titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Club Sándwich

Statische beroering

Soms is de sneakvoorstelling niet zozeer een wenselijke als wel een noodzakelijke vorm van filmkijken. Zoals bij Club Sándwich, over een moeder en een zoon die op vakantie zijn. Uitkiezen op basis van de synopsis zou je deze film never nooit niet, thuis op dvd uitkijken evenmin. Alleen als je hem op je sneakbordje gekwakt krijgt en het buiten pijpenstelen giet, dan ben je bereid door te zetten. Het leuke is dat je voor die passiviteit nog beloond wordt ook.

Van de plot moet Club Sándwich het niet hebben. Een gescheiden moeder en haar zoon zijn op vakantie en doen de dingetjes die je verwacht dat een gescheiden moeder en haar zoon op vakantie doen. Beetje insmeren, beetje zonnebaden, beetje wauwelen, beetje tv kijken, beetje zwemmen, beetje eten, beetje maffen. Tijd spoelen.

Maar natuurlijk gaat de film over meer. Over een puber die worstelt met ontluikende seksualiteit en voor het eerst aan een meisje plukt, over een moeder die hem moet loslaten maar worstelt met jaloezie jegens het vakantievriendinnetje. Er wordt weinig gesproken, niets benadrukt, veel gevoeld. Onuitgesproken emoties die bezit van ons nemen doordat de Mexicaanse regisseur Fernando Eimbcke een bijzonder dwingende stijl hanteert.

Eimbcke heeft namelijk het lef om statisch te draaien. Dat wil zeggen dat ie in iedere scène slechts één onbeweeglijk camerastandpunt gebruikt en binnen een scène niet monteert. Geen ontkomen aan voor de kijker; je drijft mee met de zielenroerselen van deze wezentjes, zonnebadend op de saaiste plek ter wereld.

Natuurlijk, de statische stijltruc is allesbehalve uniek (denk Jarmusch). En Eimbcke’s droogkomische grappen ondermijnen de overigens zo subtiele toon (denk Van Warmerdam). Maar dat de regisseur zijn acteurs zó naturel weet te doseren en met zo weinig filmmiddelen zoveel effect weet te sorteren, dat maakt Club Sándwich tot een stiekeme aanrader voor filmliefhebbers – mits in een passieve bui en liefst tijdens een wolkbreuk.

Oordeel: ***½ van de *****

Club Sándwich
Goed smeren

Boyhood

Opgroeiende pretenties

Regisseur Richard Linklater houdt van trage films waarin veel gepraat wordt. Soms levert dat een aardig experiment op (A Scanner Darkly), vaker een gezwollen toneelstukje (Tape). Meer schrijver dan filmer dus. Desondanks probeert hij met zijn laatste productie Boyhood filmgeschiedenis te schrijven. De opnames hebben namelijk 12 jaar geduurd. Niet continu, maar geschoten in hapklare brokken. Reden: Linklater wilde de kindacteurs zichtbaar laten opgroeien in deze coming of age-film. Uniek experiment of moeilijkdoenerij? Beide, maar vooral dat laatste.

Extreme pogingen om in fictie een realistische look af te dwingen (acteurs die 25 kilo aankomen of afvallen) verdienen onze argwaan, omdat dergelijke fratsen afleiden van de plot en lonken naar ons respect. In Boyhood zorgt het verloop van de tijd dat we continu opletten hoezeer het kroost is gegroeid. Ongewenste sporen van realiteit, die lijken te ontkennen dat film nep is en nep hoort te zijn. Linklater had zich ‘gewoon’ kunnen bedienen van de digitale trukendoos, maar zo’n kunstgreep had ongetwijfeld tegen zijn artistieke inborst ingedruist.

Maar dat Boyhood is mislukt, is niet te wijten aan de overmaat aan realiteit. ‘t Is een gebrek aan charme, killing voor zo’n kabbelende coming of age film. De dialogen zijn oubollig, de regie houterig, de bijrollen zijn van karton. De licht-filosofisch bedoelde slices of life kijken alsof je 12 jaar lang over de schutting naar de buren zit te gluren; alledaagsheid slechts interessant indien eigen gezin, onverteerbaar als vreemde – en bovendien artificiële – familie. Zo kan zelfs nieuwkomer/natuurtalent Ellar Coltrane niet voorkomen dat je na 165 minuten groter groeien snakt naar wat ordinair escapisme, of natuurlijk naar de documentaire 21 Up.

Laten we er geen doekjes om winden: zonder de gimmick van 12 jaar opnametijd was deze nu al gedoodverfde filmhuisdarling het niemendalletje geworden dat het in wezen is. Wat niet wil zeggen dat Linklater niet in zijn opzet is geslaagd. Hij heeft een ontzettend trage film gemaakt waarin veel te veel gepraat wordt. Daarbij weet hij zijn Boyhood te presenteren als een kleine (lees: authentieke) film, waardoor niemand in de gaten heeft hoeveel pretentie er schuilgaat achter die valse bescheidenheid. Een 9 scoorde hij op IMDb, een staande ovatie ontving ie op Sundance. Maar volgende keer liever een écht experiment dat in een paar weken met hart & ziel uit de grond is gestampt…

Vonnis: ** (van de *****)

Boyhood
12 jaar dagelijkse sleur

Starred Up

Claustrofobische mokerslag

Starred Up is een gevangenisfilm. Bij dat genre denk je al snel aan ‘onterecht veroordeeld’, ‘geniale ontsnapping’ of, als het een beetje tegenzit, ‘verfilmd toneelstuk’. Niets van dat al. Starred Up mag door de eenheid van plaats dan claustrofobisch overkomen, het is allesbehalve een pretentieus praatstuk en al helemaal geen Hollywoodontsnapper. Als een cinematografische klap voor je bek, zo komt ie binnen.

De 19-jarige hooligan Eric Love (Jack O’Connell) is overgeplaatst van de jeugdgevangenis naar de grotemensenbak waar zijn vader de scepter zwaait. Niet dat Eric hoeft te wennen aan de gewelddadigheid van zijn nieuwe microkosmos – het zijn eerder de macho buren die het in hun broek doen. Want deze Love is wel heel erg explosief. Ongeleide projectielen zijn bad for dope business, dus de lokale maffiabaas zet hem op de dodenlijst. Pa doet een poging om op zijn knul in te praten, maar lijkt meer katalysator dan remedie.

Regisseur David Mackenzie weet van wanten. Een visual story teller bij uitstek, heeft ie de dialogen zoveel mogelijk geschrapt of uitgebeend tot het hoogstnoodzakelijke ‘YA F*CKIN’C*NT!’, om met de camera vooral spanning te schilderen. Het geweld is ongekend ruig maar nou eens écht functioneel, de dreiging en wanhoop die van Eric uitgaan maken hem tot meest overtuigende filmpersonage in jaren. Starred Up is zo’n parel waarvan je je afvraagt of ie niet stiekem een documentaire is. Niet geschikt voor watjes, nog veel minder voor cynici.

Starred Up
In your face

The Wolf of Wall Street

Wolf uit de schaapskleren

Misdaad loont. Awel, mits verfilmd dan. Het criminele circuit garandeert de meest smakelijke scenario’s omdat misdaad gepaard gaat met conflict en conflict het zout is in de pap van ieder verhaal. Maar films met een foute ‘held’ doen het ook zo goed omdat Slecht Zijn zo lekker voelt: het is verleidelijk om je in de donkere bioscoopzaal even Scarface of Gordon Gekko te wanen.

Denk echter niet dat deze guilty pleasures zonder moeite schuldvrij ervaren kunnen worden. De filmmaker moet al het mogelijke doen om onze scrupules te smoren. Daarbij heeft hij de beschikking over een arsenaal aan trucs. Zo kan hij de psychopaat een absurdistisch gevoel voor humor meegeven (C'est arrivé près de chez vous), hem kreupelen met een empathische achilleshiel (huurmoordenaar Léon en zijn buurmeisje) of hem omringen met schurken die nóg slechter zijn en het vuile werk opknappen.

Dat laatste flikte Martin Scorsese in Goodfellas en Casino, twee zeer gewelddadige films waarin je de hoofdpersoon nooit ziet moorden. In het verlengde hiervan ligt The Wolf of Wall Street, waarin de criminelen nu eens niet gewelddadig zijn maar witteboord. Dat heeft als grote voordeel dat de filmmaker ons niet hoeft te confronteren met de slachtoffers. We kunnen, samen met de Wolf, onbeschaamd genieten van zijn foute en hilarische capriolen. Rest de vraag of we zo’n cinematografisch orgasme drie uur lang volhouden…

Eigenlijk is Jordan Belfort een welwillende vent. Getrouwd, jasje/dasje, leergierig en behept met een gezonde werkethos. Maar in de financiële wereld van New York is geen plek voor braveriken. Naaien, dat moet je je klanten, zo hard en diep en pijnlijk mogelijk. Als Jordan dan toch weer op straat komt te staan zet ie een eigen bedrijf op. Om lucht te verkopen, want daar weet ie nu alles van. Hij ronselt een dozijn losers die hij omschoolt tot Wal Street welpen, zwendelaars die via de telefoon waardeloze aandelen aan nietsvermoedende burgers slijten. Maar stinkend rijk worden is niet genoeg voor Jordan en zijn companen. Vol overgave storten ze zich in de bijbehorende life style: sex, drugs en nog veel meer van dattum. Tot er een overijverige FBI-agent roet in zijn coke komt gooien.

Een "shame on you!" en een "disgusting!" kreeg Scorsese naar het hoofd geslingerd, na afloop van de officiële voorstelling voor de Acadamy (verantwoordelijk voor de Oscars). En het waren niet alleen deze conservatieve connoisseurs die over de liederlijkheid van The Wolf vielen: bij diverse publieksvoorstellingen werd de film zeer negatief beoordeeld. Opmerkelijk, want de kassa rinkelt zoals je bij een 100 miljoen dollar-productie alleen maar kunt hopen. Of zou het komen doordat The Wolf waanzinnig populair is onder bankiers, die soms de hele zaal afhuren?

Immoreel mag The Wolf of Wall Street in ieder geval genoemd worden, om maar niet te zeggen amoreel. Het is een ode aan zonde. Aan roes, geld, dope, zwendel, lust, nog meer dope, onveilige seks, perverse luxe en ga zo maar door. Maar Scorsese filmt het met zô’n aanstekelijk enthousiasme en met zóveel humor dat je bijkans scheten moet laten van het lachen, zelfs als je dat even écht niet wil, zoals tijdens het dwergwerpen of als er een stewardess wordt aangerand. Onbetwist hoogtepunt is het gebruik van zeldzaam verdovend middel dat de Wolf dwingt tot kruipend scheuren in zijn Ferrari. Nooit eerder heeft een zaal zo hard gebulderd.

Maar drie uur lang… Je zou het ‘t director’s cut-syndroom kunnen noemen. De macht van gerenommeerde regisseurs om een film zo lang te maken als ‘t hen betaamt – terwijl zij juist de laatsten zouden moeten zijn die dat bepalen want te dicht op hun kunstwerk. Sterker nog, als The Wolf 70 jaar geleden onder een strenge studiobaas gedraaid zou zijn, was de helft eraf geknipt. Niet dat er anderhalf uur aan saai celluloid in zit, maar een komedie dwingt nu eenmaal een andere spanningsboog af dan een gangster-epos; na anderhalf uur snak je naar een adempauze om even je neus te poederen en met vernieuwde energie de rest van de filmorgie in te duiken.

Neemt niet weg dat het een genot is om, na het tenenkrommende The Aviator en het toch wat saaie The Departed, Scorsese weer eens als vanouds tekeer te zien gaan, met een Leonardo DiCaprio in de rol van zijn leven. En dat gebaseerd op de pijnlijk eerlijke bespiegelingen van een mannetje dat je op een netwerkborrel nog geen minuut zou kunnen luchten, een opportunist die zijn bijnaam van de film gejat heeft om, na het verraden van al zijn vrienden, als ‘motivational speaker’ volgende generaties van luchtbakkers gebakken lucht te kunnen verkopen: “Act as if you're a wealthy man, rich already, and then you'll surely become rich.” Don’t give up your day job, Jordan.

The Wolf of Wall Street
Kantelmomentje

Mandela: Long Walk to Freedom

De Lange Zit naar de Aftiteling

Als ‘conflict’ de kern is van een goed verhaal, dan is ‘controverse’ de belangrijkste tweede voorwaarde bij een biopic. Zo is het ondoenlijk een interessante film over Adolf Hitler te maken. Zijn misdaden tegen de menselijkheid zijn zo grotesk, dat verdieping van zijn personage geen enkele kans maakt. Sterker nog, het is taboe om een portret van de man in grijstinten te schilderen. Nog lastiger is het levensverhaal van een heilig verklaard politiek leider. Denk aan JFK, die bij analisten te boek staat als een van Amerika’s slechtste presidenten (en niet omdat hij 2000 x vreemdging), maar een halve eeuw na diens verscheiden nog steeds gezien wordt als symbool van Hoop en Integriteit. Ignorance is bliss.

In deze politiek correcte tijden zou je bijna vergeten hoe controversieel Nelson Mandela, mede-oprichter van Spear of the Nation (de gewapende vleugel van het African National Congress), ooit was. Sterker nog, de Amerikanen wantrouwden Mandela’s affiniteit met het communisme zozeer dat ze de wereldleider tot aan diens dood op de terroristenlijst hielden. Inmiddels heeft zijn uitzonderlijk charisma geleid tot een heiligverklaring die Gandhi’s reputatie als vredebrenger lijkt te verdringen. Helaas maakt dat voetstuk hem ongeschikt voor een biopic, getuige Mandela: Long Walk to Freedom.

Nelson Rolihlahla Mandela’s levensverhaal mag als bekend verondersteld worden. Geboren op het platteland van de Apartheid, weet hij zich te ontwikkelen tot advocaat en betoont hij zich een welbespraakt activist. Als hij na de slachting van Sharpeville oproept de wapens te hand te nemen en overgaat tot sabotage, wordt hij vastgezet. Onder druk van de internationale gemeenschap komt hij 27 jaar later vrij, om verkozen te worden tot president van Zuid-Afrika. Uiteindelijk valt de Nobelprijs voor de Vrede valt hem ten deel.

Regisseur Justin Chadwick was eerder verantwoordelijk voor The First Grader, het waargebeurde relaas van een zwarte analfabeet die op hoogbejaarde leeftijd weer in de schoolbanken kruipt. Was die film even oubollig als de synopsis deed vermoeden, hij had in ieder geval nog didactische waarde - op Oprah Winfrey-niveau dan. Zo niet Mandela: Long Walk to Freedom. Als voorlichtingsfilm voor middelbare scholieren, die Mandela vooral kennen als hitsong en aforisme-orakel, is hij ongeschikt want gebaseerd op autobiografie, dus per definitie discutabel. Maar dat is niet wat de film nekt.

Long Walk to Freedom kijkt als een Lange Zit naar de Aftiteling. Een zouteloos, chronologisch opgelepelde tv-film met de allure van onze poldercinema. De film schreeuwt om reliëf. Niet alleen in Nelsons persoonlijkheid – zijn enige zonde lijkt het verkiezen van zijn volk boven zijn gezin – maar ook in de verbeelding van de Zuid-Afrikaanse maatschappij. Werkelijk iedere blanke wordt afgeschilderd als Klanlid in plaats van als doodsbang burger. Verder dragen de good looks van acteur Idris Elba niet bij aan de overtuigingskracht. Nelson was nu eenmaal geen mooie jongen.

Wat meest opvalt is hoe weinig filmtijd de regisseur investeert in de decennia durende gevangenisstraf. Als Chadwick ons werkelijk inzicht had willen verschaffen in Mandela’s kracht, dan hadden we na 139 minuten celluloid dat Robbeneiland in onze beenderen moeten voelen. Maar dat had Nelson te menselijk gemaakt.

Voor een film die zo’n larger than life persoonlijkheid eer aandoet is meer afstand nodig. Kritisch inzicht. Objectief feitenmateriaal. En liefst een gewaagde invalshoek, zoals die van zijn gevallen muze, Winnie Mandela. Tot die tijd is de enige controverse de intolerantie van de heiligverklaarders. Toen een van de bioscoopbezoekers de hagiografie niet langer trok en na een uurtje zijn toevlucht zocht tot de foyer, kreeg hij een ‘racist!’ naar het hoofd geslingerd door een medesneaker. Mandela draaide zich even om in zijn mausoleum.

Mandela: Long Walk to Freedom
Wolkje melk?

Captain Phillips

Qat kauwende mokerslag

‘Waargebeurd’ is zo’n label waar producenten graag mee leuren. Het geeft een film instant body en lijkt een garantie tegen onwaarschijnlijke wendingen van luie scenarioschrijvers. Onzin natuurlijk, want als iets ongeloofwaardig is, dan is dat de realiteit wel. Een waargebeurd verhaal moet daarom toch zoveel mogelijk op een verzonnen verhaal lijken, met een hoofdpersoon die sympathiek is en niet halverwege het loodje legt. Een kwestie van zorgvuldig selecteren dus, die waargebeurdheid.

Maar wat nu als pas na de opnames blijkt dat het waargebeurde toch niet zo waargebeurd is? Dat was het geval bij Captain Phillips, gebaseerd op een bestseller van de gelijknamige schipper, over de kaping van zijn containerschuit door vier Somalische piraten in 2009. Deze Phillips schildert zichzelf af als held-tegen-wil-en-dank, een sympathieke vent die met een paar sluwe zetten zijn bemanning tegen de indringers probeert te beschermen. Alleszins aannemelijk. Toch?

Van A naar B moet zijn schip. Langs de Somalische kust. Kapitein Phillips maakt zich zorgen, want volgens recente berichten is deze route vergeven van de piraten. Aan de andere kant: er is al 200 jaar geen Amerikaans vrachtschip gekaapt. Doorvaren dus. Bliep! weerklinkt het op de radar. En jawel hoor. Een speedboot met vier piraten nadert met een rotvaart. Wegspuiten met brandslangen biedt geen soelaas. Ze enteren. Gijzelen de kapitein. Eisen een zak duiten. En dan komt ook de cavalerie nog eens aandobberen.

Het geheim van een goede thriller schuilt hem in zijn opmaat. Dat weet Greengrass als geen ander. Uitgebreid neemt hij de tijd om zowel Phillips als de Somaliërs te introduceren, schildert hun dagelijks leven zodat ze van vlees en bloed zijn tegen de tijd dat de shit de fan hits, drie kwartier later. En dat doet het. Godallemachtig, wat een dynamiek. Met zijn beruchte hand held camerawerk in een veelal claustrofobische setting duwt Greengrass ons naar het puntje van de bioscoopfauteuil waar we ‘em dan nog anderhalf uur zitten te knijpen. Een uitputtingsslag voor je zenuwstelsel.

Ook cruciaal voor de overtuigingskracht is Greengrass’ beslissing geweest om met Somalische amateurs in zee te gaan. Een televisieoproep van Tom Hanks leverde 700 gegadigden op, waaruit vier Amerikanen van Somalische afkomst werden geselecteerd. De 28-jarige Barkhad Abdi speelt hun leider zo overtuigend dat we naar documentaire lijken te kijken, mede dankzij de shockregie van Greengrass: de Somaliërs ontmoeten Hanks niet eerder dan in werkelijkheid met hun personages het geval was; op de brug, schreeuwend, schietend, intimiderend, qat kauwend. Improvisatie op z’n ruigst.

Ook Tom Hanks zelf, met zijn guy-next-door looks en subtiele acteerwerk misschien wel de minst waarschijnlijke superster ooit, overtuigt zoals alleen hij dat kan: door veel over zijn bril te spieden. Met name in de opvallend onromantische maar hardcore epiloog betoont hij zich een groot want kwetsbaar acteur en durven we eindelijk even te slikken.

Een meesterlijke genrefilm dus, deze Captain Phillips. Maar waargebeurd? De bemanning heeft haar kapitein voor de rechter gedaagd. Ze zijn woedend op de schipper, ooit te gast bij Barack Obama. Het zou aan diens arrogantie te wijten zijn dat ze in levensgevaar werden gebracht. Niet alleen weigerde hij – ondanks smeekbeden en voorschriften – om minimaal 600 mijl van de Somalische kust af te navigeren, tevens negeerde hij het protocol om zich met manschappen benedendeks op te sluiten. Last but not least was het niet de kapitein die de kapers keer op keer een hak wist te zetten, maar hoofdmachinist Mike Perry, die in de film slechts een bijrolletje toebedeeld krijgt.

Allemaal leugens! Schande! Maar relevant? Welnee. Al kwam de film uit de koker van een qat kauwende scenarioschrijver, dan nog komt Captain Phillips aan als een cinematografische mokerslag. Wel zou het aardig zijn als de remake Chief Engineer Perry getiteld wordt, mits ook deze waargebeurde Perry dan door Hanks vertolkt wordt…

Captain Phillips
Even door de wasstraat

The Young And Prodigious T.S. Spivet

De knagende rouw van een ranchhond

Er is een theorie die stelt dat er in ieder goed verhaal minder geslaagde – of zelfs saaie –passages moeten voorkomen om de sterke passages beter tot uiting en de lezer/kijker/luisteraar op adem te laten komen. Lijkt een wat onzinnige theorie. Immers, de meeste vertellers zijn helemaal niet in staat onze aandacht voortdurend vast te houden. Toch komt het voor dat een short copywriter, gespecialiseerd in tekst op de vierkante millimeter, een roman schrijft die de lezer uitput doordat de reclamejongen in hem op iedere regel probeert te scoren. Ook zijn er clipmakers die ieder moment van hun speelfilmdebuut indruk trachten te maken met duizelingwekkende actie. Verslaafd aan impact zou je het kunnen noemen.

Regisseur Jean-Pierre Jeunet is zo’n junkie bij uitstek. Dit visuele short copykanon kan werkelijk geen saai shot draaien. Micmacs à tire-larigot, Le fabuleux destin d'Amélie Poulain, La cité des enfants perdus, Delicatessen - bij zijn oeuvre heb je de neiging om voortdurend op de pauzeknop te drukken en je misselijk te eten aan zijn eye candy. Er is nog een reden waarom je zijn films wilt bevriezen. Ergernis. Jeunet is niet in staat te ontroeren. Zijn personages zijn gekkebekkentrekkers, karikaturen met uitvergrote emoties die je bij de eindcredits de neus uitkomen. Jeunet kortom misbruikt zijn visuele meesterschap om een autistische handicap te verdoezelen. Wat hij nodig heeft is een dosis Disney-sentiment.

De 12-jarige T.S. is hoogbegaafd. Daar heb je niet zo bar veel aan als je op een ranch in de middle of nowhere woont. Het weerhoudt hem er niet van een perpetuum mobilee te ontwikkelen. Sort of dan, want het apparaat werkt op magneten die na 400 jaar de geest geven. Het Smithsonian Museum of Natural History is zo onder de indruk van zijn ontwerp, dat ze hem een prijs toekennen – in de veronderstelling met een volwassene van doen te hebben. T.S. stapt op de trein richting Washington. In z’n uppie. Of reist er een geest met hem mee?

In deze tijden van eenlettergrepige titels is het aardig er een te treffen waar je halverwege over struikelt (een nachtmerrie voor appende marketeers!). Ook opmerkelijk is dat deze Frans-Canadese maar toch integraal Engels gesproken coproductie op filmdatabase IMDb te boek staat als L'extravagant Voyage du Jeune et Prodigieux T.S. Spivet in plaats van als The Young and Prodigious T.S. Spivet, of gewoon als The Selected Works of T.S. Spivet, zoals de roman heet. Een manuscript dat overigens zo ‘hot’ was dat auteur Reif Larsen een voorschot van een miljoen dollar opstreek als uitkomst van een veilingoorlog. Jeunet moet zich rijk gerekend hebben toen hij de rechten verwierf.

Dat hij als scenarist gekozen heeft voor een (onfilmische) voice-over is hem vergeven, omdat het boek haar charme vooral ontleent aan het meedenken met Spivets nerdy brein. Diens gedachtenstroom is logisch op het absurde af, waardoor juist de hem omringende wereld onwerkelijk lijkt. Jeunet schildert de microkosmos van de ranch als even benauwend als onmetelijk. Mythisch is de vader, een oercowboy zoals iedere zoon zich er een wenst; sprookjesachtig is de moeder, lekker gek maar met gebroken hartje van goud. T.S. zelf is zo cute dat ie uit een literair Disney-experiment ontsnapt lijkt.

Beetje té, fluistert ons onderbewustzijn ons in, als de geniale maar toch vooral snotneuzige T.S. zijn reistas vol onzinspulletjes propt. T.S.’ uebercuteness ervaar je gaandeweg als een overdosis sentiment dat ons moet afleiden van een gemankeerd verteltrime. Want het verhaal hobbelt, samen met TS, te lang richtingloos door. Dat komt niet door een overmaat aan loze passages (daar is Jeunet niet eens toe in staat). Manco is dat we wéten dat er Iets Ergs gebeurd is op de ranch en ons realiseren dat T.S. daarmee in de climax geconfronteerd gaat worden, maar dat niet vóelen, niet in de laatste plaats omdat T.S. omringd wordt door kolderieke figuren die iedere poging tot medeleven ondermijnen.

Dat L'extravagant Voyage du Jeune et Prodigieux T.S. Spivet toch op punten wint is te danken aan Jeunets kinderblik. Werkelijk iedere flard van T.S.’ universum oogt betoverend, tot en met de hond die zijn rouw uit door op emmers te knagen – een beeld dat door alle uebercuteness heen bijt.

The Young and Prodigious Spivet
Perpetuum mobilee op de ranch

Het Diner

Nihilistisch charisma

Net nu De Nederlander tot meest depressieve Europeaan is uitgeroepen trekt het kabinet 20 miljoen euro extra uit voor stimulering van de filmsector. TWINTIG MILJOEN. Nou is er niet zo veel mis met subsidiëring van kunst, mits zo’n sector zich bewezen heeft als ambitieus en inventief, oftwel internationaal onderscheidend (denk aan ons toonaangevende jeugdtheater). Maar films maken, échte films, films die je meeneemt naar een onbewoond eiland, dat kunnen we hier helemaal niet.

Wat niet zeggen wil dat we niet kunnen doen alsof. Het Nederlands Filmfestival is een populaire afwerkplek voor wederzijds schouderkloppende soapmakers die elkaar wijsmaken dat ze filmgeschiedenis schrijven. Ruimte voor zelfrelativering – laat staan zelfspot – is er in zo’n zelfgenoegzaam universum natuurlijk niet. Slechts een enkele Nederlandse regisseur realiseerde zich dat zijn films niet zo veel voorstelden. Theo van Gogh. Meer provocateur dan denker, meer recensent dan regisseur, probeerde hij toneelstukjes op te waarderen tot intense home movies met een passie die zo onNederlands was dat je zijn probeersels het voordeel van de twijfel gunde.

10 jaar na zijn dood verschijnt er weer een typische Van Gogh. Ironisch genoeg gedraaid door een filmmaker die Hollywood echt ‘gedaan’ heeft: Menno Meyjes, scenarioschrijver van Spielbergs Empire of the Sun. Een illusie armer is hij teruggekeerd voor onze schouderklopjes en om Herman Kochs bestseller Het Diner te verfilmen.

Met een beetje kwade wil zou je leraar Paul (Jacob Derwig) voor een luie psychopaat kunnen verslijten. Foute denkbeelden, foute uitspraken, fout mannetje. De misantroop mag met reden al jaren niet meer voor de klas staan. Dat hij toch gevoel in zijn donder heeft blijkt als hij er achter komt dat zijn zoon een misdaad begaan heeft. Bij de flappentapper, samen met zijn neef. De ouders van de jongens besluiten het drama te bespreken tijdens een etentje. Dan blijkt dat er zeer verschillend gedacht wordt over het plan van aanpak…

VVV-beelden van nachtelijk Mokum, een gehandycamde neukpartij en groezelshots van een pinautomaat. Zo veel mogelijk eenheid van plaats (restaurant), want in Nederland willen we altijd Herman Heijerman. Dialogen als “Jij laffe LUL!”. Meyjes kortom, laat ons iedere minuut voelen dat we naar nederfilm kijken.

En al is Kochs boek dan geen toneelstuk, sprake van een geweldige thriller is er evenmin. Zodra het telefoonfilmpje in beeld komt weten we hoe laat het is. Of zelfs dat niet. Want uiteindelijk worden we ‘verrast’ met een metamorfose van één van de vier ouders, waardoor de thriller uitglijdt in een ander genre. Een ongeschreven filmwet dicteert dat zo’n transformatie aangekondigd wordt met subtiele aanwijzingen; nu ervaren we de wending als vals spel, als een stoplap om er een eind aan te breien. Had Jiskefet niet een sketch over open eindes? Ach, leefde Theo nog maar.

Want Het Diner wil, zoals 't een echte Van Gogh betaamt, meer zijn dan een verhaaltje. De plot is vooral een kapstok voor Kochs filosofische bespiegelingen. Deze monologues intérieurs worden door Meyjes opgediend in een even onvermijdelijke als gemakzuchtige voice-over (zo kunnen we allemaal een boek verfilmen!). Vervelender is dat de contemplaties gespeend zijn van de ondefinieerbare humor die we kennen uit Kochs vroegere werk uit Borát en Jiskefet. Wat rest is een lesje provocatief nihilisme. A typical Van Gogh! zouden toeristen zeggen, als ze zo gek waren om hier naar de bios te gaan.

Wat Het Diner toch de moeite waard maakt is het spel van Jacob Derwig. Deze Derwig bewijst zich een ‘natural’, een acteur die met slechts een verveelde blik de camera weet te veroveren. Er is maar één term voor dergelijk charisma: filmster. En nee, dat indrukwekkende spel is niet te danken is aan Meyes’ acteursregie, want alle andere rollen zijn tenenkrommend. Dus. Laten ze die 20 miljoen aan Derwig geven, zodat hij kan verkassen naar Hollywood om daar in de remake te stralen. Kan ie doen wat Meyes had willen doen en wat Van Gogh had moeten doen. Ontsnappen aan onze schouderklopjes.

Het Diner
Hebben we dan eindelijk een echte filmster?