eigen schimmelhok in Oud West. En zo apart. Nog voordat ik dronken op zijn sofa in coma viel vroeg ik hem waarom hij in godsnaam beide kamers een stofzuiger in aanslag had staan. ‘Dan hoef ik minder moeite te doen,’ antwoordde hij met een blik alsof ik naar de allerbekendste weg vroeg. Zulk een rücksichtslos doorgevoerd pragmatisme maakte een onuitwisbare indruk op me.

Nu ik mijn sporen had verdiend als kroegpuppy vroeg hij me ook een keer voor een klus. Samen met wat andere stamgasten auto’s van A naar B rijden. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Rillend van de katerpaniek zat ik de volgende dag achter het stuur, me bij iedere af te leggen meter afvragend of de auto gestolen was, hoeveel lijken en drugs er in de kofferbak lagen, of ik nog te veel alcohol in mijn bloed had en of je al rijdend een blackout kon krijgen. Helemaal niets gebeurde er. En toen ik een paar uur later een zakje zwarte centen in mijn knuist gedrukt kreeg in het crimineelste café van de Brielselaan, voelde ik me bijna een Sjors jr.

Onze stamkroeg sloot voorgoed haar deuren. Ik verloor Sjors uit het oog. Pas jaren later trof ik hem in een nieuwbakken bruin café te IJsselmonde. Hij ontblootte onmiddellijk zijn geelgerookte roofdiertanden. Wat een weerzien! Maar wat zag hij er… apart uit. Zijn dwarsgekamde haardos was gereduceerd tot enkele slierten, zijn wolvenogen staarden flets voor zich uit. Hij nipte aan zijn fluitje in plaats van het achterover te klokken. Olie boren, daar deed hij niet meer aan. Naar de hoeren ging ie evenmin meer. Hij woonde nu samen. Met een vrouw die carrière maakte. Ware liefde! Misschien had hij daarom geen zin om met haar te NNN*UKENNN!! Ik knikte begripvol. Bestelde nog een fluitje voor hem, wenste hem alle lust van de wereld en verdween voorgoed uit zijn leven.

Een Sjors geworden ben ik niet, al vermoed ik ergens een fanatiek olieboorder en notoir hoerenlopen deep down inside of me. En als ik nu foto’s van Sjors bekijk flitst het wel eens door me heen dat hij misschien vooral een triest geval was, een barfly die zijn levenslust verloor toen hij probeerde te aarden. Maar ik pas voor dat soort tijdreisarrogantie. Voor mij blijft Sjors de enige kroegwolf die twee stofzuigers in aanslag had. En gezegend was met de grootste lulkoekdetector van Rotterdam Zuid.

De stofzuigers
Sjors on a roll

De FEBO-man

Van Central Park

Central Park, New York City, ergens halverwege jaren negentig. Op een bankje zat ik, in het vroege ochtendzonnetje met mijn pocketboekje. Mijn maat lag zijn roes uit te slapen in het vlooienhotelletje, maar ik moest van mezelf zo nodig genieten. Ik zat er helemaal klaar voor, in dat zonnetje met dat boekje. Het begint al! hoorde ik mezelf iedere tien seconden denken.

Nadat ik een kwartier krampachtig in mijn boekje gestaard had kwam er een man aanlopen. Jaar of veertig was ie, rasta-look, relaxte glimlach en kuierende pas. Dat was pas iemand die genieten kon! Hij hield in toen hij mij zag zitten. Keek me opeens aan met doordringende blik – de target lock van een roofdier! flitste het door me heen. Snel drukte ik mijn neus weer in het boekje. Terwijl ik me nog zo voorgenomen had om aan mijn wantrouwende natuur te werken!

Gelukkig had hij minder last van vooroordelen. Hij sprak me aan over de Martin Amis die ik aan het lezen was, Money getiteld. We raakten in gesprek over literatuur, over het verschil tussen Engelse en Amerikaanse literatuur, het leven in The Big Apple en andere cultuurdingetjes. Hij was een bereisd man. Kende Utrecht, wist zelfs van de beruchte FEBO snackautomaat. Na een half uur kletsen nam zijn verhaal een trieste wending. Hij kampte met acute geldproblemen. Of ie een tientje van me kon lenen. Voor een paar uur, dan zou zijn broer terug zijn en kon hij het mij terugbetalen.

Ik keek hem nog eens goed aan. Wantrouwend als ik mag lijken (thuis krijgen collecteurs van het Kankerfonds geheid een taser op hun bus), dicht ik mezelf toch vooral mensenkennis toe. Een zesde zintuig voor authenticiteit zeg maar. Zo’n detail als die FEBO, dat verzin je niet! Ik WIST gewoon dat deze man deugde. Trok mijn portemonnee, wilde er tien dollar-biljet uit trekken, aarzelde even, pakte een twintigje, om dat weer terug te stoppen en uiteindelijk vijftig dollar tevoorschijn te toveren. Ik gaf hem het geld met een relaxte glimlach. Zei dat ie me die middag om vijf uur in de kroeg bij mijn hotel café kon vinden. Zóveel vertrouwen had ik in hem. En in mijn zintuig.

De man moest even slikken. Hij bedankte me, stak het biljet bij zich en vervolgde zijn pad, om zich nog even om te draaien en twee duimen omhoog te steken. Ha! Het genoegen was geheel mijnerzijds. Ik kon weer genieten van het zonnetje, en vooral van mijzelf. Dit was nou wat ze bedoelden met making a difference! Ik had iemands vertrouwen in de mensheid hersteld!

Uurtje later trof ik mijn maat in de kroeg bij het hotel. Vertelde hem mijn verhaal met enige terughoudendheid, want verwachtte de nodige scepsis en wilde dat goede gevoel nog even vasthouden. Pas na lang doorzeuren wist hij me de details te ontfutselen. ‘Vijftig dollar? VIJFTIG DOLLAR!? JIJ HEBT EEN WILDVREEMDE VIJF-TIG DOL-LAR GELEEND?!’ Zó hard moest hij lachen dat ie bijna de kroeg werd uitgezet. Vijftig dollar! Hij bleef maar doorhinniken, zeker toen ik nog even over die FEBO begon. Een loeiende cash cow, dat was ik! Zo een die de staart opsteekt om eens goed genaaid te worden! Ik mompelde iets over een zesde zintuig en bestelde boos een biertje. Maar toen de klok eenmaal vijf uur geslagen had werd ik toch wat onrustig. Kwartiertje vingertrommelen later trok ik wit weg. Om half zes werd ik zo stil dat mijn maat bijna medelijden kreeg. Geen rasta te bekennen.

Gods wegen wegen zijn echter ondoorgrondelijk, om maar niet te spreken van onzorgvuldig, zo zou een paar dagen later blijken toen mijn reisgenoot wat traveller’s cheques inwisselde bij een bank. Direct nadat hij de transactie voltooid had siste hij mij in de mijn oor: ‘Wegwezen hier!’ Drie blokken snelwandelen verderop legde hij me uit wat er aan de hand was. De bankemployee had hem – je verzint het niet – honderd dollar te veel uitbetaald. Honderd dollar! Goddelijke interventie! ‘Maar,’ wierp ik tegen met een frons, ‘moet dat straks niet uit de zak van die slordige bankemployee komen? Of erger: wordt ie nou niet ontslagen? Zijn huis uit gezet? Central Park in gejaagd!?’ Welnee. Volgens mijn maat was het risico geheel voor de bank. En hij kon dat weten, want had ooit bij het grenswisselkantoor gewerkt. ‘Werd je daar niet ontslagen?’ probeerde ik nog. ‘Niet zeuren!’ was het antwoord. Ik hield mijn smoel al, zeker toen hij me een vijftig dollar-biljet toestopte. Pleister op mijn hevig bloedende zelfdunk.

Uitgegeven heb ik het biljet nooit, al brandt het soms in mijn zak. Het voelt als behekst. Steeds als ik het in de bus van de kankercollectant wil stoppen, gaat er een alarmbel af in mijn kop. Want wij stervelingen mogen dan graag een verschil willen maken, Onze Lieve Heer is toch vooral van het natuurlijk evenwicht. Geheid dat als ik die vrijwilliger de dag van zijn leven bezorg, er elders op aarde iemand luid loeiend genaaid wordt.

De FEBO-man van Central Park
Iedere gelijkenis met de persoon op de foto berust op louter toeval. Grapjes worden niet op prijs gesteld.

De anarchist

En zijn geheim

Iedere keer als het treinverkeer lam ligt denk ik even aan Leo. Dat is nogal eens het geval, terwijl ik Leo maar eenmaal ontmoet heb. Op de slotavond van mijn stamkroeg in Rotterdam–Zuid. Leo was een twee meter lange gozer in een veel te nieuw spijkerpak achter zo’n meekleurende bril die je een ziekelijke oogopslag geeft. Hij hield zijn schouders opgetrokken en huiverde steeds, alsof hij zich chronisch onbehaaglijk voelde.

Hij vertelde me dat ie, net als ik, vegetariër was. Niet omdat hij zo van dieren hield, maar omdat ie het een smerig idee vond om dierenlijken te eten. Dat sprak me wel aan, deze lugubere variant! Dus toen de kroeg haar deuren sloot, ging ik op zijn uitnodiging in om bij hem nog een pintje te vatten.

Zijn huis was een vrijstaand kraakpand aan het spoor en bestond bijna geheel uit een werkplaats volgestouwd met elektronica, met in een hoekje een slaapzak en een koffiezetapparaat. Leo was specialist op het gebied van plus & min, zo vertrouwde hij me toe, en werd door de Spoorwegen regelmatig ingeschakeld bij complexe problemen. Daar verdiende hij zijn geld mee. Maar zijn passie lag elders.

Hij was namelijk anarchist. Het ontregelen van de maatschappij, dat was zijn ding. Afbreken die corrupte structuren! Ik keek er niet van op, want eind jaren zeventig beweerde zo’n beetje iedere snotneus dat. Alleen was Leo helemaal niet punk. Hij was een échte anarchist – zo een die erover nadacht! En belangrijker: hij had een boek liggen waarin uitgelegd werd hoe je een bom kon maken. Tegenwoordig weet zo’n beetje ieder huishouden-met-internetaansluiting dat wel, toentertijd moest je voor zo’n handboek heel wat tweedehandsboekenkrochten afstruinen en tussen de Mein Kampfs grabbelen. Het was de eerste keer dat ik even slikken moest.

Leo had een lading hasj liggen, want dat ontregelde natuurlijk ook. Hij stopte zijn waterpijp vol en ik lurkte stoer mee, al kon ik eigenlijk niet goed tegen een ontregeld brein. En door dat bommenboek zat ik er niet echt ontspannen meer bij. Leo evenmin. Hij zei dat ie ergens enorm mee zat, zonder te willen vertellen waarmee. Steeds als ik er naar vroeg, trok hij zijn schouders op en huiverde hij. Waardoor ik het nog meer op mijn heupen kreeg. Zou ie wat crimineels op zijn lever hebben? Iemand koud gemaakt hebben, met een elektrische stoel? Mensenvlees eten? De Spoorwegen willen opblazen? Hoe langer ik naar die zelfkleurende bril keek, hoe meer ik een psychopaat zag zitten. Ik probeerde in te schatten of de deur elektronisch vergrendeld was en de ramen onder stroom stonden.

Pas toen er een liter klamzweet over mijn ruggenwervels gegutst was, kwam het hoge woord eruit. Hij was homo, en dan zo een die uitsluitend op hetero’s valt. Ik weet niet meer of ik opgelucht was, of teleurgesteld. Want hoe vaak ontmoet je iemand die Het Systeem wil opblazen? Ik wees hem vriendelijk af, want zelf zo’n hetero die niet op homo’s valt. Maar sinds die nacht denk ik iedere keer als er ergens een trein strandt vanwege een ‘technisch defect’, dat Leo opnieuw afgewezen is. En hij het Systeem even wil laten voelen dat hij tot veel meer in staat is…

De anarchist
Een man met een geheim