titels films

Mon Homme

De droomhoer en de zwerver

Twee uitspraken op het Internet over Bertrand Bliers 'Mon Homme’ (de één van een mannelijke, de andere van een vrouwelijke filmjournalist): "De seksscènes zijn grof maar nooit vulgair, ze worden bijna spiritueel georchestreerd"; "Blier wil ons doen geloven dat mooie vrouwen alleen maar bevrediging kunnen krijgen als ze genomen worden door smerige hoerenlopers"

Het mag duidelijk zijn dat het hier om een controversiële film gaat met mogelijk seksistische tendenzen. Dat komt niet onverwacht van een regisseur als Blier, wiens oeuvre in het teken staat van seksuele provocatie (zijn doorbraak 'Les Valseuses’ kun je vertalen als 'De Kloten). Probleem met shockeren is dat het nog wel eens als afleider dient van gebrekkige kwaliteit. Bovendien moet de kijker een lagere gêne-drempel hebben dan de maker, anders volgt onherroepelijk verveling. Dat is het geval bij 'Mon Homme.'

Marie (Anouk Grinberg) is een jonge, getalenteerde prostituee die kickt op haar vak. Geen standje is haar te bont, geen hoerenloper te vies. Ze komt zelfs klaar tijdens haar werk. Haar leven neemt een wending als ze Jeannot (Gérard Lanvin) leert kennen, een zwerver uit het trappenhuis. Ze geeft hem te eten en biedt hem haar lichaam aan. Na een heftige, bijna sado-masochistische sekspartij worden ze verliefd.

Marie vraagt hem haar pooier te worden - een lieve pooier, wel te verstaan. Zij werkt, hij beheert de poen. Dat lijkt hem wel wat. Maar zijn ego raakt opgeblazen en hij besluit, achter Marie's rug, ook andere dames te laten werken. Als Jeannot in de bak belandt trouwt Marie met een andere werkloze.

Blier heeft een aantal onoverkomelijke fouten gemaakt. Ten eerste de casting van huisactrice Anouk Grinberg als Marie. Grinberg mag dan dankzij haar ongeremde acteerspel een Gouden Beer op het Filmfestival van Berlijn gewonnen hebben, ze lijkt met haar broze lichaampje eerder een minderjarig crackhoertje dan de vervleselijking van de ultieme prostituee. Dat gevoel wordt versterkt door de kinderlijke uitspraken die Blier haar in de mond legt: "Ik ben een viespeukje" (tegen een oude man als ze tegenover hem zit te plassen). "Hopla, in mijn hand wordt het vogeltje wakker!" (tegen een zakenman die ze aftrekt).

Evenzo storend is Bliers combinatie van flauwe, quasi absurdistische scènes (een wildvreemde vrouw bespringt Jeannot als deze de gevangenis verlaat) en haaks daarop staande bombastische dramatiek (opera-muziek tijdens een ‘op z'n hondjes' wip). Het werkt niet. Blier mist het lef om zijn fantasie serieus uit te werken en mist de finesse om er een werkelijk absurdistische komedie van te maken. In dit losse zand werken zijn provocaties – ‘Hoeren vinden het stiekem lekker’ 'Iedere vrouw wil onderworpen worden?' - als losse flodders.

Tijdens de pers vertoning van 'Mon Homme' in Berlijn liepen een paar vrouwen de zaal uit. De vraag is of ze aanstoot namen aan de film, of dat ze zich gewoon verveelden.