titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Tinker, Tailor, Soldier, Spy

Echo's van veelzeggend zwijgen

Een grijze muis van middelbare leeftijd met slappe kantoorjas, hoornen bril en buikje. Geheim agent George Smiley van thrillerauteur John le Carré is misschien wel de meest gedurfde anti-held ooit. Een meesterschaker in de Koude Oorlog die geen sex-appeal, martial arts of smoking à la 007 nodig heeft om ons bij de strot te grijpen. Smiley's charisma berust namelijk op grijze massa.

De beste verfilming van Smiley's spionagewereld is de seventies tv-serie Tinker, Tailor, Soldier, Spy. Dat was een ambitieus plan. Kun je in een boek de stille kracht van zo'n personage tot uiting brengen in beschrijving en monologue intérieur, als voice-over wordt zoiets snel banaal. Hoe verbeeld je een zwijgzame genius? Door Sir Alec Guinness te casten. Niet alleen vanwege zijn Oscarkwaliteiten, maar vooral omdat de rol hem op het lijf geschreven was. Met een minimum aan mimiek wist hij Smiley's muizige verschijning de focus van een panter te geven. Le Carré was er zo onder de indruk van dat hij samen met de acteur de dialogen herschreef tot ze perfect in tune waren met wat Guinness als Smiley's stijl beschouwde. Sterker nog, toen Le Carré vervolgens Smiley's People schreef had hij Guinness in gedachten in plaats van zijn eigen Smiley. George Smiley was Alec Guinness geworden.

Niet zo vreemd dus dat het 30 jaar geduurd heeft voor men zich aan een nieuwe verfilming waagde. De relatief onbekende Zweedse regisseur Tomas Alfredson werd ingehuurd, geflankeerd door een topcast van John Hurt, Mark Strong en Colin Firth. Spannende keuze was Gary Oldman als Smiley, net als Guinness een kameleon, maar wel een die regelmatig schmierend uitglijdt in pulp. Kan Oldman wel veelzeggend genoeg zwijgen?

Over het verhaal moeten we kort zijn. Niet omdat er spoilers op de loer liggen, maar omdat de plot zo complex is dat we Smiley's brein nodig hebben om haar samen te vatten. Bovendien is Le Carré stiekem meer sfeerschepper dan puzzelaar. Alleen al het kantoor van her majesty's secret service, ook wel MI6 genaamd en door Le Carré veelzeggend The Circus herdoopt: een grauwe bunker vol paperclips, high-tech typemachines en kettingrokende spionnen. Én dubbelspionnen. Een van hen speelt info door aan de mysterieuze Karla, de Russische pendant van George Smiley. Om deze verrader op te sporen wordt de ontslagen Smiley van stal gehaald. Een man van weinig woorden, maar wel een die weet aan welke touwtjes je moet trekken. Om het kaartenhuis te laten instorten.

Tinker, Tailor, Soldier, Spy oogt zoals een tribute band klinkt: even natuurgetrouw als overbodig. Laten we met het positieve beginnen. De art direction ademt seventies uit al haar poriën, van fletse kleuren tot klerkige trench coats tot uitgedunde schedelkapsels. Een perfecte weergave van de lelijke, cynische discotijd. De sfeer wordt nog eens benadrukt door de Nederlandse director of photography Hoyte van Hoytema, die met een telekanon bovenop de personages zit waardoor kadrering claustrofobisch en detaillering pervers worden. De sfeer van geheim & verraad, precies zoals in de serie.

Maar er is iets mis met dit dupliceren. Het dupliceren zelf. Regisseur Alfredson lijkt een ode te willen brengen aan de serie door een film te maken die als televisie oogt. Daarbij riekt de keuze voor seventies naar retro. Dat de serie zich in die tijd afspeelt is logisch want toen werd hij gemaakt, maar waarom nu weer in die tijd situeren? Waarom een period piece? Er wordt toch ook geen remake gemaakt van Dr. No tegen een sixties decor? Geheim & verraad is van alle tijden; de nog springlevende Le Carré had het scenario makkelijk naar het hier en nu kunnen transponeren.

En dan Gary Oldman. Voor wie de serie niet kent levert hij een geweldige acteerprestatie. Veel suggestie met subtiele expressie. Maar wie wel bekend is met Guinness zal even moeten slikken. Want hier is iemand heel erg aan het imiteren. Op het allerhoogste niveau, dus des te pijnlijker. Oldmans overbewuste introverte acteerwerk is één lange déjà vu van Guinness' présence. En na meer dan twee uur aan close-ups van zijn suggestieve blikken hunkeren we naar een Totaal Andere Interpretatie Van George Smiley. Naar eigenheid. Naar risico. Naar Gary Oldman. Desnoods met sex-appeal, martial arts en smoking.

Tinker, Tailor, Soldier, Spy
Waar hebben we die bril eerder gezien...

Anonymous

Het genie achter het genie achter de zwendel

Geen kunstenaar zal het toegeven, maar het ergste wat hem kan overkomen is de status van genie. Zodra connoisseurs, snobs en media elkaar overtroeven in superlatieven, rest nieuwsgierigen geen ruimte meer voor een oprechte verkenning van diens werk. Anders gezegd: als ontzag wordt afgedwongen, raakt het observatievermogen impotent. Voor hartesmaak heb je een open mind nodig.

Het komt een enkele keer voor dat zo'n heilig huisje een verfrissende renovatie ondergaat. In biopic Amadeus ('84) bijvoorbeeld, werd Mozart als een geile zuiplap neergezet waardoor zijn imago opeens lucht kreeg en zijn muziek toegankelijk werd voor popcornvreters. Na eeuwenlange gijzeling door de elite was Mozart weer terug bij het volk.

Goed nieuws dus dat een big budget pulpregisseur als Roland Emmerich zich vergrijpt aan niemand minder dan William Shakespeare. Deze Duitse filmboer, die Hollywood heeft veroverd met computer generated natuurrampen, buitenaardse invasies en prehistorische lulkoek, lijkt de aangewezen cineast om Shakespeare weer menselijk te maken. Sterker nog, in Anonymous stelt hij dat Shakespeare geen letter op papier heeft gezet. Balletje-balletje!

Edward de Vere (Rhys Ifans) is graaf van Oxford in het Engeland van de 16e eeuw. Hij is ook minnaar van koningin Elizabeth I (Joely Richardson). En populair dichter annex toneelschrijver. Maar dat succes is linke soep. Zijn stukken spelen zich namelijk af in politieke wespennesten die wel erg lijken op die van het Engelse hof. Als intrigant Robert Cecil (Edward Hogg), een vertrouweling van de koningin die haar leugens influistert om zijn macht te vergroten, lucht krijgt van Edwards subversie, besluit de laatste ghost writer te worden. Ene Bill Shakespeare (Rafe Spall), een tweederangs acteur die niet kan schrijven, mag met de eer gaan strijken.

Een kruising tussen David Bowie en Karl Lagerfeld, dat moest de ware Shakespeare lijken. Een mooie jongen met goudfgeföhnde lokken, melancholieke ogen en de eloquente doch sarcastische tongval van een dandy. Maar wie denkt dat Emmerich met deze knipoog naar glamrock wil morrelen aan Shakespeare's status komt bedrogen uit. Dat blijkt al uit de proloog, waarin niemand minder dan Derek Jacobi ons met hete Oxfordaardappel-in-de-keel dicteert dat 's werelds beroemdste schrijver, auteur van 37 geniale toneelstukken en 154 sonnetten, onmogelijk een volkstheateracteurtje als William Shakespeare geweest kan zijn. De toon is gezet - Anonymous gaat niet over ontmaskering van status, maar van identiteit.

Gezegd moet worden dat er voor die thriller een ingenieus scenario geschreven is. De intriges volgen elkaar in rap tempo op en er wordt listig gegoocheld met tijd en wendingen om de spanning erin te houden. Wel lastig bijhouden wie wie een loer probeert te draaien, want de personages praten archaïsch Engels en zijn moeilijk uit elkaar te houden met hun Zwarte Pietbroeken en schouderlange permanentjes. Gelukkig herken je de bad guys aan hun sinistere blikken, want Emmerich blijft een genrefilmer die op stereotypen vertrouwt.

Ook kan hij het niet nalaten om zijn waargebeurde fantasie op te kloppen met digitale panorama's van het toenmalige London. Vooral een helikopterview van de begrafenis van de koningin maakt indruk, al verwacht je ieder moment een Emmerichiaanse aardbeving of UFO-landing. Verder is de filmmaker zo verstandig geweest om de duizendklapper aan Shakespeare-citaten te blussen met authentieke pies & poepdetails, zoals wegrottende gebitten en een gezonde portie incest.

Helaas duurt het dik twee uur voordat de film een beetje raakt. Het is de schurk die daarvoor moet zorgen, een gebochelde die gebukt gaat onder Salieriaanse afgunst. Hij vertelt de Ware Shakespeare wie Edward werkelijk is. Een prachtig moment, maar het kan niet verdoezelen hoe pretentieus Anonymous is. Emmerich heeft geen period piece of thriller willen maken, hij ambieert een drama van Shakespeareïaanse proporties. Zijn film lijkt gebaseerd op een laatste, nooit gepubliceerd stuk van Shakespeare. Anonymous is pseudoniem voor Roland Emmerich, geniaal cineast.

Anonymous
Het genie als glamrocker

Texas Killing Fields

Oestrogeen en grote ballen

Het is geen kinnesinne om als vrouwelijk regisseur door te breken in Hollywood. Slechts 8% van de cineasten draait daar op oestrogeen. Als er over de oorzaak van deze ongelijkheid gespeculeerd wordt krijgen de seksistische studiobazen steevast de zwarte piet toegespeeld, terwijl Hollywood toch meer gefixeerd is op geld dan op vooroordelen.

Interessanter zijn de vrouwen die niet zeuren maar knokken. Zij hebben twee opties om door te breken. Om te beginnen mannelijke films maken. Kathryn Bigelow kaapte als eerste female producer/director twee Oscars weg met bermbomhit The Hurt Locker. Dat uitgerekend een vrouw dit macho universum durfde uit te diepen getuigde van grote kloten. De tweede optie is wat minder maakbaar: geboren worden als dochter van een beroemd regisseur. Sofia Coppola wist mede dankzij de expertise + centen + macht van pa Francis zich een art-niche eigen te maken met fraaie lege films over fraaie lege mensen. Sofia weet hoe je leeg trendy kunt maken.

Zo eens in de 10.000 jaar komt het voor dat een vrouw mannelijke films wil maken én dochter is van Michael Mann, geestelijk vader van eighties tv-hit Miami Vice en regisseur van crimehit Heat. Deze Amy Mann (niet te verwarren met muzikante Aimee Mann) heeft op de set van Heat ervaring opgedaan als second unit director en mocht er ook een making of draaien. Nu wil ze doorbreken met een eigen thriller, veelbelovend getiteld Texas Killing Fields. Gebaseerd op - uiteraard zo bloedig mogelijke - feiten.

Bij 'killing fields' denken we automatisch aan Cambodja, maar deze velden liggen dus in het zuiden van de Verenigde Staten. Het gaat om een gebied vol dooie bomen, jankende coyotes en lichtgeïrriteerde ratelslangen. Een paar eeuwen terug is hier een Indianenvolk bijeen gedreven en tot kannibalisme gedwongen. Geen wonder dus dat de lokale bevolking er niet graag picknickt. Uitzondering is een seriemoordenaar die een stukje privacy wel kan waarderen. Zijn doelgroep bestaat uit jonge vrouwen zoals Little Anne Sliger (Chloë Grace Moretz), een bloem die verpietert in haar white trash familie. Ze is tevens mascotte van de uit New York afkomstige politieman Brian Heigh (Jeffrey Dean Morgan), die echter druk druk is met het jagen op de serial killer. Totdat ook zijn mascotte verdwijnt.

Regisseur Danny Boyle was de eerste gegadigde voor verfilming van de gelijknamige bestseller. Boyle bedankte uiteindelijk omdat hij de roman "too dark" achtte om kans te maken bij de studio's. Dat donkere moet Mann juist aangetrokken hebben want ze probeert iedere scène een broeierige ondertoon te geven. Zweetoksels, ingevallen amfetaminewangen, doorgerotte veranda's, automatische geweren en natuurlijk die typisch zuidelijke incest. Hoor hierbij een spookachtige slide guitar met flanger effect en je begrijpt waarom wapenclub NRA zo populair is in deze contreien.

Nou is vader Mann expert op het gebied van sfeerbouwen (Miami Vice dreef op Armani, Ferrari en Jan Hammers synthesisers), maar de man wist op gezette tijden ook met spanning & actie voor een catharsis te zorgen. Daar schort het aan bij zijn dochters film. Het wordt maar niet spannend. Er gebeurt te weinig. Da's deels te wijten aan de vlakke personages die weliswaar elkaar hevig zwetend wegkijken, maar niet tot leven komen. Vooral rechercheur Brian Heigh had met zijn grootstedelijke maar diepgelovige en waargebeurde achtergrond (portret van de paus op zijn bureau) een gaatje in het doek kunnen branden. Enige rol met ballen is die van een lokale agente (Jessica Chastain) die foute arrestanten een lel verkoopt. Maar haar rolletje is beperkt tot enkele minuten, om plaats te maken voor obligate pychopaten met prison tattoos en muscle cars. Die dus weer opvallend weinig doen.

Met Texas Killing Fields heeft Amy Mann een Sofia Coppola gemaakt terwijl ze juist een Kathryn Bigelow had moeten doen. Het is een mooie lege film over lelijke lege mensen geworden, in plaats van een mooie lege film met grote kloten. Amy had moeten bedanken voor het scenario omdat het "too boring" is. En in de leer moeten gaan bij Bigelow om te begrijpen waarom haar vader zo succesvol is.

Texas Killing Fields
We gaan er maar weer eens vroeg in vanavond

La Piel Que Habito

Onderhuidse gekkigheid

Het is salonfähig om te gruwen van macho cinema. Zo is testosteronicoon Sylvester Stallone een dankbaar onderwerp van hoon omdat hij zijn gebeeldhouwde lichaam en commandomotoriek zoveel nadruk geeft in actiefilms. Potsierlijke proleet! Een stuk minder politiek correct is het om je te ergeren aan queer cinema. En dan hebben we het niet over films waarin homoseksualiteit een gegeven is, zoals het prachtige A Single Man, maar over komedies als La Cage Aux Folles waarbij we verwacht worden mee te gieren met nichterige hysterie. Kijk eens wat ont-zet-tend gay we zijn!

De Spaanse Pedro Almodóvar is een regisseur die openlijk uitkomt voor zijn homoseksualiteit. Zijn films gaan echter zelden over nichten. Sterker nog, Almodóvars protagonisten zijn meestal hetero's die worstelen met relaties. Wat zijn oeuvre toch nichterig maakt is de stijl. Zijn verhalen zijn doordrenkt met valse ironie en ondergedompeld in een flauw soort absurdisme waardoor je niets of niemand serieus kunt nemen. Het leven is immers één grote travestie! Liefhebbers noemen zijn werk bizar, maar de spot ondermijnt iedere betrokkenheid.

Dat je toch niet om Almodóvar heen kunt komt door zijn visuele power. Deze regisseur verbeeldt alsof filmen een feest is. Bruisend, kleurrijk, dynamisch. Latin lust. Daarbij weet hij zijn stokpaardjes, gender bending en seksuele identiteit, zo origineel uit te werken dat het tot een eigen genre uitgegroeid is. Laten die Freudiaanse elementen het nou uitstekend doen in horror. We zijn dus aangenaam verrast dat hij zich op dit genre geworpen heeft met La Piel Que Habito, De Huid Waarin Ik Woon. Over een plastisch chirurg, een beeldschone vrouw en een setje vlijmscherpe messen.

Aanzien en rijkdom, dokter Robert (Antonio Banderas) heeft het allemaal. Maar zijn leven is een tranendal. Zijn vrouw heeft zelfmoord gepleegd nadat ze van top tot teen was verbrand bij een auto-ongeluk. Zijn dochter heeft zelfmoord gepleegd nadat ze was verkracht en dientengevolge krankzinnig is geworden. Dokter Roberts inzet voor de wetenschap is er niet minder op geworden. In zijn thuislab heeft hij de eerste echte kunsthuid ontwikkeld. Sterker en soepeler dan het organische origineel, immuun voor malaria. Voor de experimenten heeft hij een proefpersoon gebruikt, een mooie vrouw (Elena Anaya) die in zijn luxueus ingerichte kelder verblijft. De vraag is echter of zij zich wel vrijwillig laat behandelen. En wat ze toch allemaal op de muur schrijft. En waarom ze zo op zijn ex-vrouw lijkt.

De eerste 20 minuten van La Piel Que Habito zijn een snoepwinkel voor cinefielen. Ouderwetse horror gepresenteerd in visual story telling en gearomatiseerd met voyeurisme à la Brian De Palma. Finger licking good. En de film is behoorlijk spannend, want de plot wordt verteld in flash-backs die het mysterie mondjesmaat ontrafelen. Almodóvar weet hoe je een verhaal moet vertellen.

Helaas weet hij ook hoe je het kunt verknallen. Zo kan hij het niet laten om de suspense te onderbreken met absurdistische momenten. Meest ergerlijk is een hilarisch bedoeld subplotje over een halfbroer. Deze macho is verkleed en geschminkt als tijger want kan alleen met carnaval over straat omdat hij anders door de politie herkend wordt. Hij dringt het huis binnen en heeft vervolgens hijgend en steunend en zwetend seks met het proefkonijn. De scène heeft geen enkele meerwaarde, lijkt uitsluitend bedoeld om heteroseksualiteit te banaliseren. Want dat gebeurt vaker. Waarom moeten er tijdens een feestje tientallen jongeren simultaan in de struiken liggen te neuken? Waarom moet Antonio Banderas een set dildo's presenteren en uitleggen hoe je een nieuwbakken vagina oprekt? Niet leuk want valse ondertoon.

Verder maakt Almodóvar onbegrijpelijke inschattingsfouten. Zo schenkt hij veel te veel aandacht aan een optreden van een zangeres die verder geen rol speelt. David Lynch had met zo'n intermezzo kunnen wegkomen omdat díe er een macabere schwung aan had gegeven. Maar Almodóvar wil vooral lekker gek doen. En lekker gek is killing voor horror.

Almodovars aanstellerij valt zo op omdat deze, voor zijn doen toch behoorlijk conventionele, film in veel opzichten de moeite waar is. Waarom nou niet één keertje gewoon gewoon doen? Waarom nou niet één keertje vertrouwen op professionaliteit? Als Almodóvar zichzelf serieus gaat nemen, dan kunnen wij dat doen met zijn personages. Zelfs als dat macho's of nichten zijn.

La Piel Que Habito
Wassen en föhnen?

Margin Call

Jip & Janneke do Wall Street

Eén van de belangrijkste oorzaken van de financiële crisis is de simpelste: geldzaken zijn oninteressant want onbegrijpelijk. Hypotheken, pensioenen, waardepapieren, opties, het is allemaal non-info, een spelletje waarvan de spelregels op hol geslagen zijn en waarin geen zinnig mens zich wil verdiepen als het niet écht-écht nodig is. Mede door deze o zo menselijke weerzin tegen breinvervuiling krijgen geldmannetjes de kans hun kennis te misbruiken. Zelfs nu nog, na verhelderende Jip & Jannekedocumentaires over de crisis, willen we het allemaal niet weten. Misschien ook wel omdat de conclusie even simpel is als de oorzaak: de gewone man is altijd de lul.

De vader van commercialmaker J.C. Chandor is geen gewone man. Hij was veertig jaar Wall Streethandelaar op niveau. Zijn zoon vernam dus uit eerste hand hoe het toegaat in de jungle van cijfers & centen. Ook toen de crisis uitbrak. Hij schreef er een scenario over waarmee hij een star studded cast wist te verleiden tot een low budget productie, die in amper 17 nachten is opgenomen in zo'n wolkenkrabber op Wall Street: Margin Call. Wat die 'margin' precies inhoudt kunnen doorzetters zelf uitzoeken op de Wikipagina van dit financiële begrip. Dat het om linke soep draait moge duidelijk zijn.

Het rommelt bij de firma. En dan hebben we het niet over de rücksichtlose ontslagronde waarbij zelfs de trouwste loonsloven met wat vakantiegeld op de keien worden gezet. Nee, er is een probleem met het product. Het waardepapier heeft minder waarde dan het zou moeten hebben. Veel minder. De analist (Stanley Tucci) die dat in de smiezen heeft gekregen is net ontslagen. Hij tipt een collega (Zachary Quinto), die zijn chef (Paul Bettany) weer op de hoogte brengt, en die weer zijn chef (Kevin Spacey). Waarna de chef-der-chefs (Jeremy Irons) wordt binnengevlogen. Een allercharmanste cobra die koppen wil laten rollen om zijn eigen kop te redden. Maar eerst is het tijd voor een stevige garage sale.

Toen Chandor het scenario schreef besefte hij dondersgoed hoe onbegrijpelijk en oninteressant geld is. Hij verveelt ons geen moment met inhoud of uitleg; pas na een uur worden het product en het probleem enigszins expliciet en ook dan nog worden details vermeden. Dat is opmerkelijk, want Margin Call is met haar eenheid van plaats en tijd eigenlijk een toneelstuk dat het moet hebben van dialogen. Maar de woorden ervaren we eerder als een geluidsband met suggestieve klanken die een mysterieuze, thrillerachtige sfeer scheppen, dan als een spoedcursus Geld voor Gevorderden. Een wijze zet van Chandor.

De thrillersfeer wordt nog eens versterkt door de grimmige openingsscène, waarin gesaneerd wordt alsof het Saddams roemruchte opruiming van politieke tegenstanders betreft. Werknemers ondergaan een ijzig slechtnieuwsgesprek waarna ze in shocktoestand door een beveiligingsambtenaar het pand worden uitgeleid. Alle reden voor rancune dus.

Maar Margin Call is net zo min een thriller als een docudrama. Zelfs geen J'Accuse. Chandor wil slechts de mechanismen schilderen die ten grondslag liggen aan het rattengedrag tijdens zo'n financiële meltdown. Daarbij zet hij de spelers neer als pionnen die vastzitten in hiërarchie, als gewone mensen met gezinnen die voor hun hachje vrezen. Maar die gewone mensen zijn wel erg cynisch. En erg opportunistisch. En erg onverantwoordelijk. Terwijl zoveel human factor ook weer niet bevorderlijk is voor de dramatiek - uiteindelijk willen we toch good guys en bad guys. Nu leven we met niemand mee. Sterker nog, we krijgen zin in een Saddameske opruiming.

Margin Call moet het vooral hebben van de momenten waarin het cynisme speels is. Heerlijk ranzig is Kevin Spacey 's peptalk tegen een groepje uitverkorenen. Problemen zijn uitdagingen! Zwakste moment is de climax, waarin het cynisme uitglijdt in een college ethiek. Baas-der-bazen Jeremy Irons vertelt zijn zakenmaat dat geld eigenlijk ook maar uit papier-met-plaatjes bestaat. Een Jip & Jannekeverhaal dat nooit op dit niveau had kunnen plaatsvinden. Het is dan ook eigenlijk voor ons bedoeld. Maar wij hebben onze conclusie al getrokken.

Margin Call
Als je maar gezond bent

Drive

Stilstaand scheuren met koele blikken

De straten waren niet afgezet. De politie was niet op de hoogte gesteld. De stuntrijder had een fles Jack Daniels achter kiezen. De regisseur had hem opgefokt met sarcastische 'peptalk'. De camera was op een autostoel gemonteerd en aangezet. De stunt driver deed zijn gordel om. Zette zich schrap. Gaf gas. Vol gas. En scheurde met 140 km/u 26 huizenblokken lang achter een treinstel van de bovengrondse metro van New York aan. Zonder te remmen.

Yep, we hebben het over DE scène van The French Connection ('71). De meest bloedstollende car chase uit de filmgeschiedenis en er is geen meter van gespeeld. Regisseur William Friedkin gaf later toe dat de opname volstrekt onverantwoordelijk was, maar god, wat een adrenaline. Misschien is het wel de enige bloedstollende car chase uit de filmgeschiedenis. Want achtervolgingen zijn saai. Ze zien er gechoreografeerd uit, met functioneel slippende banden en stuntlieden die wegspringende voetgangers spelen op netjes geëvacueerde straten. Vulling voor tv-series.

Toch kun je zo'n achtervolging op andere manieren ballen geven. Bijvoorbeeld door een acteur te casten die niet alleen ontzettend cool smoelt, maar ook bekend staat als real life racer (Steve McQueen in Bullitt uit '68). Of door de chauffeur neer te zetten als een professional, een getaway connoisseur die niet scheurt voor de kick maar voor het geld (Ryan O'Neal in The Driver uit '78). Ryan Goshling probeert beide in Drive met koele blikken, strakke autohandschoentjes en gulden regels. En weet ons bijna in te pakken.

De driver (Ryan Gosling) noemt ie zich. Hij is professioneel autorijder. Doet stunts voor films en laat zich inhuren als criminele vluchtwagenbestuurder. Een goedbetaalde ZZP'er dus. Maar een eenzaam man. Tot hij de buurvrouw (Carey Mulligan) en haar zoontje leert kennen. Mannie zit in de bak, dus er kan iets moois opbloeien tussen de buren. Tot haar echtgenoot plots uit de bak komt. Hij heeft zich nog niet herenigd met zijn gezin of hij wordt door ex-bajesmaatjes onder druk gezet om een pandjeshuis te overvallen. En daarvoor is een vluchtwagen vereist.

Deense regisseur Nicolas Winding Refn is bepaald geen actiefilmhuurling. Met het rauwe Pusher en het absurde Bronson heeft hij bewezen vakkundig met stijl te kunnen jongleren en is hard bezig als cultregisseur door te breken in Hollywood. Ook Drive druipt van de stijltrucs, bedoeld om genreclichés naar de hand te zetten. Zo zijn de dialogen uitgebeend tot op het bot, worden shots zozeer opgerekt dat ze filmhuisfähig worden en zorgen helikoptershots, synthesizers en slow motion voor een droomachtige atmosfeer. Ook het geweld, een belangrijke factor in Refns werk, krijgt een draai. Van een afranseling wordt alleen de schaduwpartij getoond. En hoe vaak wordt iemand bedreigd door een kogel op diens voorhoofd te drukken en deze met een hamer af te vuren? Geen high art, wel effectief.

Toch is het niet de stijl die Drive boven de gemiddelde gaspedaalfilm doet uitstijgen. Het zijn de acteurs. Vooral de chemie tussen de hoofdrolspelers is hartveroverend. Hunk Gosling matcht zo onverklaarbaar goed met de nogal mutserige maar hypnotiserend glimlachende Mulligan, dat hun flirt geen seks behoeft om van het doek af te knallen. Tel daarbij een allercharmanste lach/staarwedstrijd tussen de driver en het zoontje, plus gastrolletjes van schmierende oudgedienden Albert Brooks en Ron Perlman als maffiosi, en je hebt een aangename zondagmiddagfilm.

En de car chases? Daar zitten zijn er opvallend weinig van in, voor een film die zich Drive durft te noemen. Belangrijkste achtervolging is de opening. Geen videoclip van stuurmanskunsten, maar focus op het ijzige vakmanschap van de driver en diens modus operandi. Denk een onopvallende auto met opgepept blok, geen verbaal contact met de criminele klanten, geen wapen, een exact getimede wachttijd. En veel laserblikken van Gosling, die niet zozeer scheurt als wel schuilt om politiehelikopters af te schudden. Daar, onder dat metroviaduct, is er bijna sprake van ultimate racing cool bij 0 km/u. Als Gosling die mieterige sportautohandschoentjes nou maar niet had aangetrokken.

Drive
Doe dan wanten aan!

The Adventures of Tintin

Achtbaan met behaarde baksteen

Van boek naar toneelstuk, van gedicht naar song, van musical naar film; vertaling van het ene medium naar het andere oogt doorgaans als een transseksuele operatie: leuk geprobeerd, maar zelden sexy. Zo is literatuur vaak de klos als plunderbak voor filmscenario's. Maar deze gender bending valt zelden op omdat geen hond meer literatuur leest. Dat ligt even anders voor kinderboeken en stripboeken. Die heeft iedereen als snotneus verslonden en dus eigen gemaakt. Het is voor liefhebbers dan ook een gruwel als rücksichtlose scenaristen karaktermoord plegen op hun helden door deze mainstreamfähig te maken. Van Winnie the Pooh tot Olivier B. Bommel, ze kregen allemaal een happy face aangemeten.

Steven Spielberg is niet opgevoed met Kuifje. Zijn kinderbrein moest zich behelpen met superhelden uit comics. Hij ontdekte Tintin pas toen hij Raiders of the Lost Ark had uitgebracht en Franse critici parallellen trokken. Spielberg zag onmiddellijk het potentieel van Hergé's oeuvre en kocht Kuifje's rechten op. Die hij vervolgens in zijn zak liet branden tot hij de techniek rijp achtte voor een waardige verfilming. Niet dat vorige pogingen als klassiekers te boek staan. De tekenfilmserie ('91-'92) en de tekenfilm Tintin et le Temple du Soleil ('69) waren trouw aan Hergé's stijl, maar ogen inmiddels primitief. De oubollig geacteerde films uit begin jaren zestig zijn zelfs tot camp verworden. Maar Spielberg wil niet zomaar een verfilming, hij wil DE Kuifjeverfilming op zijn naam hebben staan. De strip eigen maken. Maar is zijn Kuifje nog wel de onze?

De nietbestaande titel The Adventures of Tintin is met reden gekozen, want al volgen we grotendeels The Secret of the Unicorn, er is ook een lang fragment uit The Crab with the Golden Claws doorheen geprakt. Voor de barbaren die onbekend zijn met deze werken: Kuifje vindt een schatkaart in de mast van een scheepsmodel, krijgt een schurk, een kleptomaan en twee detectives achter zich aan, wordt ontvoerd, leert kapitein Haddock kennen, hoort van de schat van piraat Rackham en komt in de Sahara terecht met een operazangeres die de hoge C zingt. En dat is nog maar deel I.

Voordat de film goed en wel begonnen is ruiken we al onraad: de credits worden getypt op een typemachine zonder dat de 'hamers' het papier raken - alsof het een pc-scherm is. Is dit verzonnen door een stagiaire die nooit zijn vingertoppen heeft beursgeslagen op een Olympia!? De onraad begint echt te rieken als de credits vervolgd worden in een tekenfilmpje dat niet gestileerd is als hommage aan Hergé's klare lijn maar lijkt op een Pink Panther-intro. Waar is de traditie?

Spielberg wil helemaal geen traditie. Spielberg wil revolutie. En Tintin oogt absoluut revolutionair. De virtuele wereld, met name het zonlicht en de menselijke huid, heeft hij zo briljant verbeeld dat het griezelig is. Een lucide nachtmerrie. Dat hyperrrealisme wordt nog eens versterkt door motion captiontechniek, waarbij de motoriek en mimiek van de acteurs geïmplementeerd worden in een vitueel lichaam. Hierdoor lijken de animatiepersonages mensen van vlees en bloed die een karikaturale, Michael Jacksoneske operatie hebben ondergaan. Levensechte stripfiguren. Maar moet Kuifje wel levensecht zijn?

Kuifje moet vooral Kuifje zijn. Dat is redelijk gelukt, niet in de laatste plaats omdat Tintin zelf nogal kleurloos is. Maar een geprononceerd karakter als Haddock is minder gefortuneerd. Spielberg zet de tierende whiskeykapitein neer als een neurotisch wino die - godbetert - leukig doet. Haddock is niet leukig dedoeld. Haddock is boos bedoeld. En daardoor leuk. Ook Jansen & Janssen verliezen hun charme in te nadrukkelijke slapstick, terwijl Bobby oogt als een behaarde baksteen. Deze personages horen thuis in een vaudevilleshow.

Op haar zwakste momenten lijkt Spielbergs Ulltieme Tintinverfilming op de oubollige Kuifjefilms van de jaren zestig. Op haar best overtroeft het de rollercoaster van Indiana Jones. Even adembenemend als banaal, even vernieuwend als zielloos. Wat Spielberg aangerekend moet worden is dat hij met deze technologische show-off voorbij gaat aan de subtiele humor die met reden 58 vertalingen kent. Hij heeft Tintin verDisneyd tot superhero. Had dan die geslachtsverandering ook gelijk doorgezet.

The Adventures of Tintin
Lucide nachtmerrie

Abduction

De actiethriller die experimentele camp was

"Family and sailing" antwoordde regisseur John Singleton op de vraag waar ie de laatste zes jaar mee bezig is geweest. Hij lachte erbij als een boer met wortelkanaalbehandeling. Begrijpelijk, want Singleton heeft 20 jaar geteerd op zijn hitdebuut Boyz n the Hood en sindsdien stelselmatig alle credits in Hollywood verspeeld met een geflopte Janet Jacksonfilm, een geflopte raceautoknaller en een geflopte sequel van een cultfilm. In 2005 was het op. Toen is ie maar gaan zeilen met familie.

Het is echter ook goed mogelijk dat die boerenglimlach door zijn comeback veroorzaakt werd. Want 20 jaar geleden had Singleton toch echt gepast voor de regie van Abduction, een vehikel voor de lancering van een puberster. Deze Taylor Lautner, herkenbaar aan zijn onwaarschijnlijk lage voorhoofd, is bij tieners waanzinnig populair als half indiaan/half wolf en fulltime heart throb in de vampierpulpfranchise Twilight. Het bijrolsterretje klopte aan bij de werkloze Singleton. Of de regisseur een charismatisch acteur van hem kon maken. Ook 'grappig', 'scherp', 'romantisch' en 'kick ass' stonden op zijn verlanglijstje. Singleton, huiverig om nog eens vijf jaar aan de fok te trekken, ging overstag en zette Lautner voor de tv met een stapeltje James Dean-dvd's. Dat hebben we geweten. Abduction is de meeste bizarre mainstream actiethriller ooit geworden.

Nathan (Taylor Lautner)is een gewone upper class jongen met gewone upper class ouders. Alhoewel. Als hij samen met zijn vriendin (Lily Collins) een site bekijkt met vermiste kinderen komt hij daar een -ouder gemaakte- foto van zichzelf tegen. Nathan is eigenlijk iemand anders! Nog voordat hij zijn ouders hiermee kan confronteren krijgt hij een tros gangsters en een kudde CIA-agenten achter zich aan. Maar als de nood het hoogst is komt er hulp uit onverwachte hoek: zijn échte familie.

Het is een oergegeven, 't idee dat je ouders je ouders niet zijn. Dat je achter een lantarenpaal gevonden bent. Dat je eigenlijk heel speciaal bent. Oerideeën maken de krachtigste scripts en Abduction heeft een blauwdruk waarmee je een neo-Hitchcokiaanse klassieker uit de grond had kunnen stampen. En vooruit, een carrière voor een charismatisch acteur. Maar er is iets vreemds aan de hand met deze film. Of beter gezegd: er zit bijna geen normaal moment in.

Laten we volstaan met een opsomming van indrukken. Een held die de bril van een schurk uitgebreid kapot trapt nadat hij de schurk zelf al uit het raam van een rijdende trein heeft gesodemieterd. Een heldin die midden tijdens een portie vrijen in de coupé de lust plots onderbreekt met een doodserieus "we should get something to eat". Een psychiater die zich tijdens een achtervolging camoufleert met een handvol heliumballonnen en doodserieus teksten bezigt als "okidoki". Een schurk die zonder enige paniek vertelt dat er een bom in de oven ligt die over 5 seconden afgaat. Een tot op de tanden toe gewapend killerteam dat geronseld lijkt uit een Bassie & Adriaanfilm. Een CIA-duo dat tien jaar lang 24/7 voor pappie & mammie heeft gespeeld. Een traan die in close-up van een wang biggelt. Enzovoort, enzovoort.

Met open mond zit je naar A te kijken. Wat ís dit voor een film! Waarom die absurde enscenering, die ridicule dialogen, die Wim T. Schipperspersonages! Waarom die kauwgombalautomaatrolletjes voor topacteurs Sigourney Weaver, Alfred Molina en Michael Nyqvist! Is dit übercamp, is dit een Starship Troopers? Of kijken we naar een stijlexperiment à la David Lynch zonder David Lynch? Of...is dit gewoon de allerknulligste big budget actiethriller van het millennium? De bulderende zaal koos voor de laatste optie. Maar als dit knoeiwerk is, dan is het zulk uniek knoeiwerk dat een studentikoos publiek zich er nog decennia aan zal laven.

Een glansrijke carrière voor een charismatisch acteur zal Abduction echter niet inluiden. Evenmin zal het van John Singleton een comeback kid maken. "Doing it really quickly" antwoordde hij op de vraag wat voor hem de belangrijkste uitdaging is geweest bij het maken van de film. En lachte daarbij weer als een boer met wortelkanaalbehandeling. Een uitgelezen moment om eens lekker uit te waaien met de familie?

Abduction
Studentenhaver