titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Elle S’en Va

Nonchalante chemie

Je wilt een film maken. Maar je moet je behelpen met een klein budget, een vaag scenario en beroerde acteurs. Wat te doen? Je maakt een roadmovie! Decors hoef je niet te timmeren want je maakt gebruik van bestaande locaties. Een doortimmerde plot is niet vereist want zo’n reis verkoop je als metafoor voor de spirituele ontwikkeling van de held. En nevenpersonages hoeven niet echt te acteren want worden even makkelijk gedumpt als geïntroduceerd. Met de roadmovie is het altijd scoren, moet de Franse regisseur Emmanuelle Bercot gedacht hebben.

Natuurlijk kan het geen kwaad om de filmposter op te waarderen met een Naam. Een actrice met autoriteit. Maar dan wel een betaalbare. Dan kom je al snel op een bejaarde (leeft Brigitte Bardot nog?) die er nog goed uitziet (toch maar niet Bardot) en echt kan acteren (zeker niet Bardot!). Bercot wist voor haar roadkomedie een tijdloze ster te schaken: Catherine Deneuve. Deze inmiddels 70-jarige actrice wil maar niet lelijk wil worden en loopt evenmin te schnabbelen in pulp. Gevaar is hoogstens dat haar larger than life verschijning de film doet kapsijzen. Niets is minder waar. Zelden heeft ze zo nonchalant weten te overtuigen als in Elle S’en Va.

Bettie is gedumpt door haar echtgenoot. Haar restaurant hangt tegen het faillissement aan. En haar moeder zeurt aan haar kop. La vie sucks! Dus wat doet Bettie, ze pakt de auto. En gaat rijden. Zomaar. Om sigaretten te kopen. Maar ook om zich te laten versieren in de disco. Om shag te paffen met een fossiele boer. Uit te slapen in een meubelzaak. En dan is er nog die kleinzoon. Charly. Die kent ze eigenlijk helemaal niet, maar als haar dochter Betty vraagt Charly van A naar B te brengen, dan doet ze dat. Alles kan, als je maar doorrijdt, lijkt het devies. Ze ontmoet zelfs een man. Een hele zure burgemeester, die haar maar een kwebbelkous vindt. Ah, l’amour!

Elle S’en Va begint bepaald niet bemoedigend. Gekibbel tussen Deneuve en haar bejaarde moeder proeft als kitchen sink à la française en doet je snakken naar Hollywoodiaans escapisme. Iets verderop worden onze tenen gekromd als Deneuve achter het stuur uithuilt terwijl Rufus Wainwright de Mercedes vol pathos pompt. Het lijkt wel alsof Bercot de empathie uit ons probeert te persen op een moment dat we Bettie nog helemaal niet kennen dus zeker nog niet met haar meeleven.

En er is nog veel meer mis met de film. De versierder is een karikatuur waarmee op de makkelijke lach gemikt wordt. De burgermeester is onverklaarbaar onbeschoft. De dochter is onverklaarbaar verwijtvol. En erg dwingend is het verhaaltje ook niet. Elle S’en Va kachelt maar door.

Maar Elle S’en Va kachelt wel erg lekker door. Het is een verademing La Deneuve peuken te zien bietsen in een C&W bar. Met een black-out kater wakker te zien worden naast een 100 jaar jongere geilneef. In een meubelzaak op een skai banstel haar ouderdom weg te zien snurken. Deneuve speelt Bettie met een naturel die haar tot zo’n weergaloos actrice maakt. Enige concurrentie die ze krijgt komt uit onverwachte hoek: androgyne snotneus Charly, oftewel Nemo Schiffman, oftewel haar kleinzoon. Die twee hebben een chemie die de Franse cinema even de brutaliteit geeft die ze al zo lang kwijt is. Improvisatie of subtiele acteursregie? Het geeft je het warme gevoel waarvoor je naar de bios gaat.

Elle S’en Va zal geen Palme d'Or of Oscar winnen. Daar heeft ze te weinig pretenties voor. Te weinig budget. Te weinig verhaal. Te weinig acteurs. Het is ook helemaal geen geweldige film. Maar als je bij Bettie instapt, blijf je wel de hele rit achterin zitten. Filters paffend, kind’ren meppend en cocktails zuipend, als een Thelma zonder Louise.

Elle s'en va
Thelma & kleinzoon

Gravity

De gewichtsloze traan

Een man en een vrouw, ex-lovers, zitten vast in een gezonken onderzeeër op de bodem van de oceaan. Slechts één duikpak-met-ingebouwde-zuurstoffles rest hen. Hoe terug te zwemmen naar het platform? Ze nemen een extreme beslissing: hij krijgt het pak, zij laat zich… verdrinken. Hun hoop is dat haar afsterfproces zodanig vertraagd wordt door de lage watertemperatuur dat reanimatie mogelijk is. Makkelijker gezegd dan gedaan. Als de duikboot volloopt raakt zij in paniek. En verdrinkt. Bijna even panisch zwemt hij met haar lichaam naar het platform. Daar blijkt haar pols nul komma nul. Hij defibrilleert haar. Geen effect. Handmatige reanimatie. Helpt ook niet. Nogmaals. Geen effect. Een laatste poging, met de moed der wanhoop en vooral der liefde…

Deze scène uit The Abyss (’89) van James Cameron staat te boek staat als een van de meest intense én romantische momenten uit de recente filmgeschiedenis. Een scène die je doet afvragen waarom er niet vaker gebruik gemaakt wordt van de simpele, maar o zo effectieve oerangsten die een mensvijandig universum als de diepzee of de ruimte oproept. Met name het aantal ruimtevaartfilms is met de hand te tellen. Science fiction zat, maar een realistische ruimtevaartfilm?

Grootste struikelblok is het overtuigend verbeelden van gewichtsloosheid. In Apollo 13 bediende men zich van een Boeing die steeds duikvluchten maakte, waardoor de acteurs aan boord steeds een minuutje gewichtsloos werden. Maar wát als je de film buiten een ruimtevoertuig wilt laten afspelen? De ironie wil dat het ruimtefilmgenre op de kaart gezet wordt door een Mexicaanse filmhuisregisseur: Oscardarling Gravity van Alfonso Cuarón is een mijplaal in digitale animatie.

De synopsis houden we zo kort mogelijk, want spoilers liggen op de loer als zwarte gaten. Nadat hun shuttle onherstelbaar beschadigd is zweven een man (George Clooney) en een vrouw (Sandra Bullock) in hun pak door de ruimte. Een naburige, verlaten raket van de concurrentie moet uitkomst bieden. Echter, slechts één van de twee ruimtepakken is voorzien van aandrijving en voldoende zuurstof. Tijd voor extreme beslissingen.

Het door Cuarón zelf geschreven Gravity kwam tot stand na een jaren durende productiehel. Eerst moest hij wachten tot James Cameron (yep, die van The Abyss) de digitale filmtrukendoos voldoende had ontwikkeld om de complexe dynamiek van gewichtsloosheid realistisch te verbeelden. Vervolgens moest Cuarón de gezichten van zijn live acterende sterren implementeren in de digitale ruimtehelmen, waarbij het invallende licht moest corresponderen met dat van de digitale omgeving (satellieten, sterren en aarde). Volgt u het nog? Cuaróns inspanningen hebben vruchten afgeworpen: Gravity is een visueel meesterwerk geworden.

Vanaf het eerste ogenblik oogt het als een giftig soort eye candy. Met name de buitenscènes zijn - mede dankzij de (nu eindelijk eens functionele) 3D en de minieme montage - adembenemend. Samen met Bullock worden we rondgeslingerd door het Grote Niets, happend naar zuurstof die bijna op is, grijpend naar grip die buiten bereik is. We knijpen ‘em tot onze bioscoopfauteuil zeikend is van het klamzweet.

Minstens zo belangrijk als deze manipulatie is de naturelle dialoog. Cuarón, bekend van charmante filmhuishit Y Tu Mamá También, heeft wijselijk geïnvesteerd in de vermenselijking van deze larger than life filmsterren/astronauten. Hij laat ruimte-ijzervreter Clooney er op los wauwelen als een kantoorklerk, terwijl girl-next-door Bullock piept als een lab rat die fobisch is voor veldwerk. Binnen een paar minuten sluiten we deze menschen in ons hart, en als er een traan uit Bullocks oog naar de camera zweeft moeten we - tussen alle paniek door – toch even slikken.

Dat Gravity ons niet de tranen-met-tuiten bezorgt die het toch veel minder subtiele The Abyss uit ons wist te trekken, is te wijten aan de spanningsopbouw. Cuarón verschiet te vroeg te veel kruit. En al worden we nog even gemindfuckt door een door Clooney eigenhandig geschreven sleutelscène, diep in ons hart verwachtten we dat de doorstane doodsangsten beloond worden met een andere wending – zo een die je tranen door de bioscoopzaal doet zweven…

Gravity
...en dan weer rustig uitademen...

Rush

De viking en de rat

Geen genre zo saai als de sportfilm. Da's deels te wijten aan de magere plotjes, maar vooral aan de afhankelijkheid van actieregie. Actie in films lijdt aan metaalmoeheid; zowel de ervaren filmkijker als de gamegeneratie raakt sneller gedesensitiseerd dan actieregie zich kan ontwikkelen. Nog even en we raken immuun voor adrenaline.

Van alle sportfilms zijn autoracefilms het saaist. Hun helden zitten immers ook nog eens verschanst in een bolide en zijn vermomd met integraalhelm en anti-brandblaarbivak. Onmogelijk emoties van hun smoelen af te lezen. Wat ons rest zijn beelden van heel snel schakelende racehandschoentjes, nerveuze pitstops en kilometerslange bandensporen. En – met een beetje mazzel – een fotogeniek ongeluk.

Gelukkig heeft regisseur Ron Howard helemaal niets met autosport. Reden dat hij voor Formule I project Rush viel was dat scenarioschrijver Peter Morgan met het script wapperde. Morgan had hem eerder verwend met de hogedrukpandialogen van Frost/Nixon, dus Howard voelde aan zijn klompen dat de wereldkampioenschappen gereduceerd zouden worden tot decor van het ware intrige: de rivaliteit tussen race-legendes James Hunt en Niki Lauda.

Grotere verschillen in persoonlijkheid en uiterlijk waren nauwelijks denkbaar. Een blonde Britse circuitviking annex playboy met een racelust die aan doodswens schuurt. En een Oostenrijks overbite, bijgenaamd De Rat, die Formule I als wetenschap benadert en met zijn botte uitspraken een nachtmerrie voor de pr. Het zijn deze James Hunt en Niki Lauda die het circuit van ’76 domineren. Gezonde competitie, totdat Lauda op de beruchte Nürburgring een ongeluk krijgt en deels verbrandt. Kans op genezing wordt ingeschat op een paar procent, maar enkele weken later zit hij al weer in zijn racekuipje. Na de vlammenzee wacht hem een nieuwe uitdaging op het circuit van Tokyo: een wolkbreuk. En een vastberaden Hunt.

Rush kijkt als een jongensboekfilm verkleed als kostuumdrama. Zo’n verkleedpartij leidt altijd een beetje af van de plot, zeker als het de potsierlijke mode van de seventies betreft (van sleutelbeenbrede kragen tot uitgeharde haarlak). Kijkers die de jaren zeventig bewust hebben meegemaakt zullen reflexmatig de props op periodezuiverheid checken. Mag de pret niet drukken.

Want we worden vooral meegezogen in deze buddy movie van kettingrokende en serieneukende topsporters. Kenmerk van het genre is dat tegenpolen met elkaar opgescheept raken om uiteindelijk, tegen wil en dank, te verbroederen. Hier moest de film de waarheid behoorlijk geweld aandoen, want volgens de geschiedenisboekjes klikte het direct tussen Hunt en Lauda. Er was helemaal geen sprake van persoonlijke rivaliteit, zoals Rush suggereert, slechts van professionele. Rush is dus zoiets als een JFK waarin Kennedy de aanslag overleeft. Maar wat hebben we liever, onderhoudende leugens of waarheidsgetrouwe verveling?

En gelukkig lijkt het niet waargebeurde behoorlijk waargebeurd door de casting. Zelden in een biopic werden er zulke goed gelijkende en overtuigend spelende acteurs ingezet. Chris Hemsworth, bekend van actiespektakel Thor, lijkt een kloon van womaniser Hunt, terwijl Daniel Brühl, die doorbrak met het hartverscheurende Good Bye Berlin, nog meer Lauda is dan Lauda zelf. Daarbij neemt Howard de tijd om van de racers mensen te maken. Zo moet Hunt vóór iedere race even kotsen van de spanning en leren we een kwetsbare Lauda kennen achter de botte boer die geschiedenis heeft geschreven.

Rush is een lekkere film, zelfs voor sportfilmhaters. Toch zouden we graag zien dat in de director’s cut nog even alle racescènes weggeknipt worden en de film een nieuwe titel krijgt: Hunt/Lauda. Met hogedrukpandialogen in de kantine van de Nürburgring.

Rush
Regenbanden zijn voor sissies

Kapringen

Kaping als reality tv

Dat er nog geen films gemaakt zijn over moderne piraten is minder verwonderlijk dan je in eerste instantie zou denken. Dreiging met bazooka’s, entering, gijzeling, verzet, ontbering en bevrijding op een onvoorspelbare oceaan garanderen weliswaar adrenaline, maar schipkapingen zijn vooral situaties waarin angst en machteloosheid regeren - soms jarenlang. Onmacht doet het nooit goed in Hollywood, want is onAmerikaans.

Maar eindelijk komt er dan een, wat later dit jaar, de eerste Hollywoodfilm over een scheepskaping: Captain Philips van Paul ‘Bourne’ Greengrass en met Tom Hanks. De ironie wil echter dat de onbekende Deense regisseur Tobias Lindholm, co-scenarist van Thomas Vintenbergs Jagten, de kop afbijt met een non-budget film over hetzelfde onderwerp. Kapringen (Kaping) heeft bovendien een originele invalshoek: de kunst der onderhandeling.

Veel waard is de Deense MV Rozen niet. Noch de lading, noch het vrachtschip zelf. Dat is ook niet waarvoor ze gekaapt wordt. De Somalische piraten eisen losgeld voor de bemanning. Niet dat die wat voorstelt: een zooitje ongewassen kinkels. Maar wel Peters ongewassen kinkels. Peter is CEO van de rederij. Een volbloed zakenman, een kei in onderhandelen, zoals we even meekrijgen tijdens een confrontatie met Japanse zakenpartners. Maar onderhandelen over mensenlevens is even wat anders dan handjeklap over aandelen. Toch? Peter zal dat ondervinden tijdens zijn telefonisch contact met Omar, een zelfverklaarde mediator die de kapers ‘vertegenwoordigt’ in vloeiend Engels. Een waardig tegenstander. Omar stelt dat de Somaliërs een somma van 15 miljoen dollar eisen. Peters startbedrag is 250 mille. Voordat ze een beetje tot elkander komen verstrijken er maanden. De spanning stijgt en de kapers dreigen de kok te executeren. Peter weigert toe te geven. Tot er een schot klinkt.

Filmliefhebbers die gruwen van Hollywoods overproductie en trukendoos kunnen hun hart ophalen aan Kapringen. De film kijkt als non-budget reality tv. Een vieze boot met vieze kajuit vol vieze mannen. Een claustrofobische theatersetting die extra benauwt doordat de camera bovenop de personages zit. De intimidatie door de grillige kapers, het klamzweet en de frustratie van de bemanning, je kunt het bijna proeven. Zelf de entering is niet gefilmd om ons toch vooral in die kleine ruimte te houden.

Daar staat tegenover de psychologische gevangenis van CEO Peter. Maandenlang verblijft hij in het o zo comfortabele kantoor en weet hij zich gesteund door zijn vrouwtje, maar zijn geest wordt volledig in beslag genomen door de zorg voor zijn mensen – ook als ongeduldige zakenpartners hem onder druk zetten. Steeds weet hij het hoofd koel te houden, blijft hij zijn opponent respectvol bejegeningen: “Hi Omar, how are you?” “I’m fine Peter, thank you.” Peter is een antiheld zoals we ze zelden meemaken, indringend vertolkt door Søren Malling.

Helaas is dat niet voldoende. Door de overkill aan hyperrealisme en vooral door het uitblijven van een catharsis, ervaar je Kapringen vooral als een uitputtingsslag. Zelfs de comic relief, zoals verbroedering met de kapers tijdens het vangen van vis, riekt naar Stockholmsyndroom. Maar genadeslag is een even onnodige als voorspelbare knauw aan het eind. Alsof de auteur ons wil straffen voor al te veel – Hollywoodiaans – optimisme en behoefte aan escapisme.

Zo komt het dat we stiekem toch uitkijken naar die andere piratenfilm. Natuurlijk, Captain Phillips zal vet geproduceerd zijn en vol trucs zitten om onze adrenaline rond te doen pompen. Maar dat mag. Want Captain Phillips is gebaseerd op heel erg waargebeurde feiten, terwijl regisseur/scenarist Tobias Lindholm de ellende van Kapringen onbeschaamd uit zijn duim heeft gezogen.

A Hijacking
Wachten op de knauw

The Sapphires

Zwarte bladzijde vol soul

Films over racisme zijn moeilijk te verteren. Drama’s over slavenhandel, thrillers over de Klan, biopics over voorvechters van burgerrechten, ze worden dikwijls gekreupeld door een didactische toon en zwart-witte moraal (no pun intended). Zwart is goed, blank is kwaad of übergoed want betrokken bij de Zwarte Zaak. Ruimte voor nuances is er zelden, laat staan voor taboes als racisme onder gediscrimineerden of het triggeren van latent racisme bij de bioscoopbezoeker.

Slechts een enkele keer durft een regisseur het aan om met het onderwerp te spelen of een nieuw perspectief te bieden. Quentin Tarantino zette in Django Unchained een zwarte slaaf neer die nog diabolischer en dus blanker was dan de plantagehouder. In Tony Kaye’s American History X wordt de voedingsbodem van racisme uitgediept. Uitzonderingen die van lef getuigen.

Een stuk minder gewaagd maar wel slim is de keuze van Australische regisseur Wayne Blair voor zijn eigen minderheidsgroep: de Aboriginals. Tot in de jaren zestig werden deze autochtonen tot de nationale fauna gerekend en deinsde de overheid er niet voor terug om licht gekleurde kinderen bij hun ouders weg te halen om hen door onvruchtbare blanken te laten opvoeden. De Aboriginals waren het afvoerputje van de mensheid. Maar Blairs The Sapphires, ‘geïnspireerd is op ware gebeurtenissen’, gaat vooral over muziek.

Gail, Julie, Kay, en Cynthia kunnen zingen. En hoe! Ze hebben wel voor een lastig genre gekozen: Country & Western. Dat ze geen talentenshow winnen heeft echter vooral te maken met hun huidskleur. Manager annex zuiplap Dave (Chris O’Dowd) kijkt daar doorheen. Of juist niet. Hij wil hun donkere verschijning als troef inzetten. Soul moeten ze zingen! In Vietnam, voor de troepen! En verdomd, ze worden een daverend succes. Maar gigs in zo’n war zone krijgen nogal eens te maken met ongewenste pyrotechniek.

Wel beschouwd ontleent The Sapphires zijn bestaansrecht volledig aan de roots van de personages. Aboriginal soul in Vietnam, da’s weer eens wat anders! Als deze meiden in The Bronx waren geboren had geen producent er brood in gezien. Want laten we wel wezen: het gaat over een coverbandje.

Dat weet Regisseur Blair zelf ook wel. Hij gebruikt het relaas vooral om zich op te werpen als eye opener van Australië’s zwarte bladzijde. Het racisme wordt voor ons uitgespeld, soms letterlijk als de zussen elkaar iets uitleggen wat eigenlijk voor het publiek bedoeld is. De karikaturale wijze waarop Blair de blanke bourgeoisie neerzet schuurt soms tegen de propaganda aan: huisvrouwen die een hoogtepunt bereiken tijdens een Tupperware-party, Bible Belt Hillbillies die Oost-Indisch doof zijn voor zwarte harmony. Zwart-witter kan bijna niet.

Gelukkig wordt het moralisme gecompenseerd met een gezonde dosis trendy seksisme. Mannen zijn sukkels of lekkere dingen of very fout, de soulmeiden vooral sterk zonder aan kwetsbaarheid in te boeten. Logisch, want deze familiefilm is vooral in de markt gezet voor tienermeiden die de soulhitjes nog moeten ontdekken en denken dat Vietnam een merk is van Xenos. De rijpere bioscoopbezoeker zal wellicht even zuchten als Soul Man voor de zoveelste keer wordt doodgedraaid en de Vietnamoorlog als een hippe happening wordt afgeschilderd.

Voornaamste verdienste van The Sapphires is dat hij nieuwsgierig maakt naar de feiten. Bij de aftiteling krijgen we een indruk van de echte dames. Dat doet verlangen naar de documentaire achter het filmpje en de C&W achter hun soul. Alhoewel het natuurlijk racistisch is om te veronderstellen dat C&W gespeeld door Aboriginals interessanter klinkt dan vertolkt door rednecks.

A Most Wanted Man
Coverbandje

Disconnect

Caleidoscopisch pesten

Succes is een keuze! Filmproducenten maken zichzelf graag wijs dat het commerciële succes van een film te herleiden is tot een formule. En dan hebben we het niet over genrefilms die logischerwijs geschoeid zijn op een format, maar over ‘gewone’ films met bijvoorbeeld een dramatische insteek.

Zo zien we in Hollywood een groeiende voorkeur voor scenario’s met een caleidoscopische vertelling. Hierbij worden diverse personages gevolgd die aanvankelijk slechts zijdelings of niet met elkaar te maken hebben, om, naarmate de climax nadert, op een cruciaal moment in hun leven met elkaar geconfronteerd te worden en zo door het lot verbonden te lijken.

Uiteraard biedt zo’n verhaalstructuur geen garantie voor kwaliteit. Denk aan Magnolia en Crash die indruk maakten, terwijl Babel onverteerbaar was. Feit is dat ze veel publiek trekken doordat de caleidoscoop een filosofische ondertoon creëert, een ‘we zijn toch allemaal mensen’-gevoel. Als mensen íets zoeken in de bios is het wel de illusie dat ze met elkaar verbonden zijn.

Regisseur Henry Alex Rubin is goed in verbinden. Hij heeft naam gemaakt met Murderball, een documentaire over paralympische rugbyspelers. Inderdaad, een ‘we zijn toch allemaal mensen’-film. Prima opmaat voor een speelfilmdebuut over langs elkaar heen levende zielen: Disconnect.

Een oorlogsveteraan en zijn vrouw zijn uit elkaar gegroeid sinds de dood van hun kind. Als ze ook hun spaarcenten kwijt raken doen ze een wanhopige poging de dader op te sporen. Ze worden daarbij geholpen door een ex-politieman die zich sinds de dood van zijn vrouw op zijn werk gestort heeft. De politieman kan weinig aandacht opbrengen voor zijn zoon, die op school foute geintjes uithaalt. Een slachtoffer, zoon van een advocaat, belandt zelfs in het ziekenhuis. Waarop diens vader een klopjacht begint op de mogelijke dader, onderwijl advies gevend aan een televisiejournaliste die verdacht wordt van ontucht met een minderjarige webcamrukker. Say what?

Het eerste wat opvalt aan Disconnect is het vakmanschap. Met één shot, gedraaid vanaf een skateboard en gesmeerd met een dreunende song van Sail, weet Rubin een sfeer van onbehagen en adrenaline neer te zetten. Zijn acteursregie levert vlekkeloos en intens acteerwerk op, het camerawerk is effectief want zit claustrofobisch dicht op de personages. Henry Alex Rubin verstaat zijn vak.

Misschien iets te goed. Naarmate Disconnect vordert bekruipt je het gevoel dat je ingepakt wordt door een gelikte formulefilmer. De ballads lijken geselecteerd om onze traanklieren te masseren, de personages komen in slow motion tot een catharsis die bol staat van de pathos. De thema’s - pesten op school, rukken voor geld en wegvluchten voor contact - worden als controversieel gebracht maar zijn inmiddels zozeer uitgehold in praatprogramma’s dat ze als mainstreamfähig beschouwd moeten geworden. Disconnect kortom, riekt naar de didactiek van een supportgroep.

Nekslag voor de film is echter de caleidoscopische structuur. Geen moment krijgen we de indruk dat deze personages werkelijk met elkaar verbonden zijn, ze lijken hoogstens naar elkaar toegeschreven. Zo’n kunstmatige verbinding is het laatste wat de bioscoopbezoeker wil ervaren, omdat het confronteert met de essentie van het medium: het is allemaal illusie.

En dat terwijl Rubin goud in handen had. Want tussen de ruis van de verhaallijnen door maakt de plot een briljante, helaas verder niet uitgewerkte wending die het eigenlijke verhaal had moeten zijn: de pestkop maakt incognito even oprecht contact met zijn slachtoffer, waardoor hijzelf uit zijn isolement getild wordt. Jammer dat ‘contact via pesten’ niet echt klinkt als een cinematografische succesformule.

Disconnect
Alone in the crowd

Only God Forgives

Dat zwaard pas ons allemaal

Zelf zien zij dat ongetwijfeld anders, maar filmstilisten zijn doorgaans luie, zelfgenoegzame donders. Ze voelen zich niet geroepen om een fatsoenlijk verhaal te schrijven, zien zichzelf als visual artists die filmgeschiedenis schrijven met te lange shots, te slowe motion, onbegrijpelijke dialogen, atonale muziek en uitvergroot acteerwerk. Of het nu functioneel is of niet, stijl is het enige dat voor hen telt. Plot en likable characters laten ze graag over aan de filmboeren van Hollywood.

De Deense regisseur Nicolas Winding Refn is een buitengewoon luie en zelfgenoegzame donder. Hij heeft ook buitengewoon veel stijlgevoel. In Bronson en Valhalla Rising greep hij ons bij de strot met hallucinatoire beelden, om daar vervolgens helemaal niets mee te doen. Nou ja, niets, er werden wat personages afgeslacht of in elkaar gebeukt, maar sprake van een doortimmerde plot was er niet.

Dat Refn toch grote namen weet aan te trekken komt doordat zijn type arthouse film het cv van Hollywoodsterren instant cachet geeft. Zo liet hunk Ryan Gosling zich onlangs strikken voor een echte Refn, als reïncarnatie van Steve McQueen in Drive. Was dat nog een tamelijk conventionele productie, wie een onbezorgd avondje uit verwacht met Gosling in Only God Forgives, komt bedrogen uit.

Broers Julian en Billy zijn Amerikaanse expats te Bangkok. Ze moesten het vaderland verlaten vanwege ‘zakelijke’ verwikkelingen en dealen nu dope in den vreemde. Helemaal senang voelt Billy zich vermoedelijk niet, want hij richt een bloedbad aan in een bordeel. Waarop de vader van een van de slachtoffers wraakt neemt. Het bloedvergieten wordt voorgezet door een rechercheur die graag een zwaard hanteert om het verhoor te bespoedigen. Maar dan komt moeders overvliegen. Met een bad hair day.

Als er in deze ironische, postmoderne tijden nog zoiets kan bestaan als melodrama dan is Only God Forgives er zeker een. Bijna iedere scène is over de top door absurde slow motion, hysterische synthesizer, überkitscherige liedjes en hectoliters bloed. De personages lijken rond te dolen in het vagevuur, wachtend op executie, tevergeefs zoekend naar daglicht. Only God Forgives is zelfs te duister voor een film noir.

Veel ruimte voor acteerwerk lijkt zo’n zwart sprookje niet te bieden. Tenminste, Gosling beperkt zijn method acting tot broeierige blikken langs de camera. Het zijn de bijrollen die indruk maken. De Thaise Vithaya Pansringarm als martial arts cop, gespecialiseerd in karaoke en het afhakken van handen, en Kristin Scott Thomas als mother-from-hell die graag uitwijdt over de erecties van haar zonen, het zijn personages die zich vastbijten in het scherm om nooit meer uit ons collectieve filmgeheugen te verdwijnen.

Dat Only God Forgives snoepgoed is voor oog & oor maakt de film nog niet origineel. Integendeel. Werkelijk ieder shot lijkt gejat van de montagetafel van David Lynch, maar dan wel van een Lynch die een psychose heeft gekregen tijdens een bad trip. Aangenaam kijkvertier is de film evenmin: Refn probeert te shockeren met sadistische scènes die tegen de torture porn aanhangen. Zo wordt een lokale gangster met een vleesfonduevork bewerkt in armen, benen, oog en oor zonder dat dit ook maar enige functie heeft in de ‘plot’. Een knipoog naar stilisten/sadisten Sergio Leone en Quentin Tarantino? Not amused.

Hebben de meeste films baat bij zo min mogelijk voorkennis omdat er dan veel ruimte is voor verwondering, Only God Forgives maakt vooral indruk als je precies weet wat je te wachten staat. Wie geen hoop koestert op verhaal, logica of emotie, zal genieten van deze luie, zelfgenoegzame maar buitengewoon indringende art pulp.

TITEL FILM
Sambal bij?

The Iceman

De sleur van een huurmoordenaar

Liefhebbers van true crime hebben het maar moeilijk. Op zoek naar de Gruwelijke Waarheid Achter de Façade die Beschaving Heet stuiten ze steevast op kleinburgerlijke geesten. Want moord & doodslag mogen dan intens zijn, de psychopaten die zware misdaden begaan zijn doorgaans emotioneel onvolwassen mannetjes. Uitzondering is wellicht de Amerikaanse huurmoordenaar Richard Kuklinski (1935 - 2006). Niet dat hij niet burgerlijk was, juist de mate waarin hij zijn huiselijke alter ego omarmde is atypisch, een indicatie van verantwoordelijkheidsbesef - deze 200-voudig moordenaar was een echte family man.

Kuklinski is vooral beroemd geworden door tv-interviews die inmiddels op YouTube geplaatst zijn. Vanuit zijn gevangeniscel vertelt hij zonder enige gêne of trots over de moorden die hij uit nieuwsgierigheid of in opdracht van lokale maffia gepleegd heeft, alsmede over de middelen die hij er op nahield, van conventionele handwapens tot meer exotische methoden als kruisboog, ratten en cyanide. In de gesprekken komt Kuklinski - door de politie herdoopt in ‘Iceman’ omdat hij soms lijken bevroor om de patholoog anatoom te misleiden - nogal gereserveerd over, maar vooral intelligent en geestig. Wat meest treft is een glimp van zijn menselijke kant: hij betuigt spijt over het leed dat hij zijn gezin heeft berokkend. “Now you see the Iceman crying”, knarsentandt hij. “Not very macho.”

Niet verbazingwekkend dat het dualisme van hitman/family man aanleiding was voor diverse boeken. Bekendst is The Ice Man: Confessions of a Mafia Contract Killer van Philip Carlo, die Kuklinski hier dagenlang voor geïnterviewd heeft. Carlo’s vriend en Hollywood bad boy-in ruste Mickey Rourke was zo onder de indruk van de biografie dat hij de filmrechten kocht, azend op een rol die hem een Oscar zou kunnen opleveren. Maar Rourke heeft te lang gewacht. Nieuw talent is hem voor geweest met The Iceman, gebaseerd op een andere biografie.

Richard Kuklinski overleeft een liefdeloze en gewelddadige jeugd. Daar is alles wel mee gezegd. Hij is getraumatiseerd op het gevoelloze af. Opleiding heeft hij nauwelijks genoten dus moet ie de kost verdienen met handel in porno. Dat vertelt hij zijn gezin liever niet. Wat hij ook verzwijgt is dat hij wel eens mensen vermoordt. Daar is flink geld mee te verdienen, zo ontdekt hij, als hij zich laat inhuren door maffia-onderbaas Roy DeMeo. Na een paar hits zwemt Richard in het geld. Een echte maffioos kan Richard niet worden vanwege zijn Poolse roots, maar hij zou niet anders willen want houdt zaken en privé graag gescheiden. Hoe voorzichtig Richard ook te werk gaat, zijn zesde zintuig laat hem in de steek als een undercover agent hem inhuurt voor een hit.

Hoofdrolspeler Michael Shannon ontdekte relatief laat dat zijn personage op een bestaande killer gebaseerd was. Daar schrok hij behoorlijk van, want met zijn verbeten gelaatstrekken oogt hij misschien als de archetypische killer, zijn bad looks maken hem nog geen look-a-like van YouTube-ster Kuklinski. Dat de grimeurs hem niet eens kaal gemaakt hebben doet vermoeden dat regisseur/scenarist Ariel Vromen een compleet nieuwe Iceman wilden creëren.

Dat vermoeden wordt bevestigd als Vromen ongeremd met de feiten gaat goochelen. Vooral onaangename aspecten laat hij de verdwijntruc ondergaan. Niet te zien krijgen we dat Kuklinski zijn vrouw mishandelt of martelopdrachten uitvoert met uitgehongerde ratten en snijbranders. Vromen was uit op drama, niet op torture porn. Een legitieme invalshoek. Wat de makers wel aangerekend kan worden is saaiheid. Moord in film is pas gruwelijk als de filmmaker er de tijd voor neemt, ons laat ‘bonden’ met de personages, spanning opbouwt. Met een lopendebandkiller als Kuklinski komt er onvermijdelijk sleur in het spel. Na de zoveelste liquidatie weten we het wel.

Een film over deze larger than life crimineel is per definitie een verloren wedstrijd. Verliezer is Michael Shannon wiens talent verspild werd aan een vlakke rol. Verliezer is straks Rourke die zich ongetwijfeld wél laat kaal scheren maar dan ook niet overtuigt omdat hij de Oscar te graag wil. En winnaar is wijlen Kuklinski, die toch vooral neergezet wordt als family man – een papa die zijn gezin onderhield met een hoogstens wat onconventionele professie.

The Iceman
If looks could kill