titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Haute Cuisine

Allerhande the Movie

Never let the truth get in the way of a good story. Een gulden devies voor iedere scenarioschrijver die zijn script op feiten baseert. Het probleem van de werkelijkheid is namelijk dat ze beroerd geschreven is. Al te vaak houdt ze geen rekening met geloofwaardigheid, logica of spanningsboog; zijn de personages te raar, gooit toeval roet in ’t eten, is het einde deprimerend. De werkelijkheid klooit maar wat an. Daarom is het aan de schrijver om de feiten met veel fictie feitelijk te laten lijken.

Dat doet ie maar al te graag. Sterker nog, soms worden de ‘waargebeurde gebeurtenissen’ er met de haren bijgesleept, om nog vóór de openingscredits te kunnen schermen met een inspired by true events - dé truc om exorcisme, kidnap-door-aliens en rituele seriemoord waarachtigheid mee te geven. Want het is vooral het idee dat iets waargebeurd is wat een film waargebeurd doet lijken.

Er zijn ook films waarbij je je afvraagt waarom ze in godsnaam op de werkelijkheid gebaseerd zijn. Niet alleen omdat de feitelijkheid niets heeft toegevoegd aan het onderwerp, maar vooral omdat de gebeurtenissen an sich al te mager waren voor een verhaal. Eetfilm Haute Cuisine van Christian Vincent valt in deze categorie. Zó waargebeurd dat je naar artificiële smaakmakers snakt.

Hortense (Catherine Frot) is een intuïtief chefkok. Ze doet maar wat. Nou ja, ze doet wat ze van haar moeder en grootmoeder geleerd heeft. Met effect: haar keuken is legendarisch onder gourmets. Laat monsieur le Président (Jean d'Ormesson) zo’n fijnproever wezen. De éminence lokt haar naar het Elysée om zijn maaltijden te bereiden. Hortense voelt zich vereerd, maar heeft zo haar twijfels. Ze wordt namelijk niet echt welkom geheten door de koks van de centrale keuken, die haar beschouwen als een intrigante, een betweter die hun status als smaakmaker ondermijnt. Ook de ambtenarij probeert Hortense te dwarsbomen. Zo mag ze niet langer gebruik maken van eigen leveranciers, oftewel familie die de lekkerste truffels weet op te sporen. Tot ongenoegen van de president. Hij geniet van Hortense's no-nonsense kookkunst en vereert haar regelmatig met een bezoekje aan de bijkeuken, weg van het politieke gekonkel. Hun intimiteit is jaloersmakend.

Films die over eten gaan, gaan doorgaans over excessen (La Grande Bouffe). Ook wordt er wel eens iets bereid met verboden vruchten (The Cook the Thief His Wife & Her Lover). Maar altijd gebéurt er wat. Eetfilms die over de gerechten zelf gaan zijn een curiosum. Logisch. Daar heb je kookprogramma’s als Nigella Lawsons culiporn voor, shows die hun populariteit danken aan huisvrouwen die thuis ook wel eens een fazant in het tosti-ijzer willen proppen. Uitsluitend kíjken naar gerechten, zoals in Haute Cuisine, twee uur lang, in close-ups, da’s net zo'n kwelling als porno gluren in de bioscoop - met macro-opnames van de organen.

Een groter probleem vormt het verhaal. Of beter gezegd, het nijpende gebrek eraan. Voor een goed verhaal heb je conflict nodig. Dat conflict lijkt voor het oprapen: de wrijving tussen conservatieve macho koks / ambtelijke slangen en het o zo integere kruidenvrouwtje Hortense. Prima basis voor een zwarte komedie zou je zeggen. Maar de spanning wordt nauwelijks uitgewerkt. En de grappen zijn hoogbejaard. De personages zijn taarten (Hortense) of karikaturen (alkle anderen). Haute Cuisine is een Louis de Funèskomedie zonder Louis de Funès en zonder komedie. Of Allerhande the Movie, waarbij je de recepten na afloop niet mee naar huis mag nemen.

Áls de film een hilarische indruk maakt, dan komt dat door de raamvertelling. Haute Cuisine wordt - om onverklaarbare reden - geserveerd in flash-backstructuur vanuit Hortense’s ‘huidige’ betrekking. Op de Noordpool. De Noordpool!? Yep, daar bereidt ze exquise kantinemaaltijden voor ongewassen poolvorsers. Wat helemaal niets met het verhaal van doen heeft. Wellicht moet het spanning kweken, ons in de waan brengen dat Hortense Franrijk ontvlucht is omdat de president bezweken is aan haar mosselpudding of volslanke fysiek. Maar dan hadden we dat indertijd wel in de krant gelezen want waargebeurd. Nee, de enige denkbare reden dat deze uitgebreide scènes (tot en met een afscheidsfeestje-plus-toneelstuk) in de film gestopt zijn, is hun feitelijkheid. Regisseur Vincent streefde naar volledigheid zonder zich ook maar een moment afgevraagd te hebben of de gebeurtenissen onderhoudend zijn. God beware ons als hij ooit besluit intuïtief chefkok te worden.

Haute Cuisine
Kijke kijke niet kauwe!

The Campaign

Weggeschaterde angel

“Ah joh, wat maakt het uit, hahaha!” was de reactie van een jonge, hoger opgeleide liberal in Californië toen hem gevraagd werd waarom hij op republikein Arnold Schwarzenegger had gestemd voor het gouverneurschap. Een opmerkelijk antwoord, niet omdat de man een liberal was en Arnold een republikein, maar omdat de reactie gepaard ging met een vette schater. Blijkbaar had de stemmer allang geconcludeerd dat de Amerikaanse politiek tot absurditeit verworden is, tot een farce die je net zo goed kunt laten leiden door een bodybuildende filmster als door een ‘serieuze’ politicus. Het cynisme voorbij.

Nou hebben de States natuurlijk geen alleenrecht op politieke poppenkast. In de meeste democratische culturen zijn verkiezingen een rondedans van ijdelheden, omkoping, manipulatie en intimidatie. Het unieke aan de Amerikaanse politiek is dat ze zoveel media-aandacht krijgen. Een miljoenen verslindende variétéshow, die een stuk meer tot de verbeelding spreekt dan onze eigen high brow low budgetverkiezingen.

Zo'n absurd verkiezingsklimaat maakt het onderwerp voor Hollywood zowel aanlokkelijk als problematisch om te parodiëren. Enerzijds staat een overdaad aan materiaal ter beschikking, anderzijds ligt een overkill aan hilariteit ligt op de loer. The Campaign balanceert als een ervaren politicus tussen de uitersten maar gaat er ook met onze centen vandoor.

Cam Brady (Will Ferrell) heeft alles wat een congreslid succesvol maakt: hij is immoreel, opportunistisch, promiscue, corrupt. En last but not least: zijn haar zit altijd goed. Nu nog even voor de vierde keer herkozen worden en hij kan big bucks maken met een Chinese multinational, die eigen arbeiders tegen hongerloon giftig speelgoed in Cams staat wil laten maken. Win-win! Helaas maakt Cam een flinke uitglijder door een verkeerd antwoordapparaat in te hijgen. En erger: hij krijgt voor ‘t eerst met een tegenkandidaat te maken: Marty Huggins (Zach Galifianakis). Deze VVV-kanjer c.q. familiemuts heeft een snor die altijd goed zit. Hij zegt waar het op staat en - op aanraden van zijn diabolische mannetjesmaker – ook waar het niet op staat maar wat wél lekker klinkt. Een titanenstrijd vol trash talk kan niet uitblijven.

"War has rules. Mud wrestling has rules. Politics has no rules." Met dit grimmige statement van Ross Perot tijdens de presidentiële verkiezingen van 1988 lijkt The Campaign een serieuze toon aan te willen slaan. Vergeet ‘t maar. Regisseur Jay Roach, bekend van Meet the Fockers en Austin Powers, mikt op onze schaters met een rollercoaster aan grappen, waarvan zeker de helft geslaagd is. Cam die in slow motion een baby een kaakslag geeft en daar achteraf de baby de schuld geeft. Een aannemelijk gemaakte parallel tussen Marty’s baardgroei en lidmaatschap van Al Qaida. Een lesje mannetjesmaken waarin de heilige drie-eenheid uit de doeken gedaan wordt: America - freedom - Jesus (waarbij de laatste uiteraard doorgaat voor The Greatest American). Geen enkele cultuur kan zichzelf zo aanstekelijk op de hak nemen als deze.

Natuurlijk struikelt The Campaign ook regelmatig over flauwe grappen, maar dat mag bij zo’n lawine. Storender én onnodig zijn de stijlbreuken. Zo heeft Zach Galifianakis zijn Marty een nichterige motoriek en mimiek meegegeven die geen enkele functie krijgt in de plot. Het is de bedoeling dat hij meuterig overkomt, niet latent homo, dus dat leidt af. Andere misser is een woede-uitbarsting van Cam die veel te lang duurt en veel te ongrappig is. Riekt naar ongewenste improvisatie van Will Ferrell.

Maar The Campaign laat zich pas echt kennen met de portie hugging & learning waarmee ze ons uiteindelijk tracht om te kopen. Dramatisch gezien een begrijpelijke zet omdat we dan met een warm gevoel naar huis gaan, maar ‘t haalt wel de angel uit de satire. Soit. In een cultuur waarin een bodybuilder met losse handjes, een zwak voor Hitler en een flair voor 't intimideren van het journaille wordt verkozen tot gouverneur, is corruptie misschien juist een uiting van patriottisme. Het maakt de schater er niet minder luid om.

The Campaign
Yes we can't!

Savages

De Zippo van de Godmother

War = bad for business, zo luidt een gulden regel binnen de maffia. Afrekeningen tussen bendes trekken aandacht van media en politie, moeten dus zoveel mogelijk gemeden worden. Dit pragmatisme is als the voice of reason vergeleken bij de modus operandi van de Mexicaanse drugkartels: 50.000 doden binnen 8 jaar, met onthoofding-door-kettingzaag als PR. De strijd om route en territorium heeft daar niet geleid tot organised crime, maar tot anarchie annex burgeroorlog. Bad for business.

Lange tijd was deze genocide de Amerikanen een worst. Zolang hun rich kids de coke maar op tijd kregen en de kartels netjes aan de andere kant van het hek bleven. Echter, nu de territoria in Mexico opraken, besluiten de druglords aldaar steeds vaker tot expansie richting VS. The kartels are coming! Ook de filmindustrie heeft neus gekregen van deze dreiging, maar is huiverig haar vingers te branden aan het excessieve geweld. Want laten we wel wezen, een machinegweer leegschieten kijkt éffe wat lekkerder boven je popcorn dan seriële onthoofding. That’s unamerican! Gelukkig is er altijd nog Oliver Stone (JFK, Nixon, Natural Born Killers). Koning van de Controverse, visionair filmrebel. Tenminste, zo ziet hij zichzelf graag. Wij zien hem vooral als über-B-filmer met tunnelvisie. Voor Savages zaagt hij zijn planken extra dik. Met kettingzaag.

Chon (Taylor Kitsch) en Ben (Aaron Taylor-Johnson) verschillen als dag en nacht. Chon is Navy Seal met littekens uit Afghanistan en Irak, Ben werkt aan een betere wereld met ecoprojecten in Afrika. Deze tegenpolen zijn vrienden voor het leven en delen een Californische babe (Blake Lively), die hen de liefde en ‘t thuis schenkt dat ze in hun jeugd hebben moeten missen. Daarnaast hebben ze een joint venture als high-tech hennepkwekers. De netste gangsters van de staat, met als specialisatie medisch cannabisgebruik. De zaken gaan zo goed dat een Mexicaans kartel met hen in zee wil. Daar voelen ze weinig voor. Tot hun babe ontvoerd wordt. En de spics met onthoofding dreigen. Chon mobiliseert zijn vriendjes uit het leger en bindt samen met Ben de strijd aan met Goliath. Brains over muscle! Maar kun je wel oorlog voeren zonder je handen vuil te maken?

In de opmaat van Savages zien we ‘amateur’-flitsen van doodsbange sloebers en een kettingzaag, een paar scènes later gevolgd door rollende hoofden. De executie zelf blijft ons bespaard. Geen platte splatter voor Stone! Dat maakt de film niet minder authentiek, zal hij ongetwijfeld zelf vinden, want de kartelbaas is wél een vrouw. En Mexicaanse kartels onderscheiden zich niet alleen qua modus operandi van de traditionele maffia, maar ook met een opkomend matriarchaat: weduwen van druglords, die zich genoodzaakt zien ’s mans rol over te nemen. Deze godmothers bewijzen dat bloedlust unisex is. Niet dat de mater familias in Savages haar handen vuil maakt - daar is Salma Hayek te lekker voor.

En Hayek is niet de enige eye candy. We worden verwend met California girls, luxe villa’s aan het strand, elektrische muscle cars op de boulevard, seks met zonnebrandolie. Dit alles opgeserveerd met surfmuziek, dromerige flanger gitaar en dramatische violen. Lekkerrr. Verder erg veel geblow, want softdrugs zijn cool en goed tegen kanker, lijkt Stone’s boodschap. Hoe gewaagd! Veel meer heeft ie echter niet te zeggen. De dialogen zijn prut (voice-over: “Ben’s guiding philosophy is basically buddhist: don’t fuck with people. Chon’s philosophy is basically baddist: don’t fuck with us.”). De personages zijn plat. De helden saai. We moeten het hebben van John Travolta-zonder-haarstukje en een – zoals altijd – ultrafysieke Benicio Del Toro. Verder is er natuurlijk Stone’s visuele handtekening: uitstekend camerawerk (met knipoog naar Sergio Leone), strakke actie en nog strakkere montage. Het lijkt wijlen Tony Scott wel.

Maar Stone zou Stone niet zijn als hij ons niet ook een lesje ethiek zou willen leren. Dat doet ie door de Jezus-achtige Ben voor een duivels dilemma te plaatsen: óf zijn babe laten onthoofden óf een schurk in de fik steken. Dan voelt Ben de Zippo in zijn zak branden. There’s no such thing as an innocent gangster! hoor je visionair Stone roepen. Had ie dat niet met een fatsoenlijke mitrailleursalvo kunnen onderstrepen?

Savages
Don't call me babe

Innocence of Muslims

Zwevende Python uit de nagelstudio

Het manco van propagandafilms is dat ze zichzelf zo verschrikkelijk serieus nemen. Dat komt doordat de gemiddelde dictator of guerrillaleider zichzelf zo verschrikkelijk serieus neemt. En dat komt weer doordat hij zo’n lage dunk heeft van zijn doelgroep. Hij denkt ‘t volk in te kunnen palmen met een ongenuanceerde, humorloze en daardoor onverteerbare boodschap. En dat lukt hem nog ook.

De zeldzame gevallen dat een propagandamaker gebruik maakt van ironie is dat niet om eigen boodschap te relativeren, maar om de tegenstander belachelijk te maken. Denk aan die scène van Fahrenheit 9/11, waarin president George W. Bush net te horen heeft gekregen dat de VS onder vuur ligt van moslimterroristen. Guerrillafilmmaker Michael Moore zoomt in op de tv-opname van Bush’s gezicht en vult diens monologue intérieur in met even geestige als indringende als overtuigende fake-quotes. Het bewijs dat propaganda niveau kan hebben.

De meest humorloze propaganda wordt gemaakt door de Gek met de Boodschap. Vermoedelijk omdat deze eenling zo stellig in zijn boodschap gelooft. Aangezien het bereik van een propagandafilm cruciaal is voor haar succes, hoor je zelden van deze categorie. Áls zo’n microdictator met zijn boodschap in het nieuws komt is dat meestal omdat hij eerst een daad heeft gesteld. Zo moest Anders Breivik massamoord plegen om zijn manifest onder de aandacht te brengen, terwijl zijn film nog steeds niet viraal is gegaan. Vreemd genoeg overkwam dat laatste wel de Amerikaanse pornoregisseur Alan Roberts met zijn anti-islamfilm Innocence of Muslims. Terwijl Roberts niet eens iemand vermoord heeft. En dat ook niet van plan is.

In zijn geval was het ‘t publiek dat de daad stelde. Protesten en zelfs een lynchpartij door jihadisten, gevoed door propaganda over deze propagandafilm. Want geen heilige oorlogsvoerder zal de integrale versie van Innocence of Muslims daadwerkelijk gezien hebben. Ook de gewone bioscoopbezoeker klopt tevergeefs bij aan Pathé voor een avondje islam bashen. Dat de Taliban toch een indruk kunnen krijgen op hun smartphone komt doordat Roberts de trailer op YouTube heeft gezet. Laat dat nou net de langste trailer uit de filmgeschiedenis zijn: 14 onkijkbare minuten.

Wordt tegenwoordig in een trailer werkelijk iedere wending van de plot scène na scène voorgekauwd, ook na drie keer terugspoelen weet je niet waar Innocence of Muslims precies over gaat. Dat is vooral te wijten aan de schrikbarend hoge mate van amateurisme. Laten we er even doorheen rennen.

De montage is op z’n best at random, waardoor de verhaallijn om onverklaarbare reden van het ‘nu ergens in de woestijn’ naar ‘lang geleden ergens in de woestijn’ springt. Het leeuwendeel van de scènes is gedraaid voor een green screen én verkeerd gekadreerd, waardoor de personages boven het woestijnzand lijken te zweven. Het geluid echoot alsof het in een nagelstudio is opgenomen (wat ongetwijfeld ook het geval is) en is zo gecomprimeerd dat het door robotten uitgesproken lijkt. De personages zijn bruin geschminkt met schoenpoets, lachen als Snuf & Snuitje en hebben afzakkende opplakbaarden. De stuntelige actie lijkt een rip-off van de Turkse rip-offs van de Rambo-franchise. Kortom, dit is Monty Python on acid, gemaakt door een tienjarige troll. Maar is het ook propaganda? Tja. Moslims worden afgeschilderd als militante idioten en de profeet als oversekste sadist. Maar de belediging zit hem meer in het beroerde spel dan in de absurde personages.

Roberts moet het zwaar hebben. Jihadisten verdringen elkaar om cineast + familie + aangetrouwde familie te lynchen. Maar het leed zit dieper. Zijn film is unaniem afgekraakt. Op YouTube nodigen reposters uit om de film te disliken of te ridiculiseren. Alan Roberts is een kruising tussen Ed Wood en Salman Rushdie geworden. Dus als de Taliban en Al Qaida zichzelf ook maar een beetje serieus nemen, laten ze Roberts film lekker viraal gaan. De beste propaganda tegen amateuristische propaganda is immers exposure. En laten ze zelf de sequel maken, waarin het christendom op de hak wordt genomen. Of heeft Monty Python dat al gedaan?

Innocence of Muslims
Propaganda voor de gewone man

The Angels' Share

Verlicht aanrecht met hartverwarmende spuugbak

Het kitchen sink-genre is hard werken geblazen voor de filmliefhebber. Gesitueerd in een grimmig arbeidersmilieu of uitzichtloze werklozenscene, druipend van onrecht, geweld, drugs en zwarte thee, gespeeld door acteurs die gecast zijn op talent in plaats van good looks, topzwaar van de politiek correcte moraal, biedt dit soort films weinig kans op een avondje onbezonnen bioscoopplezier. Filmhuisdarlings voor masochisten?

Daar lijkt het wel op. Engagement en didactiek gaan immers hand in hand. Kitchen-cineasten bestraffen onze behoefte om te escaperen in oppervlakkige en daardoor verleidelijke emoties, zwaaien met een maar-zo-is-het-échte-leven vingertje. Daarbij is het altijd weer afwachten of we beloond worden voor onze emotionele investering. Want dat is bij dit genre toch wel de premisse, dat die hyperrealiteit uiteindelijk de meest krachtige emotie opwekt – in contrast met het kaassoufflé-effect van Amerikaanse filmhamburgers. Hoe échter de ellende, hoe échter gevoel.

Soms is dat echte gevoel bijna ongewenst echt. Zo maakte aanrechtcineast Ken Loach met My name is Joe één van de ruigste kitchen sinks ooit, over een born again alcoholist die helemaal voor de positiviteit gaat en daarvoor bestraft wordt in een mokerslag van een climax. Een film die een plekje kerft in je hersenschors. Gelukkig kan er ook zoiets bestaan als kitchen sink light. Dat toont diezelfde Loach aan met The Angels' Share. Geen masochistische inslag vereist.

Robbie (Paul Brannigan) heeft het niet getroffen. Als zoon van criminele ouders is zijn leven getekend door geweld, drugs en nihil opleiding. Maar er is een lichtpuntje. Hij is zojuist vader geworden. Voor het eerst. Zijn schoonpapa wil hem echter de stad uitschoppen. Letterlijk. En eerst moet Robbie nog een paar miljoen uur taakstraf verrichten. Dat laatste lijkt erger dan het is, want het overige gajus is ook best tof. En teamleider Harry (John Henshaw) heeft een hart van goud. Hij neemt het tuig zelfs mee voor een weekendje whisky proeven. Robbie blijkt een goede neus te hebben. En bedenkt een uitgekookt plan om daar stinkend rijk mee te worden.

Op YouTube zijn zelfgemaakte trailers te zien van filmklassiekers, de zogeheten recuts, waarbij door middel van nieuwe montage, muziek en voice-over de plot en sfeer zodanig verdraaid worden dat de film tot een compleet ander genre lijkt te behoren. Horrorfilm The Shining bijvoorbeeld, wordt hilarisch omgeturnd in een dad-son bonding/feelgood movie. Ook de trailer van The Angels' Share oogt alsof ie gemanipuleerd is. Tussen de filmfragmenten verschijnt, in flarden, de Opraheske tekst “To make a change… you need a chance… But with the right spirit… anything is possible.” Dat, plus een opgewekt tokkelend gitaartje en een hoop geschater, doet vermoeden dat we hier ontzettend in de maling genomen worden. Dít een échte Ken Loach!? Jazeker.

Nou ja, voor dat light moeten we ons wel eerst vertillen aan een dosis heavy. Vooral de confrontatie tussen Robbie en een slachtoffer van diens gewelddadige drugsverleden lijkt geknipt uit een documentaire over zinloos geweld. Ook enkele straatscènes drukken ons met de neus op de wetten der asfaltjungle. Jaja, zo is het echte leven in Glasgow!

Maar Loach mikt toch vooral op de gulle lach. Dat doet ie soms flauw, door onwetendheid te ridiculiseren (knul met mosterdglazen weet noch wie Albert Einstein noch wie Mona Lisa is) soms liederlijk (knul met drankblik zuipt uitspuugbak van geproefde whisky – compleet met rochels – in één teug op), soms teder (losers plagen elkaar liefdevol). Al rap sluit je deze losers in je hart, en slik je het ongeloofwaardige jongensboekplot - bijna een stijlbreuk in dit serieuze genre - als zoete koek.

The Angels' Share wordt gepresenteerd als het Schotse antwoord op The Full Monty, maar is veel subtieler. Of lighter? Oeps. De stap van light naar oppervlakkige, en daardoor o zo verleidelijke emoties is klein. Nog even en we gaan voor ons plezier naar een kitchen sinker.

The Angels' Share
Een neus voor vloeibaar goud

Take This Waltz

Voor de kitsch de kerk uit

Wie is de baas van de film, that’s the question. Veel filmliefhebbers denken dat de artistiek leider, oftewel de regisseur, het laatste woord heeft over zijn werk. Echter, de final cut is doorgaans voorbehouden aan de geldschieter, oftewel de producent. Die bepaalt hoe de definitieve versie gemonteerd wordt. En dat oordeel is weer gebaseerd op reacties van een proefpubliek. Met andere woorden: WE rule! Nou ja, enkele uitverkorenen onder ons dan.

Het kan zo zijn dat de regisseur medeproducent is, maar doorgaans steekt die zijn centen liever niet in kunst (investeren in film is als Russische roulette). Om vervolgens wel te piepen over de ‘artistieke corruptie’ van de producent, die zijn kindje verminkt heeft om een lui cq dom cq verveeld publiek te behagen. Soms is de regisseur zo gefrustreerd over de eindmontage dat ie decennia later alsnog een director’s cut uitbrengt. Dan blijkt hoezeer en hoe vaak die behaagzieke producent het bij 't juiste eind heeft gehad: director’s cuts zijn dikwijls volgepropt met terecht gesneuvelde scènes.

Toch is het legitiem vragen te stellen bij de invloed van het publiek, die overigens alleen maar groter zal worden. Gezien het interactieve karakter van de nieuwe media is het onvermijdelijk dat er mainstream films op dvd uitkomen waarbij het publiek kan kiezen uit verschillende plotwendingen met bijbehorende eindes. Dat schept een nieuw probleem: keuze staat haaks op dramatische spanning; een verhaal werkt omdat we meegesleept worden, niet omdat wij het verhaal zelf meeslepen. Zo zijn de meest intense, romantische eindes zelden happy endings. Slechts een enkele film zal dus echt gebaat zijn bij een people’s cut. Het betoverende Take This Waltz is zo’n uitzondering.

Margot (Michelle Williams) heeft een baantje als folderschrijfster en woont samen met haar vriend, goedzak Lou (Seth Rogen). Life is good. Of, dat zou het moeten zijn. Maar Margot voelt zich incompleet. Ze glijdt steeds weg in stemmingen. Komt ook door de relatie. Margot & Lou hebben veel lol en zijn erg close, maar de seksuele spanning is tanende. Sleur is als een tumor hun liefde binnengeslopen. Die kanker zaait uit als Margot verliefd wordt op de overbuurman. Deze Daniel (Luke Kirby) is ook niet de minste. Een sexy kunstenaar, slim en grappig en direct-op-het-confronterende-af. Spannend! Zijn gras is zoveel groener dan dat van Lou, dat Margot dreigt te bezwijken voor de - vooralsnog platonische – flirtage. Om maar niet te spreken van haar zelfopgelegde omerta.

“I'm fascinated by desire. I think, obviously, there's a biological drive that cannot be denied. It's completely human to be drawn towards desire, but I think desire can sometimes fill a gap for us in a way that nothing else can. That's why it's so addictive.” Aldus regisseur, schrijver én producent Sarah Polley. Deze alleskunner en dus ook allescutter, van huis uit ook nog eens actrice – heeft dat verlangen schitterend verfilmd. Trippy ballads en gegoochel met scherptediepte verbeelden Margots hunkering zo poëtisch dat deze voor een dagdroom zou kunnen doorgaan. Who needs reality.

Maar ook de intimiteit van de relatie is tastbaar. Margot en Lou maken rare geluiden en voor een buitenstaander gruwelijke grappen die alleen soul mates elkaar toevertrouwen. Het is dit oog voor alledaagse schoonheid waarmee Polley zich een authentiek auteur bewijst. Maar het is het naturelle spel van Michelle Williams dat ons verleidt. Williams toont aan dat een actrice met girl next door looks de présence van een filmster kan hebben. Oscarwaardig, alleen al voor Gebrek aan Grime.

Eigenlijk is de eerste anderhalf uur een bescheiden meesterwerk. Maar dan. Net als je denkt dat er een klassiek einde volgt – denk The Bridges of Madison County en Brief Encounter – gaat Take This Waltz door. Of beter gezegd, gaat Sarah Polley door. En hoe. Ze glijdt uit met een behaagzieke afterburner, compleet met doorgedraaide kitschcamerabeweging en alles unterschmierende Leonard Cohen, waardoor de film van haar charme ontdaan wordt. Doodzonde.

Natuurlijk gaan we niet decennia wachten op de people’s cut. Stijlvoller is het om, met volgesnote zakdoek in de hand, de zaal te verlaten op het moment dat Margots sexy buurman zijn biezen pakt en zij topzwaar van de blues in bed kruipt bij Lou, die misschien niet alles hoeft uit te spreken wat hij aanvoelt. Cut!

Take This Waltz
Intieme verwensingen

360

Character hopping in euro-pudding

Slimme scenarioschrijvers weten dat slimme filmliefhebbers zich graag bevestigd zien in hun slim-zijn. Natuurlijk worden ze ook graag verrast, maar bovenal willen ze het gevoel krijgen dat ze de gelijke zijn van de verteller, dat ze het scenario ‘meeschrijven’. De scenarist spekt die waan door bijvoorbeeld basale thrillerwetten te hanteren. Als er in acte IV iemand met het dopje van een Bic pen doodgestoken wordt, dan moet die Bic pen in acte I al 'aangekondigd' worden, zodat de oplettende kijker het verloop kan ‘voorspellen’. De slimmere scenarioschrijver zorgt er natuurlijk voor dat de informatie zo achteloos mogelijk gepresenteerd wordt (personage kauwt op dopje) en dat er voldoende afleiding is, zodat de kijker zichzelf extra slim vindt als ie ‘’t voelde aankomen’. Niets zo verleidelijk als zelfoverschatting.

Ambitieuze slimme scenarioschrijvers gaan een stap verder. Zij schrijven caleidoscopische scenario’s, waarin de gebeurtenissen op ingenieuze wijze in elkaar grijpen en personages op onvoorspelbare wijze met elkaar geconfronteerd worden. Hierdoor kan de onverwachte wendingenfrequentie (= verrassingsgehalte) flink opgevoerd worden zonder dat het verhaal gekunsteld lijkt, of erger, gaat rammelen. En de kijker maar driftig meeschrijven.

De slimste ambitieuze scenarioschrijvers laat zich niet opjagen door de filmliefhebber. Die weten dat de kijker, liever nog dan slim voelen of verrast worden, ontroerd wil worden. Het zijn immers de zakdoekmomenten die het caleidoscopische Magnolia en Crash tot hit hebben gemaakt, niet de onderliggende Jumbo puzzel. De vraag is wat de scenarioschrijver van 360, Peter Morgan (Frost/Nixon, The Queen, The Last King of Scotland) is. Slim, slimmer, ambitieus slim of echt slim?

Een sexy meid reist met haar zus van Bratislava naar Wenen. Ze droomt van het grote geld en heeft er geen moeite mee daarvoor haar lichaam te verkopen. In Wenen laat ze zich door een pooier koppelen aan een zakenman. Die kampt echter met schuldgevoelens. Net als zijn vrouw, die vreemdgaat met een collega, wiens vriendin diens ontrouw zat is en op het vliegtuig naar Brazilië stapt. Alwaar ze een senior leert kennen en een seksueel delinquent. De eerste zit bij de AA met een vrouw van een Russische gangster. Laat deze maffioos nou weer…

Bij een caleidoscopische film als 360 gaan de schouderklopjes al snel naar de scenarist. Die wordt geprezen vanwege zijn vernuft, voor de kunde waarmee hij de perspectieven weet te verweven. Maar in 360 wordt weinig geweven. In feite springen we van het ene personage over op het volgende, volgen we een aaneenschakeling van korte drama’s, waarvan sommige onbevredigend want waterig eindigend. Verder is de toon een allegaartje. 360 begint als thriller, wordt drama en eindigt in romantiek, terwijl alle scènes gedomineerd worden door misplaatste melancholische ballads. Peter Morgan is niet zo slim als de kijker zichzelf vindt.

Maar 360 is meer dan scenario. Onder vleugels van regisseur Fernando Meirelles (The Constant Gardener, Cidade de Deus) komt de cast tot bloei. Internationale cast, want door de Europese locaties is het rijtje obligate sterren beperkt tot Jude Law, Rachel Weisz, Ben Foster en Anthony Hopkins. Niet dat weerzin tegen overbekende gezichten terecht is. De zoals altijd intense Foster geeft ons een overtuigend kijkje in de emotionele broeikas van een verkrachter. Hopkins steelt de show met monoloog over zijn eerste AA-meeting die, gezien zijn dictie, de reactie van de overige acteurs én de inhoud (Hopkins is zelf ex-alcoholist), autobiografisch en geïmproviseerd moet zijn.

Het zijn echter twee onbekende acteurs die 360 bijzonder maken. Vladimir Vdovichenkov als de Russische gangster en Gabriela Marcinkova als de zus van het hoertje. Twee personages met onverenigbare levens die hun hart volgen. Om deze scène in je hart te sluiten hoeft je niet slim met de scenarist mee te schrijven of een zakdoek te trekken. Het is 't soort romantiek waarvoor film ooit is uitgevonden.

360
De gangster en het meisje

Lockout

Visionaire cliché’s van de laatste roker

Populair-wetenschappelijk magazine Kijk stond er bol van. Futuristische tekeningen, vervaardigd door illustratoren die zichzelf een visionaire kijk op de westerse beschaving toedichtten. Ze schiepen high-tech utopieën waarin we ons anno 2000 in vliegende auto’s zouden voortbewegen, naar Mars op vakantie zouden gaan en per monorail tussen onderzeese metropolen zouden pendelden. De toekomst zelf had echter andere ideeën over innovatie. Niet de antizwaartekracht-Kadett werd de meest ingrijpende uitvinding sinds het wiel, maar digitale informatie-overdracht. Niet voorspeld, laat staan geïllustreerd.

En al wás deze revolutie voorspeld, dan hadden de futuristen er weinig mee gekund. Internet oogt niet spectaculair. En al helemaal niet cinematografisch. Daarom probeert het science fictiongenre zich nog steeds te behelpen met het recyclen van fotogenieke ‘uitvindingen’ uit de fifties, zoals vliegende auto’s, ruimtestations en monorails. Toegegeven: die zien er dankzij de computer generated images tegenwoordig erg gelikt uit, maar dat vonden we vroeger ook van vliegende schotels die aan visgaren voor het blue screen bungelden. Niets nieuws onder de zon.

De visuele armoede van SF heeft haar wortels in een nijpend gebrek aan goede schrijvers. Legendarische mind fuckers zoals Philip K. Dick, je kunt ze op één hand tellen. Met als gevolg dat hun ideeën eindeloos gerecycled worden, soms zo onbeschaamd dat er een subgenre onstaat. Denk aan het gevangenis-in-de-ruimte concept. En denk niet verder, want Lockout van first timers James Mather en Stephen St. Leger speelt zich bijna geheel af in een futuristische bak. Pulp? De opmerkelijke combinatie van producent/actiespecialist Luc Besson en topacteur Guy Pearce maakt nieuwsgierig. Misschien is de toekomst minder voorspelbaar dan we denken.

We schrijven 2079. CIA-veldman Snow (Guy Pearce) wordt ten onrechte beschuldigd van moord en wacht straf in een ruimte-gevangenis. Deze penitentiaire inrichting is controversieel omdat de gevangenen niet alleen opgesloten worden maar ook diepgevroren. Een goedkope en veilige oplossing, zij het niet bijster gezond voor de veroordeelden. Dat laatste vindt ook de dochter van de president, die onderzoek doet naar schending van mensenrechten. Als zij ter plekke gevangenen inspecteert breekt er een opstand uit, geleid door een bloeddorstige Schot en diens geschifte broer. Snow moet haar redden. Met gezonde tegenzin.

Kabenggg! Vroááám! Als we Lockout mogen geloven doen we in 2079 niet meer aan verhaalopbouw of fatsoenlijke introductie van personages. De film is nog niet begonnen of de klappen vliegen ons om de oren, afgewisseld met flash-backs van een halsbrekende achtervolging per futuristische motorfiets. De beeldenstorm moet ons vol adrenaline pompen, maar doet helemaal niets omdat we nog niet weten wie wat waarom waar doet. Alsof je middenin een game valt.

Misschien waren we graag in die verwarring gebleven. Want deze als SF verklede kiloknaller is weliswaar briljant gefotografeerd (zoals we van Besson mogen verwachten), het niveau is dat van een jongensboek (wat we ook van Besson kunnen verwachten). Een aaneenschakeling van cliché’s, die we Besson nog wel hadden vergeven als hij geïnvesteerd had in een filmster. Dat is Guy Pearce niet. Met wapenfeiten als Animal Kingdom, The Hurt Locker, Memento en L.A. Confidential mag hij zich een uistekend acteur noemen, en voor Lockout heeft ie ook nog even aan flab buster gehangen, maar Pearce mist de uitstraling van een eendimensionale held als Stallone of Willis. Erger nog, met zijn laconiek bedoelde maar beroerd verwoorde cynisme lijkt hij een aftreksel van de laatste in Die Hard. (Gemenerik: “What happened in that hotel room?” Snow: “Oh, it was coupon night and I was trampolining your wife.”)

Wat ons rest is een kijkje in de nabije toekomst. Die lijkt verdacht veel op 2012. Over 67 jaar schieten we nog steeds met kogels, zijn Schotten nog steeds ongeschoren tuig en roken CIA-agenten nog steeds sigaretten. Ideeënarmoede of juist een nuchtere visie? Oplettende kijkertjes weten het antwoord, want in één van de scènes zien we een flits van de toekomst zoals alleen een visionair die kan bedenken: een… DI-GI-TA-LE KRANT! Zelden was het Straks zo ontzettend Nu.

Lockout
In space no one can hear you smoke