titels films

Leaving Las Vegas

Rose wolkjes moeten drankkegel verdoezelen

Er bestaan weinig films die een overtuigend beeld geven van alcoholisme. De meeste zijn irritante moraalschetsjes, waarin alcoholisten worden afgeschilderd als strompelende probleemgevallen die de fles als existentieel vluchtmiddel gebruiken.

Uitzondering op deze Postbus 51-mentaliteit is ’Barfly’, waarin Mickey Rourke alias Charles Bukowski een vieze maar trotse en intelligente zuiplap neerzette waar je je probleemloos mee kunt identificeren. Hoe verfrissend ook, Barfly was een wel erg romantische kijk op dronkemanswaanzin.

'Leaving Las Vegas' (genomineerd voor vier Oscars) van Mike Figgis moet de eerste realistische alcoholfilm worden zonder wijsvingertje of romantisch glijmiddel. De moraal is inderdaad achterwege gebleven, maar met dat glijmiddel is Figgis toch lelijk uitgeschoten.

Nicholas Cage is een alcoholistische scenarioschrijver. Hij is door vrouw en kind verlaten, en wordt door zijn vrienden gemeden. Als hij uiteindelijk ook ontslagen wordt, besluit hij zijn huis te verkopen en zich in Las Vegas dood te zuipen. In Las Vegas onmoet hij Elisabeth Shue, een duur hoertje dat de boulevards en casino's afstruint voor haar sadistische pooier.

Cage pikt haar op voor betaalde seks, maar van de blow job op de motelkamer komt weinig terecht. Cage is te vermoeid, te dronken, te depressief. Shue raakt ontroerd door deze wanhopige man en laat hem, nadat ze haar pooier verlaten heeft, bij haar intrekken. Het worden zware weken: Cage moet accepteren dat zij haar lichaam verkoopt, Shue moet aanvaarden dat Cage zich in noodtempo dooddrinkt.

Figgis ondermijnt zijn film met een aantal gelikte manoeuvres die het deprimerende thema verteerbaar moeten maken. Zo gebruikt hij wel erg romantische archetypen (De Rijke, maar Wanhopige Schrijver en De Misbruikte, maar Hartverwarmende Hoer/Engel), die hij laat spelen door wel erg aantrekkelijke acteurs (hun sex-appeal blijft zelfs tijdens een delirium tremens en een anale verkrachting nog overeind).

Verder romantiseert Figgis Cage's dodemansroes met een wel erg melancholieke jazzscore en heeft hij de neiging Cage's degeneratie te censureren - je ziet hem wat stuiptrekken en trillen en hij valt wel eens door een tafeltje, maar Cage blijft een mooie jongen met hoogstens een doodswens in zijn ogen. Geen kussen vol kots, geen plee vol diarree.

Andere zwakteboden zijn het volstrekt irrelevante geklooi van Shue met haar pooier en enkele volstrekt irrelevante monologen van Shue bij haar psychiater, regelrecht gejat uit Jane Fonda's 'Klute'.

Wat van ‘Leaving Las Vegas’ uiteindelijk toch een integere tearjerker maakt, is zijn gebrek aan moraal. Het is een ode aan vastberadenheid, aan acceptatie. Cage's persoonlijkheid, hoe wanhopig en ziek ook, dwingt respect af. En omdat Figgis geen twijfel laat bestaan over het lot van zijn held, kan de kijker zich volledig overgeven aan diens duistere odyssee. Die is, omdat de verschrikkingen van een levercirrose nooit echt dichtbij komen, buitengewoon romantisch.