titels blogs

Blog

De zielenrover

Met vetorecht

Als we de miljarden selfies op Facebook zouden moeten geloven, leidt iedereen een verschrikkelijk interessant en dynamisch bestaan. Een huiveringwekkend idee eigenlijk, al die manische positiviteit. En een aperte leugen. Want de mens moet hard knokken voor zijn dagelijkse portie geluk.

Maar vroeger, lang voordat de selfie was uitgevonden, belazerden we de kluit ook al. In de fotoautomaat. Dat was een selfiemaker pur sang, want je werd niet gekiekt met een coole party, statige Eiffeltoren of gemartelde gevangene op de achtergrond. Je moest er zélf wat van maken. Wel kreeg je carte blanche, zelfs als het voor een paspoort was. Zolang je er maar met één oor op stond en geen Lou Reed-zonnebril droeg, kon jezelf zo presenteren als je je voelde: filosofisch, macho, sexy of quasi nonchalant. De fotoautomaatkiekjes dropen van de authenticiteit. Althans, dat vonden we zelf.

Hoe anders zijn die automaten van tegenwoordig! Ze leggen je vast als een mugshot van een RAF-terrorist. Dat komt doordat zo’n apparaat precies weet welke eisen er gesteld worden aan een pasfoto. Én hij vetorecht heeft. Bij iedere opname bepaalt hij en hij alleen of jij er paspoortwaardig op staat. Dat is niet snel het geval. Je moet hoger zitten, rechter kijken, oppervlakkiger ademhalen. En vooral: NIET LACHEN. Steeds geeft ie je tegenstrijdige en vooral cryptische aanwijzingen, om na iedere klik weer meewarig de lens te schudden. Tot hij je uitgeput heeft. Dan flitst ie je zo ongenadig hard dat je een week later nóg met röntgenogen ronddwaalt. En spuugt ie eindelijk je mugshot uit.

Ik vermoed dat het die automaat helemaal niet om jouw perfecte paspoortsmoel te doen is. Dat hij op iets anders aast. Op je ziel. Ik denk dat hij je wil vereeuwigen zoals jij werkelijk bent. En dat is het allerlaatste wat jij van jezelf wilt zien. De fotoautomaat maakt de foto die je nooit op Facebook zal zetten. Doodzonde, want zo weet niemand wat voor beroerd leven je eigenlijk leidt. En loop jij al die herkenning mis! Facebook zou ons moeten verplichten om de pasfoto als profielfoto te gebruiken. Zodat we de wereld met z’n allen een beetje minder leuk kunnen maken. Wat zou dat een opluchting zijn.

De zielenrover
Zoek de ware Rein

Kitchen of Fame

In een doortochtflatje

In afwachting van de roem die mij ten deel zal vallen als schrijver, heb ik mijn keukenvloer laten egaliseren opdat ik van mijn handen – en van een bepaald orgaan – een afdruk kan achterlaten in mijn flatje, dat na mijn verscheiden zal uitgroeien tot bedevaartsoord.

leesbarenaamfoto
Klaar voor de Eeuwigheid

Woongenot is een keuze

Met de crematorium-look

Graag even uw likes voor mijn spiksplinternieuwe inrichting. Heb ik wel verdiend. Zoals u ziet heb ik gekozen voor een strakke maar stemmige ambiance, waarbij zwartlederen zitcomfort, haagbeuken laminaat en asgrijze vitrages warmte en verdieping krijgen dankzij een nauwlettend gecomponeerde foto-impressie van watervallen en een salontafel vervaardigd van duurzaam tropisch hardhout. Ook heb ik me laten verleiden een televisie aan te schaffen (uiteraard in gelijksoortige stijl), om meer verbinding met de maatschappij te voelen. Home is where the heart is!

Hoe graag had ik dit stukje zo willen beginnen. Helaas. This is not my beautiful house. Ik leef in een leugen. Waar ik over een week alweer uit moet. Het is een zogeheten logeerwoning, waarin ik moet bivakkeren tot mijn eigen flat opgeknapt is. Alsof dat iets zal helpen.

Want waar ik ook woon, altijd oogt mijn thuis alsof er net is ingebroken. En zelfs dat niet. Komt allemaal door mijn voorkeur voor pragmatische inrichting. Lees: troosteloze meuk die je bij het grofvuil van een TBS-kliniek verwacht. Die neiging naar ongezelligheid is een keuze, zo maak ik mezelf graag wijs. In een huis dat zijn best doet zou ik me ongemakkelijk voelen. ‘Als het maar werkt’ is mijn devies. ‘Je woont in een werkhok!’ verzuchtte mijn ex toen ze na een weekendje logeren toch wel erg opgelucht was dat ze weer mocht vertrekken. Ze bedoelde natuurlijk ‘woonstudio’. Omdenken, dat geeft zoveel gemoedsrust.

Maar niet voldoende. Want de enkele keer dat er een loodgieter over de vloer komt of de laatste Jehova’s getuige zijn voet tussen de deur wringt, staat het schaamrood me op de kaken. ‘Ja, ik ben aan het opknappen,’ begin ik dan ongevraagd, ‘de vorige bewoners hebben het compleet uitgewoond!’ Vrienden ontvang ik zelden aan huis. Liever maak ik een afspraak in het café, waar ze de leuke Rein treffen, in plaats van de manisch typende mood swinger die ‘IS HET HIER GODVERDOMME NOG NIET GEZELLIG GENOEG!’ brult als zijn ex een kaarsje wil aansteken. Terwijl mijn flat volgens haar zó’n potentieel heeft. Zeeën van ruimte! Schitterend uitzicht op het kanaal! Fonkelende lichtinval!

Dus. Genoeg is genoeg. Over een week gaat het roer om. Dan moet en zal ik aarden, voor het eerst in veertig jaar. Sterker, van de woningbouwvereniging heb ik al nieuwe keukenkastjes moeten uitzoeken. En een beukenhouten aanrechtblad. En kekke douchetegels. Mijn gezelligheidsdetector sloeg uit alsof ik lamellen ophing in de living van Tsjernobyl. Jammer dan. Ditmaal zet ik door. Groots genieten ga ik van mijn nieuwe thuis. ‘Het begint al!’ hoor ik Kamagurka’s Bert zeggen.

Voor nu echter mag ik nog even mijzelf zijn in deze logeerwoning. Woonideeën opdoen. En smullen van de dure chocolade die de woningbouwvereniging heeft achtergelaten om de verbannen bewoner welkom te heten. Merci! Niet dat ik gepaaid hoefde te worden, want ik voelde me direct thuis in de crematorium-look. Alsof ik een woonmagazine ben binnengestapt, of andermans bestaan heb gekaapt. Niets dat me aan mijn eigen leven herinnert! Er hangt zelfs een onpersoonlijk luchtje. Zouden er spuitbussen bestaan met Neutrale Mensengeur, zoals ze ook nieuwe auto’s allemaal hetzelfde luchtje meegeven?

Woongenot is een keuze
Het begint al!

De stofzuigers

Van Sjors

‘NNN*UKENNNN!!’ gromde Sjors boven het zoveelste fluitje Heineken, zijn snijtanden ontblotend. Behoorlijk dreigend klonk dat, terwijl deze veertiger met zijn corduroy jasje, Rien Poortvlietsikje en dwars gekamde haar toch vooral op een leraar biologie leek. Het waren zijn ogen die afweken. Die loerden de kroeg rond als een roofdier. Niet op zoek naar iets neukbaars, maar naar iets provoceerbaars; een studentje met bekakte praatjes of een koppelbaas met sterke verhalen. Stuk voor stuk werden ze door hem op de korrel genomen. Niemand had zo’n grote lulkoekdetector als Sjors.

Zijn geld verdiende hij met olieboren in Arabië. Dat deed ie een paar maanden non-stop om er dan de rest van het jaar op te teren. In onze stamkroeg om precies te zijn. Daar zoop hij alle fluitjes op die er in het fust zaten. Toch, zat heb ik hem nooit zien worden. Sjors had geen kwade dronk nodig voor zijn misantropie.

Waarom ik hem mocht weet ik niet meer precies. Misschien omdat hij de enige van het meubilair was die nooit sociaal wenselijk probeerde te doen. Of omdat ik een oudere broer in hem vermoedde. Waarom Sjors mij mocht weet ik ook niet meer precies. Misschien omdat ik de enige stamgast was die wel eens een normaal gesprek met hem aanknoopte. Dan liet hij iets doorschemeren van de doodeenzame ziel die er achter dat sarcasme schuilging. Scheelden we meer dan twintig jaar, als we samen aan de toog hingen leken we overlevenden van eenzelfde disfunctionele familie.

Zo tegen sluitingstijd liet Sjors steevast een taxi bellen. Bestemming: Katendrecht. Want dat NNN*UKENNN!! deed ie natuurlijk niet met een vriendin, maar bij de hoeren. Eenmaal vroeg hij me mee naar de Kaap. Niet om van bil te gaan, daar was ik veel te bleu voor, maar voor een afzakkertje. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Als enige kaaskoppen belandden we in een pikdonkere Surinaamse kroeg. Was grootverbruiker Sjors hun roomblanke mascotte, ikzelf voelde me minder op mijn gemak, en probeerde die angst te overschreeuwen door de loftrompet af te steken over mijn held Chuck Berry - getetter dat normaal gesproken direct door Sjors op de korrel genomen zou worden. Maar toen mijn bravoure niet gewaardeerd werd door de clientèle en er zelfs iemand met me op de vuist wilde, hoefde Sjors slechts te grommen om de gemoederen te bedaren. We zijn heelhuids thuis gekomen.

Bij Sjors wel te verstaan. Hij had een tweekamerappartementje op de Brielselaan, zo mogelijk nog deprimerender dan mijn eigen schimmelhok in Oud West. En zo apart. Nog voordat ik dronken op zijn sofa in coma viel vroeg ik hem waarom hij in godsnaam beide kamers een stofzuiger in aanslag had staan. ‘Dan hoef ik minder moeite te doen,’ antwoordde hij met een blik alsof ik naar de allerbekendste weg vroeg. Zulk een rücksichtslos doorgevoerd pragmatisme maakte een onuitwisbare indruk op me.

Nu ik mijn sporen had verdiend als kroegpuppy vroeg hij me ook een keer voor een klus. Samen met wat andere stamgasten auto’s van A naar B rijden. Tuurlijk! kraaide ik in een vlaag van dronken overmoed. Dat zou ik weten. Rillend van de katerpaniek zat ik de volgende dag achter het stuur, me bij iedere af te leggen meter afvragend of de auto gestolen was, hoeveel lijken en drugs er in de kofferbak lagen, of ik nog te veel alcohol in mijn bloed had en of je al rijdend een blackout kon krijgen. Helemaal niets gebeurde er. En toen ik een paar uur later een zakje zwarte centen in mijn knuist gedrukt kreeg in het crimineelste café van de Brielselaan, voelde ik me bijna een Sjors jr.

Onze stamkroeg sloot voorgoed haar deuren. Ik verloor Sjors uit het oog. Pas jaren later trof ik hem in een nieuwbakken bruin café te IJsselmonde. Hij ontblootte onmiddellijk zijn geelgerookte roofdiertanden. Wat een weerzien! Maar wat zag hij er… apart uit. Zijn dwarsgekamde haardos was gereduceerd tot enkele slierten, zijn wolvenogen staarden flets voor zich uit. Hij nipte aan zijn fluitje in plaats van het achterover te klokken. Olie boren, daar deed hij niet meer aan. Naar de hoeren ging ie evenmin meer. Hij woonde nu samen. Met een vrouw die carrière maakte. Ware liefde! Misschien had hij daarom geen zin om met haar te NNN*UKENNN!! Ik knikte begripvol. Bestelde nog een fluitje voor hem, wenste hem alle lust van de wereld en verdween voorgoed uit zijn leven.

Een Sjors geworden ben ik niet, al vermoed ik ergens een fanatiek olieboorder en notoir hoerenlopen deep down inside of me. En als ik nu foto’s van Sjors bekijk flitst het wel eens door me heen dat hij misschien vooral een triest geval was, een barfly die zijn levenslust verloor toen hij probeerde te aarden. Maar ik pas voor dat soort tijdreisarrogantie. Voor mij blijft Sjors de enige kroegwolf die twee stofzuigers in aanslag had. En gezegend was met de grootste lulkoekdetector van Rotterdam Zuid.

De stofzuigers
Sjors on a roll

De FEBO-man

Van Central Park

Central Park, New York City, ergens halverwege jaren negentig. Op een bankje zat ik, in het vroege ochtendzonnetje met mijn pocketboekje. Mijn maat lag zijn roes uit te slapen in het vlooienhotelletje, maar ik moest van mezelf zo nodig genieten. Ik zat er helemaal klaar voor, in dat zonnetje met dat boekje. Het begint al! hoorde ik mezelf iedere tien seconden denken.

Nadat ik een kwartier krampachtig in mijn boekje gestaard had kwam er een man aanlopen. Jaar of veertig was ie, rasta-look, relaxte glimlach en kuierende pas. Dat was pas iemand die genieten kon! Hij hield in toen hij mij zag zitten. Keek me opeens aan met doordringende blik – de target lock van een roofdier! flitste het door me heen. Snel drukte ik mijn neus weer in het boekje. Terwijl ik me nog zo voorgenomen had om aan mijn wantrouwende natuur te werken!

Gelukkig had hij minder last van vooroordelen. Hij sprak me aan over de Martin Amis die ik aan het lezen was, Money getiteld. We raakten in gesprek over literatuur, over het verschil tussen Engelse en Amerikaanse literatuur, het leven in The Big Apple en andere cultuurdingetjes. Hij was een bereisd man. Kende Utrecht, wist zelfs van de beruchte FEBO snackautomaat. Na een half uur kletsen nam zijn verhaal een trieste wending. Hij kampte met acute geldproblemen. Of ie een tientje van me kon lenen. Voor een paar uur, dan zou zijn broer terug zijn en kon hij het mij terugbetalen.

Ik keek hem nog eens goed aan. Wantrouwend als ik mag lijken (thuis krijgen collecteurs van het Kankerfonds geheid een taser op hun bus), dicht ik mezelf toch vooral mensenkennis toe. Een zesde zintuig voor authenticiteit zeg maar. Zo’n detail als die FEBO, dat verzin je niet! Ik WIST gewoon dat deze man deugde. Trok mijn portemonnee, wilde er tien dollar-biljet uit trekken, aarzelde even, pakte een twintigje, om dat weer terug te stoppen en uiteindelijk vijftig dollar tevoorschijn te toveren. Ik gaf hem het geld met een relaxte glimlach. Zei dat ie me die middag om vijf uur in de kroeg bij mijn hotel café kon vinden. Zóveel vertrouwen had ik in hem. En in mijn zintuig.

De man moest even slikken. Hij bedankte me, stak het biljet bij zich en vervolgde zijn pad, om zich nog even om te draaien en twee duimen omhoog te steken. Ha! Het genoegen was geheel mijnerzijds. Ik kon weer genieten van het zonnetje, en vooral van mijzelf. Dit was nou wat ze bedoelden met making a difference! Ik had iemands vertrouwen in de mensheid hersteld!

Uurtje later trof ik mijn maat in de kroeg bij het hotel. Vertelde hem mijn verhaal met enige terughoudendheid, want verwachtte de nodige scepsis en wilde dat goede gevoel nog even vasthouden. Pas na lang doorzeuren wist hij me de details te ontfutselen. ‘Vijftig dollar? VIJFTIG DOLLAR!? JIJ HEBT EEN WILDVREEMDE VIJF-TIG DOL-LAR GELEEND?!’ Zó hard moest hij lachen dat ie bijna de kroeg werd uitgezet. Vijftig dollar! Hij bleef maar doorhinniken, zeker toen ik nog even over die FEBO begon. Een loeiende cash cow, dat was ik! Zo een die de staart opsteekt om eens goed genaaid te worden! Ik mompelde iets over een zesde zintuig en bestelde boos een biertje. Maar toen de klok eenmaal vijf uur geslagen had werd ik toch wat onrustig. Kwartiertje vingertrommelen later trok ik wit weg. Om half zes werd ik zo stil dat mijn maat bijna medelijden kreeg. Geen rasta te bekennen.

Gods wegen wegen zijn echter ondoorgrondelijk, om maar niet te spreken van onzorgvuldig, zo zou een paar dagen later blijken toen mijn reisgenoot wat traveller’s cheques inwisselde bij een bank. Direct nadat hij de transactie voltooid had siste hij mij in de mijn oor: ‘Wegwezen hier!’ Drie blokken snelwandelen verderop legde hij me uit wat er aan de hand was. De bankemployee had hem – je verzint het niet – honderd dollar te veel uitbetaald. Honderd dollar! Goddelijke interventie! ‘Maar,’ wierp ik tegen met een frons, ‘moet dat straks niet uit de zak van die slordige bankemployee komen? Of erger: wordt ie nou niet ontslagen? Zijn huis uit gezet? Central Park in gejaagd!?’ Welnee. Volgens mijn maat was het risico geheel voor de bank. En hij kon dat weten, want had ooit bij het grenswisselkantoor gewerkt. ‘Werd je daar niet ontslagen?’ probeerde ik nog. ‘Niet zeuren!’ was het antwoord. Ik hield mijn smoel al, zeker toen hij me een vijftig dollar-biljet toestopte. Pleister op mijn hevig bloedende zelfdunk.

Uitgegeven heb ik het biljet nooit, al brandt het soms in mijn zak. Het voelt als behekst. Steeds als ik het in de bus van de kankercollectant wil stoppen, gaat er een alarmbel af in mijn kop. Want wij stervelingen mogen dan graag een verschil willen maken, Onze Lieve Heer is toch vooral van het natuurlijk evenwicht. Geheid dat als ik die vrijwilliger de dag van zijn leven bezorg, er elders op aarde iemand luid loeiend genaaid wordt.

De FEBO-man van Central Park
Iedere gelijkenis met de persoon op de foto berust op louter toeval. Grapjes worden niet op prijs gesteld.

De anarchist

En zijn geheim

Iedere keer als het treinverkeer lam ligt denk ik even aan Leo. Dat is nogal eens het geval, terwijl ik Leo maar eenmaal ontmoet heb. Op de slotavond van mijn stamkroeg in Rotterdam–Zuid. Leo was een twee meter lange gozer in een veel te nieuw spijkerpak achter zo’n meekleurende bril die je een ziekelijke oogopslag geeft. Hij hield zijn schouders opgetrokken en huiverde steeds, alsof hij zich chronisch onbehaaglijk voelde.

Hij vertelde me dat ie, net als ik, vegetariër was. Niet omdat hij zo van dieren hield, maar omdat ie het een smerig idee vond om dierenlijken te eten. Dat sprak me wel aan, deze lugubere variant! Dus toen de kroeg haar deuren sloot, ging ik op zijn uitnodiging in om bij hem nog een pintje te vatten.

Zijn huis was een vrijstaand kraakpand aan het spoor en bestond bijna geheel uit een werkplaats volgestouwd met elektronica, met in een hoekje een slaapzak en een koffiezetapparaat. Leo was specialist op het gebied van plus & min, zo vertrouwde hij me toe, en werd door de Spoorwegen regelmatig ingeschakeld bij complexe problemen. Daar verdiende hij zijn geld mee. Maar zijn passie lag elders.

Hij was namelijk anarchist. Het ontregelen van de maatschappij, dat was zijn ding. Afbreken die corrupte structuren! Ik keek er niet van op, want eind jaren zeventig beweerde zo’n beetje iedere snotneus dat. Alleen was Leo helemaal niet punk. Hij was een échte anarchist – zo een die erover nadacht! En belangrijker: hij had een boek liggen waarin uitgelegd werd hoe je een bom kon maken. Tegenwoordig weet zo’n beetje ieder huishouden-met-internetaansluiting dat wel, toentertijd moest je voor zo’n handboek heel wat tweedehandsboekenkrochten afstruinen en tussen de Mein Kampfs grabbelen. Het was de eerste keer dat ik even slikken moest.

Leo had een lading hasj liggen, want dat ontregelde natuurlijk ook. Hij stopte zijn waterpijp vol en ik lurkte stoer mee, al kon ik eigenlijk niet goed tegen een ontregeld brein. En door dat bommenboek zat ik er niet echt ontspannen meer bij. Leo evenmin. Hij zei dat ie ergens enorm mee zat, zonder te willen vertellen waarmee. Steeds als ik er naar vroeg, trok hij zijn schouders op en huiverde hij. Waardoor ik het nog meer op mijn heupen kreeg. Zou ie wat crimineels op zijn lever hebben? Iemand koud gemaakt hebben, met een elektrische stoel? Mensenvlees eten? De Spoorwegen willen opblazen? Hoe langer ik naar die zelfkleurende bril keek, hoe meer ik een psychopaat zag zitten. Ik probeerde in te schatten of de deur elektronisch vergrendeld was en de ramen onder stroom stonden.

Pas toen er een liter klamzweet over mijn ruggenwervels gegutst was, kwam het hoge woord eruit. Hij was homo, en dan zo een die uitsluitend op hetero’s valt. Ik weet niet meer of ik opgelucht was, of teleurgesteld. Want hoe vaak ontmoet je iemand die Het Systeem wil opblazen? Ik wees hem vriendelijk af, want zelf zo’n hetero die niet op homo’s valt. Maar sinds die nacht denk ik iedere keer als er ergens een trein strandt vanwege een ‘technisch defect’, dat Leo opnieuw afgewezen is. En hij het Systeem even wil laten voelen dat hij tot veel meer in staat is…

De anarchist
Een man met een geheim

Mooie dromen...

voor 2016!

Nieuwjaar 2016
Een jaar vol uitdagingen

De kerststaker

Van het troosteloze plein

Iedere ochtend als ik naar de sportschool fiets zie ik hem staan. Op het opgeleukte en daardoor troosteloze pleintje. Bewegingloos, de armen langs het lichaam, hoofd opgeheven, turend naar iets ondefinieerbaars. Bijna als de Februaristaker. Een stil protest tegen de klompendans des levens?

De eerste keer dat ik de Staker daar trof dacht ik: o jee, dat is er weer een. Onze buurt trekt nu eenmaal zonderlingen aan. Alleen al rond mijn blok zwermen er drie. Een werkloze Druipsnor die geen rijbewijs heeft dus met zijn seventies Ford maar heen en weer over de kade kachelt, blauwe walmen uitbrakend. De Klokkenluider, compleet met bochel en Beatles-coupe, die zijn boodschapjes doet in een onderbroekloze legging. En de Capuchon, een zwerver gehecht aan anonimiteit maar vooral aan zijn (vermoedelijk al jaren geleden ingeslapen) Yorkshire, die hij steevast achter zich aan sleept. Tot slot kunnen oplettende lezertjes in het halfschemer hun scribent ontwaren, snelwandelend langs het zwarte water van het kanaal, bij iedere scooteruitlaatknal melding makend van vuurwerkoverlast.

Maar de Staker, die is anders. Ongenaakbaar, zoals hij daar staat. Passerende bouwvakkers kloppen op hun voorhoofd, burgers versnellen hun tred. Het deert hem niet. Hij merkt het niet eens. Ikzelf negeer hem omdat ik niet wil dat hij denkt dat ik denk dat hij een zonderling is. Daarbij, hij lijkt eerder in trance dan krankzinnig. Alsof hij op een teken wacht, een signaal aan de hemel. Op kerstavond hoop ik hem er weer te treffen, samen met de drie zonderlingen uit het oosten, wachtend op een illegale Hongaarse vuurpijl die ons troosteloze pleintje oplicht tot het wonder dat iedereen erin kan ontdekken die maar even durft op te houden met dansen.

Mooie staking, beste lezer!

De Staker
De macht van de eenzame staker

De snijtand

Van de herrietent

Ze had lang vet haar, hoge jukbeenderen en miste een snijtand. Vooral dat laatste vond ik waanzinnig sexy. Halverwege de twintig was ze, op een leeftijd dat verval nog voor intrigerend kan doorgaan. Vermoedelijk was die tand er ooit uitgeslagen door een diender, want Yvette was a wild one. Ze woonde in een zwartgeverfd kraakpand, gebruikte speed, at rauwe knoflook, en ging met Jan en Alleman naar bed. Natuurlijk had ze wel een vriend, een boomlange boer uit de Achterhoek die knetterhard gitaar speelde voor halvolle zaaltjes.

Yvette flirtte graag met mij. Niet alleen omdat ik iets van vijf jaar ouder was, me vaderlijk opstelde en daarmee een zekere afstand bewaarde (mijn manier van hard to get), maar ook omdat ik rare grapjes maakte, een faux pas in de grimmige undergroundscene. Als ze diabolisch naar me lachte met haar hoge jukbeenderen had ik zin om even Jan en Alleman te zijn.

Dat had ik zeker toen ik haar die avond met mijn wijnhoofd tegenkwam in de herrietent. Ze was in gezelschap van haar vriend en van haar moeder, volgens de geruchten net zo’n mannenverslindster als dochterlief. Indruk maken op Yvette met wise cracks kon ik wel vergeten in de pokkenherrie. Bovendien stond haar boomlange boer in mijn licht, zijn tong afdalend in haar mond om te bewijzen dat hij meer had dan een harde gitaar. Geen enkele keer lachte ze naar mij. Haar moeder des te meer. Die had beide snijtanden nog, maar kon in de onderbelichte bar doorgaan voor een reuze spannende milf. Ik besloot tot mijn meest bizarre strategie ooit: ik liet me versieren door de moeder om de aandacht te trekken van de dochter.

De kater waarmee ik de volgende ochtend ontwaakte in haar suburb was van de gemeenste soort – de zelfhaatkater. Maar nog voordat ik mezelf kon vervloeken viel mijn oog op het lijstje op haar nachtkastje, waarin een foto van haar dochter, diabolisch lachend met missende snijtand – hetzelfde portret dat ik die nacht op zijn smoel had willen leggen omdat het mijn viriliteit ondermijnde. Na een korte stop op het toilet haastte ik mij, een oprotei naar binnen schrokkend, richting vrijheid terwijl de moeder me een onverstaanbaar telefoonnummer nariep. Zelden liet een tram zo lang op zich wachten.

Blijkbaar had ik toch iets goed gedaan die nacht én was dat onmiddellijk doorgebrieft, want diezelfde avond nog trof ik Yvette in het café met een wel heelveelbetekenende lach om haar jukbeenderen. Zou dit mijn Jan & Allemanmoment worden? Dan moest eerst die boomlange boer het veld ruimen, dacht ik als aspirant diabool. En besloot tot mijn meest overmoedige strategie ooit: ik stelde voor om een potje handje te drukken. Zogenaamd om de kater te verdrijven, maar eigenlijk om mijn alfapositie op te eisen. Zwaar gebouwd als de boer was ik niet, maar drie maal per week met dumbells sjouwen in het krachthonk had me toch een paar knappe biceps opgeleverd. Deze jongen zou dat varkentje wel even wassen! Ik rolde mijn mouw op, spuugde in mijn handpalm en spande mijn spieren aan, onderwijl glurend of ik Yvette’s volle aandacht had.

De doffe dreun waarmee de rug van mijn hand luttele seconden later op het cafétafeltje terecht kwam, werd slechts overstemd door de diabolische schater van Yvette. Natuurlijk lag het niet aan mijn mannelijkheid maar aan de kater, de valse techniek van de boer en de stand van Saturnus. Niettemin had ik me gedegradeerd van intrigerende filf tot wannabe macho. Terwijl de boer triomfantelijk zijn tong in de nahikkende Yvette liet afglijden, vertrok ik met de Noorderzon, ingedeukt ego tussen de benen geklemd. Het was de laatste keer dat ik Yvette zou zien.

In levende lijve dan. Soms google ik haar wel eens. Ze is makkelijk te vinden, want heeft carrière gemaakt als kunstenares. Op elke foto staat ze met die diabolische lach, al hebben de wilde jaren hun sporen achtergelaten – alsof ze naast die snijtand ook de rest van haar gebit is kwijt geraakt. Ik hoop dat zij ook nog wel eens naar mij gluurt. En dan hunkert naar de inmiddels grootvaderlijke biceps van haar favoriete filf, nog steeds niet helemaal hersteld van de toen zo scheef hangende Saturnus.

NB! De jongeman op de foto is niet gePhotoShopt, maar kampt met een genetische afwijking waardoor zijn rechterarm ‘dubbelgespierd’ is, hetgeen hem tot wereldkampioen arm wrestling heeft kunnen maken.

De filf
Rechtsdragend

De ware Castafiore

Van de valse noot

Auto-tune pitch correcting plug-in heet de software. Daarmee kun je valse zangklanken loepzuiver laten klinken. Doet het ook real time, dus nooit meer afgaan tijdens een dronken karaoke. Ik had er goud voor gegeven toen ik nog optrad met mijn bandje. Want ik kon dan aardig componeren, mijn zang klonk nooit echt strak, ook niet na tienduizend keer een cd’tje inzingen. Doorslag gaf een video van een van mijn optredens, gemaakt door een vriend die me er nog regelmatig mee blackmailt. Exit singer/songwriter Rein.

Soms heb ik er spijt van dat ik mijn stembanden aan de wilgen gehangen heb. Zingen is zó veel lekkerder dan schrijven. En laten we wel wezen, er zijn legio popsterren – van Lana del Rey tot Nick Cave – die zich nooit hebben laten weerhouden door een zelfkritisch oor. Of kan het ze gewoon niks schelen? Afgunst Rein, allemaal afgunst!

Overigens had de auto-tune pitch correcting plug-in geen enkele kans gemaakt bij de keizerin van de valse noot, Florence Jenkins. Begin vorige eeuw veroverde deze volstrekt talentloze, maar vermogende sopraan de klassieke podia door het muzikale wereldje van Philadelphia te financieren. Florence zong niet een beetje vals, nee, ze zong BIANCA-CASTAFIORE-GLASBARSTEND-VALS. Een monument van valsheid was ze.

Volgend jaar wordt er een speelfilm over haar gemaakt door regisseur Stephen Frears. Dus voordat ik weer eens keihard in de lach schiet bij 00:11 van bijgevoegde opname, laat ik mezelf dan inpeperen dat zij straks door Meryl Streep vereeuwigd wordt, terwijl ik met mijn plug-in onder de douche sta te blèren.

Tip: zet het volume voluit: Florence op YouTube

Naam Foto
GLASBARSTEND VALS