titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Los Amantes Pasajeros

Nichtenkolder voor potenrammers

Het is voor hetero’s hip om een zwak te hebben voor gay cinema. Je etaleert er je verdraagzaamheid mee, of liever nog: je solidariteit met de minderheidsgroep. Niet dat ‘gay’ ook maar enige indicatie is voor filmische kwaliteit. Het is hoogstens even thuiskomen voor de doelgroep. En een egoboost dus voor de hetero.

Wat lastiger wordt het voor de laatste als het een echte nichtenfilm betreft. Nichten zijn de pendanten van macho’s. Zij willen hun seksuele geaardheid voortdurend profileren en drukken daarbij de tongue stevig in de cheek; in hun universum wordt niets serieus genomen, is alles een maskerade. Het leven als ware het een film.

De Spaanse regisseur Pedro Almodóvar zou je als de belangrijkste vertegenwoordiger van de nichtencinema kunnen beschouwen. Zijn tongue in cheek komt tot uiting in een – naar westerse maatstaven – primitief soort absurdisme. Geen mindfucks à la Python of Jiskefet, maar ‘gewoon lekker gek doen’. Hoe vermoeiend die hilariteit vaak ook, Almodóvars films geef je een kans omdat de man zo verschrikkelijk lekker filmt. Ieder shot, hoe low budget ook, is eye candy. Daarbij had zijn voorlaatste film La Piel Que Habito zelfs een echte plot. Zou ie dan toch volwassen worden? Nah, getuige Los Amantes Pasajeros, in het buitenland uitgebracht als het zeer vrij vertaalde I'm So Excited! Niets om opgewonden van te raken.

Het landingsgestel van Spaanse vlucht 2549 wil niet meer uitklappen. Paniek? Welnee. De Boeing gaat gewoon rondjes vliegen boven het vliegveld, wachtend op toestemming voor een noodlanding. De stewards ondertussen, hebben de economy class vol ‘spierverslappers’ gepompt waardoor het grauw en masse ligt te pitten. Het personeel zelf en de piloten gaan lekker aan de drank & drugs. En aan de seks, met de wakkere business class, want daar zijn die vliegtuigfauteuils ideaal voor. Orgie!

Tequila zuipende, mescal poppende, in veel te strakke, ultralullige outfits geperste stewards die dansen op disco. Hi-la-risch! Een helderziende die in de toekomst kijkt door de zaakjes van de piloten te betasten. Kos-te-lijk! Een overjarige dominatrix die politici filmt om te blackmailen en het met een huurmoordenaar slash belastingadviseur doet. Hoe verzint je het! In Los Amantes Pasajeros komt geen normaal personage voor. Stuk voor stuk karikaturen, die verveeld bazelen over seks, seks en nog eens seks. Rode draad – voor zover draad – is dat hetero mannen latent bi zijn en dan eigenlijk nog latent homo. Want mannen kunnen toch veel beter pijpen dan vrouwen!

Geen hetero of homo die deze film trekt. Of film… Pasajeros lijkt vooral toneelstukje, zo zelfgenoegzaam dat het zelfs op de überironische Parade weggefloten zou zijn. Gemaakt voor de incrowd van de Gay Pride, maar vooral voor Pedro himself, alsof de regisseur vergelding zoekt voor jaren en jaren aan hetero Hollywoodmachismo. Move over John Wayne, it’s gay time!

Natuurlijk hoeft niet iedere film een pamflet te worden voor de homo-emancipatie. Liever niet zelfs, want het zijn juist de gay films waarin de seksuele voorkeur als een vanzelfsprekendheid of als een terloops feit gepresenteerd wordt, die werken. Liefde, seks en een goed verhaal zijn immers geaardheidoverstijgend. Maar Los Amantes Pasajeros lijkt het tegenovergestelde te beogen, kijkt als propaganda van en voor potenrammers, gedraaid door een cineast die denkt dat je door ‘lekker gek en vunzig’ te doen en wat kekke plaatjes te schieten een absurde komedie kan maken. Het wordt tijd dat regisseur/scenarist Almodóvar eens uit de kast komt - als de cameraman die hij eigenlijk is.

Los Amantes Pasajeros
Lekker gek is niet leuk

Two Mothers

Oestrogenische uitglijer in feministische glossy

Het feminisme kan ruwweg opgesplitst worden in twee stromingen: de Doeners en de Verwijters. De Doeners beschouwen gelijke rechten als een vanzelfsprekendheid. Halen hun gelijk desnoods via de rechter. Don’t get mad, get even is hun devies. Vaak zijn ze one of the guys, wat hen niet minder trots maakt op hun vrouwelijkheid. De Verwijters zijn different koek. Zij spiegelen zich voortdurend aan de andere sexe en beklagen zich over iedere mogelijke ongelijkheid, daarbij de man steevast als aanstichter van het kwaad aanwijzend. De Verwijter spreekt graag in termen van ‘wij vrouwen’ en heeft een onstilbare behoefte aan bonding met eigen sexe.

De Britse Nobelprijswinnares Doris Lessing werd naar aanleiding van haar roman The Golden Notebook (’62) uitgeroepen tot boegbeeld van de vrouwenbeweging. Ze lijkt tot de Doeners te behoren, maar wordt vooral omarmd door de Verwijters. Dit tot haar grote ergernis. “What they would really like me to say is, 'Ha, sisters, I stand with you side by side in your struggle toward the golden dawn where all those beastly men are no more.' Do they really want people to make oversimplified statements about men and women? In fact, they do. I've come with great regret to this conclusion.” Het is de vraag wat de inmiddels 93-jarige Lessing zou vinden van de verfilming van haar verhaal The Grandmothers. Alleen al het feit dat de titel veranderd is in het beter verkoopbare Two Mothers moet argwaan wekken.

Lil (Naomi Watts) en Roz (Robin Wright) wonen aan het zonovergoten strand van de Australische kust. Ze zijn al vriendinnen zolang ze zich kunnen herinneren. Lil d’r man is overleden, Roz d’r vent verhuist naar Sidney om carrière te maken. De dames blijven achter met hun zonen die inmiddels tot mannen zijn uitgegroeid. Mooie mannen. En dan gebeurt het. Het Onnoembare. Lil krijgt iets met Roz d’r zoon, en vice versa. Dat kan toch niet! Of juist wel.

Two Mothers oogt als een kruising tussen een glossy en een veel te duur geproduceerde softpornofilm. Kapitale villa’s gelegen aan een schelpenstrand waar de enige geluidsoverlast het ruisen van de branding is. Mooie moeders, nog lang niet toe aan de overgang, die naast hun droombanen (iets met kunstgalerie en vormgeving) alle tijd hebben om zich te laven aan de liefde. Hun zonen, met sixpacks gelardeerde halfgoden, doden de tijd met surfen en dollen in de baren. Kortom, een universum dat je godsonmogelijk serieus kan nemen.

Dat doen deze moeders zelf echter wel. Ze zijn voortdurend bezig met het bevestigen van hun vriendschap, van een bonding die dieper gaat dan gewone zielen kunnen bevroeden. Zo diep dat de mannen hen voor lesbisch verslijten. Onnozelaars! Deze dames hebben hun eigen parameters voor geluk, waar mannen niets van begrijpen!

Wat Two Mothers onverteerbaar maakt is dat de film zich opwerpt als pleidooi voor onconventionele liefde, terwijl de moeders vooral bezig zijn met hun hormonen en het goedpraten van pijnpuntjes. Hun zorgen zijn kleinburgerlijk, niet ethisch. Opmerkelijk, want Lessing zelf geeft in haar verhaal duidelijk aan dat zij deze semi-oedipale liefde meer als een uiting van zelfgenoegzaamheid beschouwt dan van seksuele bevrijding. Feit is dat een mannelijke versie van dit gegeven, zoeen met ouwe bokken en groene blaadjes, compleet verguisd zou worden.

Two Mothers is geregisseerd door Anne Fontaine en een initiatief van actrice Naomi Watts, die tevens de productie op zich nam van deze overigens volstrekt humorloze film. Het zal lastig worden om Watts en Wright hierna ooit nog serieus te nemen. Toch kunnen we niet spreken van een puur oestrogenische uitglijer. De ironie wil dat het scenario niet door een feministe is geschreven. Zelfs niet door een vrouw. Verantwoordelijk is cineast Christopher Hampton, die nota bene indruk wist te maken met het prachtige Carrington (’95), een ode aan de – jawel – onconventionele liefde tussen een kunstenares en een homoseksuele schrijver. Koren op de molen van de Verwijters dus, deze Two Mothers, die terecht zullen stellen dat wederom een man zich vergrepen heeft aan de onpeilbare diepgang van de vrouw.

Two Mothers
Wilde frisheid van limoenen

Quartet

Geriatrische kwinkslagen

Filmsterren die een middelbare leeftijd bereikt hebben beklagen zich nogal eens over leeftijdsdiscriminatie in Hollywood. Met name rijpe actrices voelen zich afgedankt. Een hypocriet verwijt, want ooit werden zij mede vanwege hun good looks uitverkoren - niet zeuren dus als je product over datum is. Daarbij is Hollywood niet zozeer immoreel als amoreel: ze wil zoveel mogelijk geld verdienen aan haar sterren. Dus mochten rimpels ooit in de mode raken, dan zullen castingbureaus zonder twijfel in bejaardentehuizen ronselen.

Gelukkig gedragen niet alle sterren zich als slachtoffer. Sommigen gebruiken de ervaring die ze op de set hebben opgedaan om zichzelf om te scholen tot producent of regisseur. Diverse sterren hebben zo voor een tweede carrière gezorgd: Eastwood, Gibson, Clooney, noem maar op. Nu maakt de 75-jarige Dustin Hoffman zijn regiedebuut. Hoewel niet verlegen om filmrollen, heeft hij al decennia geen hit meer gehad dus besloot hij zichzelf tot cineast te bombarderen. Hij verfilmde Quartet, een toneelstuk over bejaarden. Geslaagde career move of de bijwerking van een ernstig verlate midlife?

Een bejaardentehuis voor muzikanten. Het bestaat. In Engeland. Nog even dan, want geldnood bedreigt hun welverdiende rust. De bewoners zitten niet bij de pakken neer en organiseren een benefietconcert. Zo proberen drie operaveteranen een prima donna over te halen om als kwartet hun opwachting te maken in een Rigoletto-tussen-de schuifdeuren. Maar oud liefdesverdriet zit de hoge C in de weg.

Verfilmingen van toneelstukken doen al rap de haren te berge rijzen. Immers, veel dialoog + weinig locaties > weinig film. Verfilmingen van toneelstukken over bejaarden doen die haren nog verder rijzen. Immers, op de planken blijft de vergrijzing nog op veilige afstand, op het scherm wordt iedere onvolkomenheid genadeloos opgeblazen.

Toch zijn het niet de face-lifts die Quartet nekken. Het is de oubolligheid. Hardcore oubolligheid. Scriptschrijver Ronald Harwood probeert de ouwetjes van zijn toneelstuk met alle macht neer te zetten als koddige krasse knarren. Kreupel en incontinent en vergeetachtig, maar o zo vol leven! Oftewel een spervuur van zwarte grappen; over elkaar, over aandoeningen, over ouder worden. Maar iedere kwinkslag heeft een baard, ieder personage lijkt gecomponeerd, iedere dialoog klinkt als een cliché. Quartet is gemaakt voor demente bejaarden.

En zelfs dat niet. Want de makers doen tevens een halfwas poging een brug te slaan naar de jeugd. Een speelse reis door de muziekgenres, van opera tot rap, van Latin tot jazz. Zo leren we dat opera ooit voor het gewone volk bedoeld was, net als rap en pop dat nu zijn! Niets zo ergerlijk als een film die denkt haar publiek te kunnen onderwijzen, hoe terecht die veronderstelling vaak ook is.

Wat evenmin onze sympathie wekt is de elitaire positie van de bewoners. Deze oudjes zijn luxepaarden; rijke, getalenteerde, machtige ouderen die, tegen het schitterende decor van het Britse platteland, alle ruimte hebben om over hun verleden te mijmeren. ‘Old age is not for sissies!’ wordt Bette Davis tot driemaal toe als adagium gequoot. Blijkbaar wel voor gefortuneerden. En waarom is Hoffman in zee gegaan met Britse acteurs? Omdat die meer aanzien hebben dan Amerikaanse filmsterren, omdat ze een Shakepeariaanse verdieping mmedragen? Maar nu lijkt Quartet een parade van has beens uit de BBC-stal, een afgekeurde aflevering van Dad’s Army.

Pas tegen de finale weet de tragikomedie een beetje te raken. Dan beseffen we ook dat de plot over vergane glorie meer potentieel heeft dan deze lauwe registratie waarmaakt. Dat Quartet de flair van het klassieke Hollywood had kunnen hebben, mits herschreven door een scriptdokter, geregisseerd door een veteraan en vertolkt door echte sterren. Jammer dat Hoffman achter de camera’s is gekropen, want Quartet had zijn comeback als filmster kunnen betekenen, zeker nu de vergrijzing een wederopstanding van de geriatrische cinema mogelijk maakt.

Quartet
Let's rock this town

Spring Breakers

Centerparcs 2.0

De jeugd van tegenwoordig! Songteksten over ho’s en bitches, tv-programma’s over spuiten&slikken, banga-lijstjes in de brugklas – dat was er vroeger allemaal niet! Met de toenemende vergrijzing wordt het verleidelijker dan ooit te speculeren over de teloorgang van ethiek onder jongeren.

Toch moet die bandeloosheid eerder als cyclisch dan als lineair beschouwd worden. Het is immers niet aannemelijk dat de homo sapiens sapiens opeens geëvolueerd is in een amoreel wezen - hoe graag ze dat ook zou willen. Maar het blijft een boeiend onderwerp.

Een filmauteur die gespecialiseerd lijkt in losgeslagen jeugd is Harmony Korine. Hij schreef het scenario van Kids, een pamflet uit 1995 over een HIV-positieve knul die zoveel mogelijk maagden probeert te bezwangeren. Oftewel anderhalf uur sex, drugs & AIDS. De stijl van Kids was zó smack-in-the-face dat de film eerder gemaakt leek om te choqueren en te beleren dan om te boeien. ‘t Was dan ook vooral de pers die ermee wegliep; recensenten struikelden over elkaar om het maatschappelijk belang van Kids te benadrukken. The New York Times noemde het zelfs een ‘wake up call for the world’. Tsja.

Streek toentertijd regisseur Larry Clark met de eer, nu lijkt Korine in die functie zijn finest hour te beleven met het zelfgeschreven Spring Breakers. Deze film is veel minder didactisch en veel stijlvoller dan Kids. Sterker nog, zelden werd seks, drugs & vakantie zo tastbaar gemaakt in het donker van de bioscoop. Je zou er bijna zin van krijgen.

Verveeld tot op het bot. Dat zijn studenten Faith, Candy, Brit en Cotty. Zelfs tijdens college kunnen ze alleen maar over seks lullen. Ze moeten er hoognodig eens tussenuit! Dat kan want Spring Break - dé westkustvakantie voor studenten - komt eraan. De dames zijn platzak, maar een bezoek aan de plaatselijke diner brengt uitkomst. Even later scheuren ze met een achterbank vol dollars naar de kust van Florida om zich daar te storten op alles wat de Heer verboden heeft, af en toe een mama geruststellend over de foon (“we maken zoveel nieuwe vrienden!”). Als de zelfverklaarde bitches na een fout feestje in de cel belanden, wordt hun borgtocht betaald door lokale gangster Alien (James Franco). Even charmant als gastvrij, lijken de meiden als een blok voor deze gangsta te vallen. Maar weet Alien wel wat voor vlees hij in de kuip heeft gekregen?

Vier sexy bitches-in-bikini plus mooie jongen-met-gun, de poster van Spring Breakers lijkt zich te richten op popcornpoppers. De eerste beelden, van dansende jongeren in de branding, bier spuitend, tieten schuddend, kruis grijpend, heup stotend, lijken dit te bevestigen. Toch voel je aan je water dat Spring Breakers meer is dan een hamburger voor middle class snotneuzen. Niet omdat regisseur Korine ook het kotsen, het wildplassen, het geweld en de paranoia onverbloemd verbeeldt. Of doordat het spel – net als in Kids – zó naturel is dat je naar een documentaire lijkt te kijken. Nee, Spring Breakers is vooral anders door haar overdonderende visuele stijl.

Extreme slow motion, dromerige camerabewegingen, extacy-beat… dit is een film die je ervaart als een cinematografische harddrug. Eentje die flink wat endorfine genereert, want de banaliteiten worden verheven tot een welhaast melancholieke ode aan kicks, tot een reis door de euforie van psychopathie, tot een even spirituele als criminele extase. Dit is Oliver Stone’s Natural Born Killers maar dan zonder kitsch. De moraal ver voorbij.

Echt iets te melden heeft Harmony Korine overigens niet. Bewust niet. Goddank niet. Het is te merken dat het decor van Spring Break oorspronkelijk slechts diende ter inspiratie van Korine’s schilderijen. Hij raakte zozeer verslingerd aan de perfide combi van opwinding en weerzin dat hij er de langste videoclip ooit over besloot te maken. Terecht, want leeghoofdigheid boeit ons al sinds de eerste holbewoonbitches op Spring Break gingen. En zal dat ook na de Apocalyps doen.

Spring breakers
Even een ijsco halen

Kon-Tiki

New Age nazi-homofantasie

Special effects dateren snel. Filmtrucs die ons vroeger uit de bioscoopfauteuil deden vallen, doen ons nu schaterlachen. Ook CGI (computer generated imagery) wacht dit lot. Sterker nog, veel digitale beelden vallen nu al door de mand omdat de specialisten zich niet kunnen beheersen en de effecten een magere plot moeten camoufleren. Een enkele keer echter ‘maken’ ze de film.

Life of Pi bijvoorbeeld, over een jongeman die schipbreuk lijdt met een tijger in zijn reddingsbootje, overtuigde met levensechte nepkat en magische oceaan-die-eigenlijk-een-zwembad was. De trukendoos had meerwaarde.

Het spirituele Pi heeft onmiskenbaar als inspiratie gediend voor Kon-Tiki. Niet dat het relaas van Thor Heyerdahl níet schreeuwde om verfilming. Heyerdahl, overtuigd dat de Polynesiërs afstammen van Peruaanse zeelieden die gebruik maakten van een zeestroom, bouwde na de Tweede Wereldoorlog een balsahouten vlot zoals Peruanen dat 1500 jaar geleden gedaan zouden hebben en liet zich in 101 dagen de 6880 km naar de eilandengroep drijven. Je reinste waaghalzerij die hem een bestseller van 50 miljoen exemplaren opleverde.

Dat Hollywood zich nooit vergrepen heeft aan dit avontuur komt doordat de waarheid in de weg zat. Nou ja, waarheid. Thor had een 16mm camera meegesleept er zelf een ‘documentaire’ van gedraaid. Deze propaganda heeft de enige Noorse Oscar ooit opgeleverd, dus werd het lastig om de waarheid opnieuw bij elkaar te fantaseren. 66 jaar na dato durven ze het eindelijk aan om de computer de sporen te geven en het avontuur als natte New Age-droom op te dienen.

Hoe zat dat ook al weer met die Kon-Tiki? Bijna was Heyerdahl niet uitgevaren. De wetenschap nam zijn plan namelijk – terecht – niet serieus, waardoor hij de grootst mogelijke moeite had om een sponsor te vinden. Alleen Peru, hongerig naar de status van een retro-imperialist, hapte toe zodat Thor en vijf kornuiten alsnog het ruime sop konden kiezen. Daar wachtte hen allerhande gevaren. Van metershoge golven tot witte haaien met lekkere trek. Ook onderling ontstond er wrijving. Zo werd Thors autoriteit ondermijnd toen zijn bemanning anachronistisch ijzerdraad wilde gebruiken om het vlot vast te snoeren. Hadden ze 1500 jaar geleden ook niet! Muiterij!

Zes jongens-op-een-houtvlot, zo’n scenario riekt al snel naar theater. En bij een toneelstuk hangt alles af van overtuigende personages. Dappere zet dus van Noorse regisseurs Joachim Rønning en Espen Sandberg om het verhaal met onbekende en dus blanco Noorse acteurs te presenteren. Helaas investeren de makers te weinig in de personages, waardoor de acteurs met hun Monty Pythonbaarden inwisselbaar lijken. Dat hun dialogen even bloedeloos als humorloos zijn en ze Amerikaans-met-een-Noors-accent spreken helpt ook niet echt.

Wat onze empathie ‘t meest in de weg zit is Thor Heyerdahl himself. Deze hoogarische goeroe met Jezuscomplex (“have faith!”) wens je al gauw tot haaienvoer, terwijl de hagiografische toon van de film toch doet vermoeden dat we in Thor eerder een dappere idealist moeten ontdekken dan een vader die zijn gezin in de steek laat om zijn ego te spekken. Thors filmversie is nog enger dan zijn docu-kloon.

Dat Kon-Tiki toch meer is geworden dan een nazi-homofantasie is vooral te danken aan het geweldige avontuur. Zes jongens drijvend op een theorie in een woestijn van golvend zout, dat blijft tot de verbeelding spreken. Daarbij zijn de computer generated zeebeesten volstrekt overtuigend. Zelfs een digitale haai die aan dek getrokken is omdat ie de scheepspapegaai opgevroten heeft, lijkt echter dan de acteurs van vlees en bloed.

Helaas wordt de oceaan nooit zo magisch als in Life of Pi omdat we ons niet betrokken voelen bij de boys. Je maakt je geen zorgen over hun lot, zelfs niet als je onbekend bent met de feiten. Sterker nog, als die dikke ingenieur het anti-haaienpoeder iets te enthousiast uitprobeert, hopen we dat de botzaag tóch nog van pas kan komen - daar is die computer generated imagery immers voor uitgevonden…

Kon-Tiki
FF er helemaal uit

Mama

De horror onder moeders rokken

De moderne Amerikaanse spookfilm staat niet bekend om haar subtiliteit. Dat komt doordat Amerikanen als de dood zijn voor abstracties. Ze kunnen alleen maar griezelen als Het Onnoembare herkenbaar is. Daarom laat Hollywood haar art department liefst wezens ophoesten uit bijbelse folklore, oftewel Beëlzebubs-met-een-vitaminegebrek. Verder heeft de digitale revolutie hun creativiteit er niet subtieler op gemaakt. Integendeel, de special effects-jongens leven zich tegenwoordig uit als kinderen met een doos verse krijtjes. Derde oorzaak van de banalisering is dat het genre een kweekschool is geworden voor vers talent. Onzekere regisseurs proberen te scoren door ons zenuwstelsel te kastijden met een batterij aan shock-effects. Deze nadrukkelijkheid is opmerkelijk, omdat juist horror ons heeft geleerd dat eng enger worden naarmate minder getoond - niets zo angstaanjagend als onze eigen invulling.

Horrorspecialist Guillermo del Toro is geen Amerikaan. En bepaald geen nieuwkomer. Deze Mexicaan heeft naam gemaakt in Hollywood door een eigen subgenre te ontwikkelen: chique horror met intellectuele pretenties, gearomatiseerd met bizarre wezens. Denk aan Splice en El Laberinto del Fauno. Niet allemaal even subtiel of geslaagd, maar interessante pogingen tot eigenzinnigheid. Daarbij is Del Toro een van de weinige succesvolle horrorregisseurs die trouw is gebleven aan het genre en als producent aanstormend talent de kans geeft. Zoals de Spaans-Canadese Andrés Muschietti met spookfilm Mama. Slappe titel? Dit moedertje bezorgt je koude rillingen.

Twee jonge kinderen worden aangetroffen in een overigens verlate en verwaarloosde bungalow in een bos. Jaren daarvoor heeft zich een drama afgespeeld. Moeder is dood, vader is dood. Hoe de dochters die jaren overleefd hebben is een raadsel. Als hun oom (Nikolaj Coster-Waldau) en zijn vriendin (Jessica Chastain) zich over de twee ontfermen, blijken de zusjes uitermate getraumatiseerd: ze hebben een moeder verzonnen. Die lijkt nog steeds over hen te waken. Op het jaloerse af.

Dat Mama chique horror is blijkt direct uit strak geregisseerde beelden van een auto-ongeluk. Maar ook als het griezelen op gang komt is dat gelijk stijlvol. Geen ‘bizarre’ creaturen uit Del Toro’s keuken, maar gewone kinderen, vervuild en verdierlijkt, voor deze scènes gedigitaliseerd om hen zo overtuigend mogelijk op handen en voeten te laten bewegen. Huiveringwekkend én subtiel, kenmerkend voor een groot deel van deze film.

Zo is de spookmoeder slechts een schaduw of een silhouet, soms horizontaal over de muren bewegend, altijd op de achtergrond, achter de heldin. Bijzonder dreigend en onmiskenbaar geïnspireerd op de hedendaagse Aziatische horror. Daarbij is Muschietti’s camerawerk erg effectief: door uitgekiende perspectieven komen we er vaak pas laat achter dat de kinderen niet met elkaar spelen maar met een spook. Koude rillingen krijg je ervan, zelfs bij daglicht.

Is de moeder eng, het zijn de kinderen die de film bijzonder maken. Kwetsbaar, dreigend, starend, inschattend, zwijgend, motten etend, in kartonnen dozen kruipend, onder hun bed slapend. Nooit eerder werden kindacteurs zo overtuigend geregisseerd in een genrefilm. Maar Mama scoort vooral omdat het, net als klassiekers The Sixth Sense en The Others, meer drama is dan horror. De pogingen van de stiefmoeder om het vertrouwen van de kinderen te winnen zijn roerend waardoor de kijker zich werkelijk betrokken voelt bij dit gezin en Mama boven genrecliché’s uitstijgt. Deze film is van vlees & bloed.

Dat het een debuut is merken we evenzeer. De regisseur vergrijpt zich regelmatig aan shock-effects en laat de film uiteindelijk ontsporen in een bijna hilarisch Disneydrama van digitale effecten. Maar dan is reeds duidelijk dat Muschietti een auteur is waar we nog veel van gaan horen. En dat hij daar geen mother-from-hell voor nodig heeft.

Mama
Amber alertje

The Imposter

De waarheid omtrent de leugen

Waarheid & film, het is een moeizaam huwelijk. Kunnen feiten een verhaalvertelling danig in de weg zitten (juist in biopics en historisch verantwoorde drama’s wordt er gesjoemeld), bij genrefilms zorgt een zweem van feitelijkheid juist voor suspense of disbelief. Anders gezegd: je pikt lulkoek eerder als die lulkoek waargebeurd lijkt. Denk aan de ‘found footage’-films waarin een reportageteam achtervolgd wordt door mutanten in de subway. Plak een datum, locatie en ‘politierapportage’ bij de openingscredits en niemand durft de metro meer in.

Die zweem kan nog eens versterkt worden door een ‘waargebeurd-buzz’ te creëren op internetfora. Vooral low budgetfilmers zetten het medium in als gratis marketingmachine. Soms met overdonderend effect, zoals bij The Blair Witch Project. Maar daar stinken filmliefhebbers niet meer in. Integendeel, die gebruiken datzelfde internet nu om te checken of de waargebeurde lulkoek waargebeurd is.

De vraag is echter of we die waarheid wel wíllen weten. Zo is The Imposter van regisseur Bart Layton een film waarbij je je voortdurend afvraagt of het fictie of documentaire betreft - en juist dat denkwerk zorgt voor kijkplezier. Deze recensie is dan ook bedoeld voor filmliefhebbers die nooit recensies lezen.

The Imposter gaat over Franse jongeman Frédéric Bourdin die zich in Spanje voordoet als een Amerikaanse jongen Nicholas, drie jaar eerder op 13-jarige leeftijd in Texas verdwenen. De personificatie is gewaagd op het roekeloze af omdat Frédéric weinig gemeen heeft met Nicholas. Een vet Frans accent, bruine in plaats van blauwe ogen en een opmerkelijk donkere baardgroei voor een ‘blonde’ jongen. Dat Frédéric zeven jaar ouder is dan Nicholas geweest zou zijn maakt het er niet overtuigender op. Toch werkt de familie hard aan suspense van eigen disbelief omdat ze haar jongen zo graag terugwillen. Daarbij zijn de autoriteiten overtuigd van zijn identiteit. Op een detective na, die zich over de zaak buigt.

De eerste helft van The Imposter is behoorlijk saai. Interviews met de bedrieger en met de familie worden afgewisseld met reconstructie. Je leeft noch mee met Frédéric want opportunist en pathologisch leugenaar, noch met de familie want in denial op het irritante af. Van spanning is geen sprake omdat je vanaf het eerste moment weet dat de bedrieger een bedrieger is (“All my life I wanted to be someone else”). Wat rest is de vraag of het relaas waargebeurd of fictie is. Is The Imposter speelfilm of documentaire? Je ‘eist’ bijna de tweede optie, want indien verzonnen is het een belediging voor je intelligentie.

Gelukkig wordt onze innerlijke speurneus na de pauze gestimuleerd met archiefmateraal. Een home movie waarin de familieleden een jongeman-met-zonnebril-en-pet van het vliegveld afhalen. Volgens de makers 1997. De familie ziet er ook echt jonger uit, een transformatie die met grime of digitale effecten erg moeilijk te verwezenlijken is. Wel kan er sprake zijn van een omkering; dat de regisseur op basis van deze home video het complete verhaal verzonnen heeft, met eigen familie als ‘cast’. Echter, archiefbeelden van het tv-nieuws zien er weer akelig echt uit. Maar een kameleon die door interpol gezocht wordt wegens het aannemen van tientallen identiteiten? Een detective die Charlie Parker heet? Ongeloofwaardig op het lachwekkende af. Zelfs na de credits weet je niet of je belazerd bent.

Kijkers die reeds opgezocht hebben of The Imposter feit of fictie is wacht veel minder mindfuck. Zij moeten het vooral hebben van een onverwachte wending. Die indruk maakt, maar tevens nieuwe vragen oproept die onbeantwoord blijven. Ook zij zullen onbevredigd de zaal verlaten, want The Imposter vraagt om verdieping. Om meer leugens. Of om meer feiten.

The Imposter
Mijn naam is Haas

>

Great Expectations

Vroeger was alles beter

Er wordt nogal eens gefoeterd op de internetgeneratie. Ze zou er geen enkel historisch besef op nahouden, slechts geïnteresseerd zijn in het hier & nu, altijd op jacht naar instant gratification. Toch is hun existentialisme een ware verademing voor de vorige generatie die doodgegooid werd met verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Liever de Kracht van het Zojuist dan nostalgie naar zware tijden.

Wat de Nu-generatie echter misloopt is een shitload aan ‘oude’ kunst. Pre-popmuziek dringt nauwelijks tot hen door en van zwart-witfilms hebben ze nog nooit gehoord. Boeken – laat staan klassiekers – bestaan niet. Daarbij verleidt de overvloed van internet tot de gemakkelijkste weg: waarom kiezen voor een ‘moeilijke’ ouderwetse film (waartoe de vorige generatie veroordeeld was met haar twee televisiezenders), als er zoveel eigentijdse filmbrokken klaarliggen op de Baai...

We zouden dus blij moeten zijn als een filmregisseur het aandurft om fossiele wereldliteratuur op te dienen. En al helemaal als het gaat om de 19e-eeuwse Charles Dickens. Let wel: zonder het verhaal om te katten tot musical, animatie of science fiction. Dus. Waarom is Mike Newells versie van Great Expectations dan zo vreselijk overbodig?

Voor de jongeren onder ons eerst de synopsis: Britse platteland, 19e eeuw. Pip is wees. Hij woont bij zijn zus en zwager, die dorpssmid is. Soms mag hij spelen bij de even rijke als excentrieke Miss Havisham. Hij wordt verliefd op haar stiefdochter Estella, die hem uitscheldt voor kinkel maar zich wel laat zoenen. Pip wil nu gentleman worden in plaats van smid! En verdomd. Enkele jaren later wordt Pip door een onzichtbare weldoener uitgenodigd om zich in London te laten omvormen tot heer. “My communication to him is that he has great expectations!” Pips nieuwe bestaan bevalt de jongeheer zo goed dat hij zijn roots bijna vergeet. Totdat blijkt wie zijn weldoener is. En hij Estella tegen het lijf loopt.

Dickens zelf was ‘immigrant’. Een niet-Londenaar die naar de grootstad moest verhuizen om daar als 12-jarige snotneus in een schoenfabriek te sloven. Hij heeft de smerige, dichtbevolkte metropool en haar standenmaatschappij dus aan den lijve ondervonden. Het geeft dit sprookje niet alleen een grimmige, maatschappijkritische ondertoon, ‘t biedt ook volop kansen voor de moderne filmtechniek. Immers, met digitale beelden zou het toenmalige Londen in al haar hectiek, armoede en vervuiling  opnieuw tot leven gebracht kunnen worden in ademstokkende panorama’s. Beelden, sterker dan onze leesfantasie, en een stuk overtuigender dan het geklungel vroeger in de filmstudio.

Niets van dat al. Newells Great Expectations oogt alsof ie decennia geleden gedraaid is. Sterker nog, hij vertoont zoveel overeenkomsten met David Leans versie uit 1946, dat hij voor een hommage aan deze filmklassieker moet doorgaan – in plaats van aan de roman. Newells versie is weliswaar in kleur, maar het waren juist de grijstinten die Leans film een sfeer gaven. Het acteerwerk is misschien minder toneelmatig dan 66 jaar gelden, maar de casting van de sterren is tenenkrommend: hoofdrolspeler Jeremy Irvine heeft de uitstraling van Barbie’s Ken en Helena Bonham Carter zit te schmieren alsof het een one woman show is. Evenmin worden we verwend met spannend camerawerk; Newells brave registratie verbleekt bij Leans expressionistische slagschaduwen.

Wat rest is de onverslijtbare Dickens. Diens dreigende universum, gedicteerd door agressief plebs en upper class sadisten. Details als dodenmaskers en een miniatuurstrop aan de wand van het advocatenkantoor. Personages als femme fatale Estella die er met haar bitcherigheid alleen maar verleidelijker op wordt. Maar daar hebben we het boek al voor.

Op z’n best is deze zoveelste verfilming een ode aan de tijd dat er nog grote regisseurs bestonden. Zelf is crowd pleaser Newells (Four Weddings and a Funeral) dat zeker niet. Anders had hij een risico genomen, was ie gegaan voor een musical, een scifi, een animatie of een andere blasfemische revisie. Voor iets spannends. Liever wachten we dus op een re-release van Leans versie, met als kinderlokkertje dat zwart-wit het nieuwe 3D is.

Great Expectations
Effe stofzuigen