titels films

Dying to Go Home

Tweetalige voorspelbaarheid

Leuk tijdverdrijf tijdens de Nederlandse Filmdagen: stel bezoekers de gewetensvraag welke Nederlandstalige film ze de afgelopen 20 jaar écht goed vonden. Ze zullen een minuutje peinzen, nog een minuutje, een zucht slaken, en net als ze de moed op willen geven schiet hen één titel te binnen: ‘Spoorloos’ van George Sluizer. Terecht. Deze thriller over een psychopaat die mensen levend begraaft om zijn claustrofobische angsten te bezweren, is onNederlands spannend en heeft bovendien een on-Hollywoodiaans grimmig einde.

Opvallend is dat de film, die half Nederlands half Frans gesproken is, meer overtuigt in de Franse dan in de Nederlandse scènes. Kun je je afvragen of we onze eigen taal kritischer beluisteren, of dat buitenlandse acteurs beter opgeleid zijn. Bij Sluizers ‘Dying to go Home’ die hij samen met de Portugese regisseur Carlos da Silva heeft gedraaid en half Nederlands half Portugees gesproken is, dringt die vraag zich niet langer op.

Portugees Manuel Spirito Santo (Diogo Infante) woont al 15 jaar in Amsterdam. Hij speelt jazz, probeert met twee vrienden tevergeefs een kroeg te runnen en werkt aan een wrakkige boot. Dan wordt hij doodgereden. Zijn lichaam wordt in Holland begraven maar zijn geest kan hier geen rust vinden. Hij zweeft naar Portugal en vraagt zijn zus (Maria d'Aires) in haar slaap om zijn overblijfselen naar het vaderland te verschepen.

Ze vertrekt naar Nederland, niet in de laatste plaats voor de erfenis. Ze besluit de boot te verkopen en met de hulp van Manuels partners (Huub Stapel, Jack Wouterse) de kroeg tot een bruisend eethuis om te toveren. Manuel ondertussen, begint de geneugten van het geestzijn uit te diepen: ook spoken kunnen seks hebben.

Een film die in 1995 gedraaid is, in 1996 uitgeselecteerd wordt voor het Nederlands Filmfestival en pas een jaar later in de bioscoop uitkomt... dat moet argwaan wekken. Misschien is de poster daarom zo misleidend: een intens blazende saxofonist, een grimmig rokende Huub Stapel, een erotisch starende Portugese met daaronder een zonsondergang en een dolende man in driedelig pak. Drama, passie, Fado?

Niets van dit alles. ‘Dying to go Home’ is een pijnlijk voorspelbare, slappe hap die zich van a naar b naar c sleept. Het thema van de geest-die-contact-zoekt-met-levenden wordt uitgehold alsof de scenarioschrijver het wiel opnieuw uitvindt, de dialogen worden niet scherper dan de running gag "Thank you very nice", de humor vindt haar climax in de geest van Vasco da Gama die voetbal zit te kijken, en Diogo Infante acteert in beide talen even irritant kluchterig.

Wat rest zijn de mooie ogen van Maria d'Aires, en een paraat antwoord voor de kijker: als u op het Filmfestival gevraagd wordt wat u de slechtste Nederlands-Portugeestalige film van de afgelopen 20 jaar vindt, hoeft u geen moment te peinzen.