titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Victoria

De onontkoombaarheid van ware tijd

‘Real time’ heet dat, als de tijd die in een filmverhaal verstrijkt overeenkomt met de tijd in de bioscoop. Vooral bij een thriller is het een uiterst effectief middel om de kijker te betrekken bij de held, zeker als er sprake is van een ultimatum (‘Nick of Time’). Uiteraard is die ware tijd een illusie; de opnametijd van een film neemt vele malen langer in beslag. Normaal gesproken dan.

De Duitse regisseur Sebastian Schipper heeft het concept nou eens letterlijk genomen met Victoria. Hij draaide de film in één lang shot van twee uur en twintig minuten. Twee keer heeft de crew het over moeten doen; de derde versie draait in de bioscoop. Alleen al op papier een gedurfd experiment, dat effe wat meer indruk maakt dan gepolijste filmhuisdarling Birdman die de kluit belazerde met onzichtbaar aan elkaar geplakte scènes. Victoria is de real deal.

En nee, het ellenlange shot waaruit Victoria bestaat is niet statisch, net zo min als de Spaanse expat dat zelf is. Na een avondje eenzaam dansen leert ze een paar wilde gozers kennen in de straten van Berlijn. De mannen nodigen haar uit om mee ‘op pad’ te gaan. Even aarzelt ze, maar al gauw hoort ze de lokroep van avontuur – om twee uur later gezocht te worden door het complete politie-apparaat.

Wie denkt dat de real time van Victoria weer zo’n gimmick is om de aandacht van de media te trekken, wordt flink op zijn nummer gezet. Zonder montage – en dus kijkrust – ervaar je deze achtbaanrit als even onontkoombaar als het lot van de groep. Je wordt meegesleurd met hun avontuur, voelt waarom Victoria met hen het diepe in springt, begrijpt waarom ze elkaar trouw blijven als de stront de ventilator raakt. Vorm en inhoud zijn één, de gimmick is functionele techniek.

Natuurlijk kan een film met zo’n extreme continuïteit en focus niet iedere seconde boeien. Net als in het echte leven zijn er momenten van ergernis (Victoria is wel erg naïef), verveling (de geïmproviseerde dialogen zijn verre van pakkend) en uitputting (de film duurt zeker 20 minuten te lang). Maar Victoria is ook niet bedoeld voor een gezellig avondje uit. Het is een uitdaging voor de filmverkenner die eindelijk weer eens de lokroep van avontuur wil horen.

Vonnis: **** van de *****

Victoria
Gadoorgadoorgadoor

Amy

De ster die eigenlijk alleen maar wilde zingen

Het is moeilijker een slechte film van een goed scenario te draaien dan een geslaagde film op basis van een beroerd script, zegt men wel. Zo zijn er ook onderwerpen waarover je met de kwaadste wil van de wereld geen mislukte documentaire kunt maken. Amy Winehouse is er zo een. Amy staat voor authenticiteit, dat magische begrip, dikwijls gekaapt en uitgehold door het PR-wezen, maar bij haar werkelijk van toepassing en een magneet voor publiek. Miss Winehouse was een zangeres die je in je hart sloot, zelfs als haar rauwe stemgeluid je tegenstond.

Wat meehelpt is dat ze de eerste echte ster was die is opgegroeid in het telefooncameratijdperk. Er is onnoemelijk veel beeldmateriaal voor handen. Slechts een kwestie van ijver dus om hier een dijk van een docu van te maken. Maar cineast Asif Kapadia is meer dan een harde werker, getuige zijn fascinerende ‘Senna’ over coureur Ayrton Senna da Silva. Lijkt Formule I een compleet ander universum dan de jazzscene, Kapadia zag in dat zowel Winehouse als Senna over een intensiteit en roekeloosheid beschikte die tot de dood leidde. En dat is natuurlijk erg romantisch.

De documentaire-die-niet-kon-mislukken is ook bepaald niet mislukt, al brengt hij weinig nieuws omdat Amy nu eenmaal geen moordkuil van haar hart maakte. We leren haar kennen zoals we haar al kenden: Zelfverzekerd over stem en songs, lage dunk van uiterlijk. Hunkerend naar aandacht maar niet opgewassen tegen roem. Bescheiden van aard maar een luidruchtige bitch met slok op. Ene moment de hartelijkheid zelve, andere moment volstrekt ongeïnteresseerd. Hypergefocust tijdens opnamen, total loss in vrije tijd. Welbespraakt converserend maar haar Cockney koesterend. En bovenal betoverend, vooral wanneer ze zingt, met die stralende kop boven dat kinderlijke lichaampje, volgeklad met onooglijke tatoeages, afgebeuld door boulimia, crack en alcohol. Een kruitvat vol tegenstrijdigheden dat we in slow motion zagen ontploffen.

Duidelijk in de docu wordt dat Winehouse nooit in stadions had moeten optreden om hitjes af te draaien. Ze was een volbloed jazzzangeres die toevallig wereldfaam had verworven omdat ze versleten werd voor popster, maar thuishoorde in een intieme clubsfeer waar experiment en improvisatie prevaleren boven entertainment. Het was de rol van tieneridool die haar nekte.

Jammer dat regisseur Kapadia bij Amy’s desintegratie een schuldvraag suggereert. De teloorgang zou te wijten zijn aan agressieve media, een opportunistische pa en meedogenloos publiek. Onzin. Met een persoonlijkheid zoals de hare, waarbij de zintuigen wagenwijd openstaan om creatieve impulsen optimaal te benutten, ben je nu eenmaal vatbaar voor zelfdestructieve verleidingen. Amy en alleen Amy was verantwoordelijk voor haar dood. En voor de meest intrigerende stem van de afgelopen 50 jaar, die deze documentaire ook zonder beeld de moeite waard maakt.

Amy
Kindvrouwtje met de stem van een leeuwin

Inherent Vice

Stoned geluld

Bij een film over drugsgebruik is het de uitdaging om de kijker de illusie te geven dat ie zelf mee gebruikt. Slechts een enkele cineast is dat gegeven. Ex-Pythonman Terry Gilliam wist met groothoeklenzen en computer generated imagery van Fear and Loathing in Las Vegas de ultieme filmtrip te maken. Regisseur Paul Tomans Anderson (Magnolia, The Master) gebruikt een geheel ander middel dat minstens zo effectief blijkt: hij lult ons stoned. In detective Inherent Vice worden we bedolven onder een lawine van (non)informatie.

Hiermee staat de film overigens netjes in de traditie van Raymond Chandler. In de klassieke 'detective noir' raakt de kijker steevast het spoor bijster in een wirwar aan wendingen, want geschreven door een auteur die zelf evenzeer dolende was. Ook in Inherent Vice is de plot onbeduidend in haar complexiteit. De film draait om stijl. Period perfect art direction (ongeveer 1970), groovy muziek, hilarisch acteerwerk en een van de geilste seksscènes ooit. Anderson is meester in het scheppen van ondefinieerbare sfeer.

Maar stoned als we worden van de alsmaar doorlullende en blowende voice-overs, speurders, coppers, dopers, tandartsen, professionele p*ssy lickers en ander schuim, de tijd lijkt zozeer opgerekt dat we na twee en een half uur uitgeput zijn. Dat is met name te wijten aan Andersons afstandelijkheid. De ironie van zijn retro is te vet om met welk personages dan ook mee te leven, ondanks uitstekend spel van Joaquin Phoenix en Josh Brolin. Anderson mikt zelfs op de makkelijke lach met voor de hand liggende cameo’s van Benicio del Toro (Fear & Loathing) en Eric Roberts (heeft zijn Hollywoodcarrière weggeblowd). Uiteindelijk haal je overal je schouders bij op, zoals een stoner betaamt. En wordt weer eens duidelijk waarom de one liners en lustblikken van Bogart&Bacall 70 jaar na dato nog overeind staan, terwijl je Inherent Vice al in de foyer vergeten bent.

Wie per se iedere film van de geniale Paul Thomas Anderson wil zien, kan de film het best thuis bekijken onder het genot van een pond Rode Libanon. Da’s vals spelen, maar vermoedelijk klinkt het gezwam dan een stuk zinniger - zo niet kosmisch - en ziet u verbanden die de sufgelulde recensent ontgaan zijn.

*** van de *****

Inherent Vice
Slapgelulde retrosloggy

Foxcatcher

Een zieke geest in een gezond lichaam

Volgens een ongeschreven regel moet in het eerste kwart van een film duidelijk worden wat voor vlees je in de kuip hebt. Dan moet helder zijn of het een genrefilm, een persoonlijke indie of bijvoorbeeld een intellectueel experiment betreft. Met Foxcatcher lapt regisseur Bennett Miller (Moneyball, Capote) deze wet compleet aan zijn laars. Sterker, op driekwart weet je nog steeds niet waar ie heen wil. Dat ongewisse komt deels doordat het scenario is gebaseerd op feiten en dus niet ontsprongen aan het brein van een schrijver die zijn verhaal aannemelijk wil maken. Maar Foxcatcher is vooral ongrijpbaar doordat Miller alle tijd neemt om ogenschijnlijk onbeduidende gebeurtenissen uit te diepen – en daarmee onze zenuwen te slopen.

Nazaat van Amerika’s rijkste familie - binnengelopen dankzij de Burgeroorlog - mag John du Pont zich multimiljardair numero uno noemen. Diep tragisch, want hij wil zo veel meer zijn dan een erfgenaam. Hij wordt echter ingesnoerd door moederlief, een dominant fossiel waarmee hij samenwoont in een gigantisch landhuis. Recept voor perversie, megalomanie en enger zou je zeggen. John lijkt inderdaad niet helemaal te sporen. Hij heeft een tank met mitrailleur in zijn voortuin zijn, en enger, laat zich ‘Golden Eagle’ noemen, om zich op te werpen als mental coach van Amerika’s beste worstelaars, de gebroeders Schultz. Verleid door Du Ponts luxe laten zij zich inlijven door de idioot om hun kansen te vergroten op het WK en de Spelen. Een sell out die slechts tot rampspoed kan leiden.

Popcornpubliek dat gokt op een vette Hollywoodburger omdat hunk Channing Tatum er zijn spieren in aanspant, komt bedrogen uit. Foxcatcher is allesbehalve amusement. Het is ook geen conventionele thriller, want meer sprake van constante dreiging dan van spanningsopbouw. Die dreiging wordt aangezwengeld door een schitterend onderkoeld acterende komiek Steve Carell als de expressieloze John, naar de kroon gestoken door Channing Tatum en Mark Ruffalo als de broers. Foxchaser is een fascinerend experiment, voor wie het volhoudt tenminste, want na 129 minuten nekkramp bekruipt je het gevoel dat je een worstelmatch met John du Pont himself achter de rug hebt. (Met John als winnaar uiteraard, want rijker.)

***½ van de *****

Foxcatcher
Effe lekker huggen

Birdman

Naadloze zelfspot

Metafilmkunst, films over het maken van films, ‘t heeft al snel iets zelfgenoegzaams. Er zijn uitzonderingen, zoals het hilarische Living in Oblivion (’95) waarin de onafhankelijke filmwereld op de hak genomen wordt. Maar de nu al gedoodverfde filmhuisdarling Birdman van Alejandro González Iñárritu toont aan hoe masturbatief dat navelstaren kan worden.

De synopsis is veelbelovend: een has been filmster die meer dan 20 jaar geleden gescoord heeft als superhero Birdman (gespeeld door Michael Keaton die meer dan 20 jaar geleden gescoord heeft als superhero Batman) probeert zich met een off-off-Broadwaystuk te rehabiliteren als acteur. Michael Keaton die de draak steekt met Michael Keaton dus.

Probleem is dat Keaton niet alleen bekend is als filmster maar ook te boek staat als gerespecteerd, intens acteur. Die zelfspot stinkt dus een beetje. Daarbij is de meedogenloze kijk die Birdman biedt op Hollywoods ego’s, frustraties en artistieke corruptie een stuk makkelijker scoren dan bijvoorbeeld het persifleren van de o zo authentieke filmhuisfilmwereld. Gelukkig worden we ook getrakteerd op enkele vette grappen (Ed Norton met erectie-‘prop’), tot de humor aan dramatiek begint te schuren. Wat wringt met de ironische personages.

Regisseur Iñárritu probeert het verhaaltje te faceliften met wat filmtrucs. Zo zit zijn camera claustrofobisch dicht op de personages, danst hij als een paparazzo om hen heen, alsof ie ons onder de neus wil wrijven dat zijn toneelstukje toch écht geen toneelstukje is. Verder last hij de scènes onzichtbaar aan elkaar waardoor de film uit één lang shot lijkt te bestaan. Een cinematografische hoogstandje, maar vooral een pretentieus stijlmiddel dat afleidt van een verhaaltje dat maar niet wil afronden.

Dus. Als de jazzy drumscore (zó NYC!) na twee uur plaats maakt voor de violen van Rachmaninof en wij geacht worden mee te leven met een bevrijde Birdman, zijn we reeds aan het wegdromen over Keaton die terugkeert als een Batman Sr. Zonder tongue in beak.

Birdman
Bat bird

Onder het Hart

Terminaal vakmanschap

Dat ik dit nog mag meemaken... Een Nederlandse love story met catchy dialogen, ideale casting en vlekkeloos acteerwerk!? Zouden we het dan tóch kunnen? Regisseur Nicole van Kilsdonk en scenarioschrijver Peer Wittenbols in ieder geval wel. Geen moment van plaatsvervangende schaamte bij deze lekker kort gesneden tragikomedie.

Gelukkig blijft er zat te ergeren over. Zo durfden de makers het niet aan om het verliefde stel gewoon verliefd te laten zijn, moest er een Vreselijke Ziekte bij gesleept worden voor de obligate portie verdieping. Verder hebben de hoofdpersonages een wel erg hoog Linda.-gehalte (Kim van Kooten als sterke, onafhankelijke vrouw met ontzettend kekke groene baan, Koen de Graeve als sullige maar geestige gevoelsman die ook nog eens oudevandagen geneest). En die dronken Polen, waarom zijn die eigenlijk in het verhaaltje geschreven?

Never mind. Wie de grauwe televisiefotografie op de koop toe neemt stuit in Onder het Hart op een paar helder schijnende koplampen in de anders zo donkere metrotunnel die Nederlandse Speelfilm heet. Er is hoop.

*** van de *****

Onder het Hart
Ware liefde oogt als horror

The November Man

Bond Sr. versus Bond Jr.

Sean Connery. Daniel Craig. En vooruit, Timothy Dalton. Maar Pierce Brosnan echt niet. Die wordt nooit genoemd als favoriete James Bond. Wellicht omdat ie de dierlijke seksualiteit van zijn collega’s mist. Onzin volgens Quentin Tarantino, die met Brosnan in zee wilde voor een remake van Casino Royale. Zoals bekend is dat er niet van gekomen. Jammer, want in The November Man van Roger Donaldson bewijst Brosnan zich een keiharde Bond.

Niet dat het een echte Bondfilm is. Het gitaardeuntje ontbreekt, M & Q zijn nergens te bekennen. En Brosnan is geen 007. Integendeel, hij speelt een gepensioneerd geheim agent die de tijd doodt in een gezellig cafeetje. Tot zijn ex, ook spion én moeder van zijn dochter, wordt doodgeschoten en in Brosnans armen sterft. Waarop de pensionado de jacht opent. En hoe. KGB, CIA, alles & iedereen knalt/schopt/elleboogt ie overhoop met zijn 60+ body. Tot hij op oud-leerling Luke Bracey stuit, zijn oogappeltje van weleer.

Nooit eerder was Brosnan zo hard in een film. Alsof hij wil afrekenen met zijn brave 007-verleden. En met de nieuwe Bond, want die leerling maakt ie uit voor ‘blunt object’ – dezelfde sneer die M (Judi Dench) uitdeelde aan Daniel Craig toen deze zijn agressieve versie van Bond introduceerde. Sukkel!

De knipoog naar de 007-franchise voelt als een schop onder de gordel, ook omdat Brosnans ‘license to kill’ niet wordt goedgepraat met zwarte humor zoals in Bond het geval is. Deze secret agent is een realist, een volbloed moordenaar die zijn oogappel duidelijk maakt dat er in dit vak geen pleisters geplakt worden (‘Are you a murderer or a human being?’) om vervolgens een mes in de liesslagader van diens date te zetten. Waarmee hij onze sympathie verspeelt. Op een haar na. Over dierlijke seksualiteit gesproken…

Hoe gewaagd ook, The November Man blijft natuurlijk wel pulp. De geloofwaardigheid is nihil, de plot zakt in als een kaassoufflé en Bond-girl (!) Olga Kurylenko acteert als een muts. Maar wat worden we verwend met het vitriool van Brosnan, en met de schurken, waaronder boksersneus/hitwoman Amila Terzimehic die haar Tel Sell-messenset zo gretig in d’r medemens steekt dat de geluidseffecten ons nog lang zullen heugen.

The November Man
Korting voor senioren

A most wanted man

Internationale poldercinema

Fotograaf Anton Corbijn is een van de weinige Bekende Nederlanders die naam heeft gemaakt buiten ’s lands grenzen. Volgens liefhebbers omdat hij met authentieke, grofkorrelige stijl de mens-in-de-ster weet vast te leggen, volgens critici omdat hij sterren inpalmt met een parfum van valse bescheidenheid (‘ik kan eigenlijk helemaal niet fotograferen’) en pretentieuze plaatjes van hen schiet. Feit is dat je ’t pas gemaakt hebt als Corbijn je vereeuwigd heeft.

De fotograaf maakt ook films. Was zijn debuut Control over Joy Division-zanger Ian Curtis niet onverdienstelijk, The American met George Clooney als huurmoordenaar legde Corbijns pretenties bloot: een als genrefilm vermomde art film vol loze shots die verdieping moesten suggereren maar op de geeuwspieren werkten. Een fraaie diaserie maakt nog geen goede film.

Opnieuw heeft Corbijn een Engelstalige thriller gemaakt. Ditmaal gebaseerd op een Le Carré, maar met eigentijds sausje want terrorisme: een door de Russen gemartelde Tsjetsjeen duikt onder in Hamburg om de erfenis van zijn vader te doneren aan een controversiële islamitische humanist, op de hielen gezeten door een jihadistenjager.

Geen genrefilm, geen kunstfilm. Zelfs geen pamflet. Poldercinema. Sterft zo’n probeersel normaal gesproken een stille dood in provinciale zaaltjes, A Most Wanted Man wordt uiteraard ook buiten ’s lands grenzen vertoond – omdat het ‘een echte Corbijn’ is. Gelukkig is de fotograaf behalve bescheiden ook ambitieus: ‘Ik voel altijd de drang om nieuwe uitdagingen aan te gaan.’ Mooi moment om het hoorspel eens uit te diepen?.

Als fotograaf mist Corbijn echter de expertise om filmisch of te vertellen. Hij laat de plot van A tot Z oplepelen, bedient zich geen moment van visual story telling, een must in dit Hitchcockiaanse genre. De kijker wordt niet meegesleept, leeft met niemand mee. Erger: na een uur weet je nóg niet waar de film heen wil. Dat dit stuurloze schip zo lang blijft drijven is te danken aan het charisma van wijlen Philip Seymour Hoffman, wiens laatste hoofdrol erin beukt als een weerspannige Titanic.

Oordeel: ** van de *****

A Most Wanted Man
Nederlands filmvirus treft internationale cast