titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Eldfjall

Geriatrisch geilen op heilbotsoep

IJsland is tweemaal zo groot als Nederland, maar telt niet meer zielen dan de stad Utrecht op een lauwe koopzondagmiddag in augustus. Niet verbazingwekkend dus dat Wikipedia over haar filmcultuur slechts een paar regels weet op te hoesten en dat die vooral reppen over die ene IJslandse film die ooit in 1991 voor een Oscar genomineerd werd. Interessanter is het VVV-promopraatje over de bioscopen aldaar. Hierin wordt benadrukt wordt dat de fauteuils comfortabel zijn en het geluid goed klinkt, maar dat er helaas vooral mainstream films uit Hollywood gedraaid worden. Welk een marteling voor de ware cultuurliefhebber!

Goddank hebben enkele trotse autochtonen de camera wederom uit het visnet getrokken om vol passie aan de slag te gaan. En laten we wel wezen, de eilandengroep barst van de vulkanen met slaapstoornis, dus het drama ligt er voor het oprapen. Reikhalzend keken we uit naar een film die zichzelf Eldfjall (Vulkaan) durft te noemen. Tot we de synopsis lazen.

Conciërge Hannes (Theodór Júlíusson) is een verzuurde ouwe zak. Het soort man dat op zijn vrouw kankert omdat ze champignons in de minestronesoep heeft gedaan, op zijn dochter kankert omdat ze een Japanse auto heeft gekocht, op zijn zoon kankert omdat hij zeurt over Hannes’ gekettingrook en op zijn kleinzoon kankert omdat hij een kind is. Moeder probeert het gemok al jaren met de mantel der liefde te smoren, maar het wordt erger nu hij met pensioen is en zijn frustraties niet langer kan botvieren op leerlingen. Eigenlijk zou iedereen – hijzelf incluis – beter af zijn zonder Hannes. Alhoewel. Als hij bij toeval hoort hoezeer zijn kinderen gruwen van de manier waarop hij hun moeder behandelt, valt de munt eindelijk. Hannes gaat moeite doen voor zijn ega. Hij heeft haar zelfs weer lief in bed. En vangt een heilbot, zodat ze haar favoriete vissoep kan brouwen! Helaas is Cupido’s wederopstanding van korte duur, want moeders wordt ziek. Ernstig ziek.

Eldfjall begint veelbelovend met archiefbeelden van een vulkaanuitbarsting op een van de eilanden en evacuatie van de bewoners. Even verwacht je een aangrijpend, desnoods sociaal-realistisch drama over mens versus natuur. Die hoop is van korte duur. Zodra de openingscredits zijn weggezonken wordt ons de adem benomen door een portie kitchen sink zoals de Engelsen die al jaren niet meer durven te maken. Grauwe kleuren, lelijke mensen, uitzichtloze problemen, moordende sleur, geaderlate dialogen. Net het echte leven - en de reden waarom hele volksstammen de bioscoop induiken voor mainstream escapisme uit Hollywood.

Maar regisseur Rúnar Rúnarsson gaat verder dan kitchen sink. Hij lijkt te willen provoceren met een hang naar de Naakte Waarheid over deze evacués. Soms letterlijk, als hij ons laat meegenieten van een blote Hannes die zijn kleren te drogen hangt, van Hannes en zijn vrouw die aan hun geriatrische lusten gehoor geven of van Hannes die zijn vrouw schoonmaakt op haar ziektebed (thuiszorg: “Er mag geen poep in de vagina komen!”). Maar ook haar gejammer in bed, Hannes’ gehuil op de plee, het gekanker, het geruzie en zelfs het verwijderen van de ingewanden van de heilbot krijgen we door de strot geduwd. Rúnarsson heeft een neus voor een werkelijkheid die werkelijk niemand wil zien.

Maar Eldfjall is niet onverteerbaar vanwege het schrijnende onderwerp. De film is mislukt omdat je je er geen moment betrokken bij voelt. De man, zijn vrouw, hun huwelijk, de ellende, de zorg, de angst, het laat je koud omdat Rúnarsson geen enkele moeite doet om je te verleiden. Ook zijn halfwas pogingen tot dramatiek (een even voorspelbare als mislukte zelfmoordpoging en een bijna-ongeluk tijdens het vissen) proeven als de champignons in moeders minestronesoep. Ellende is geen voldoende voorwaarde voor empathie van de kijker, die om een heel andere reden gaat jammeren.

Wellicht dat Rúnarsson met zijn hyperrealisme tevens critici de wind uit de zeilen wil nemen, omdat die bij dit ‘genre’ geheid vervallen in even bloedeloze als ontzag hebbende termen als ‘authentiek’ en ‘integer’. Wat zijn motivatie voor dit drama ook geweest moge zijn, IJsland stuurt Eldfjall op als aas voor de niet-Engelstalige Oscars. Naar verluidt omdat ze er dan zelf van verlost zijn en het land niet hoeven te evacueren.

Eldfjall
Zo, lekker wasje gedraaid...

Brave

Girl power gered door neuspeuterende warriors

Almacht is ook niet alles. Vraag maar aan God. Of aan de makers van animatiefilms. Ook die laatste categorie kan tot in detail bepalen hoe het universum eruit moet zien. Da’s kicken zou je zeggen, maar juist toeval, spontaniteit en improvisatie spelen vaak een cruciale rol in een creatief proces. En daar heb je dan toch acteurs van vlees & bloed voor nodig. Compleet met nukken, grillen en aanstellerij, maar ook met geniale invallen en onvoorspelbare uitingen.

Niet zo vreemd dus dat diverse succesvolle regisseurs van animatie-gigant Pixar de overstap wagen naar regie van homo sapiens. Zo’n carrière-switch is makkelijker gezegd dan gedaan. Zo heeft Andrew Stanton, regisseur van Finding Nemo en WALL-E, met science-pulpfilm John Carter een van de duurste kaassoufflés aller tijden gemaakt. Terwijl Mission: Impossible - Ghost Protocol van The Incredibles-regisseur Brad Bird, je naar de Scientology Church doet verlangen. Eigen schuld. Een synthesizervirtuoos moet je geen big band laten leiden.

Nu deze verloren zoons vreemdgaan met de realiteit komt er bij Pixar ruimte voor vers animatietalent. Of vers… Brenda Chapman is een ouwe rot in het vak. Zit al in de business sinds Who Framed Roger Rabbit? en regisseerde Prince of Egypt. Ze is tevens Pixars eerste vrouwelijke regisseur, al zou oestrogeen natuurlijk geen stempel mogen drukken op een productie, net zo min als dat haar mannelijke collegae for men only filmen. Toch?

Moeder Elinor wil wedding bells horen luiden. Dochter Merida voelt er echter niets voor om uitgehuwelijkt te worden. Ze mag dan prinses zijn, in het barre Schotse landschap komt ze meer tot haar recht op galopperende knol met pijl & boog dan als etiquettemuts. Geïrriteerd wijst moederlief dochterlief op haar plichten en nodigt ze de Lords van de clans uit om hun zoons naar de hand van haar oogappel te laten dingen. Merida krijgt ‘t op haar heupen van deze datingshow en vlucht de bossen in, alwaar ze een heks haar moeder laat betoveren. Moeder transformeert in iets wilds en krijgt alle lords achter zich aan. Gelukkig is daar Merida die zich, onverveerd op knol en gewapend met de boog van haar vader, een ware prinses bewijst.

Een tomboy met woeste krullen en Tankgirlmotoriek, ad rem als een tv-sterretje uit een Amerikaanse sitcom. Als je niet beter zou willen weten zou je denken dat Chapman haar verhaal geschreven heeft om een bepaalde doelgroep te paaien. Toch rijmt platte marketing niet met de merchandise-opties van deze film: er zitten noch hits, noch pluizige beestjes in en ook de video game zal geen hit worden bij de gemiddelde internetrukker. Het lijkt er meer op dat Chapman met Brave een even welgemeende als modieuze Girl Powerboodschap wil verkondigen. Dat maakt de prinses tot een nogal plat personage, gespeend van echte character flaws, waardoor Brave meer kijkt als een meidenfilm dan als een klassieker voor de hele familie.

Gelukkig is Brave ook zo trendy dat werkelijk alle mannelijke personages als dom, impulsief, gewelddadig en infantiel afgeschilderd worden. Het zijn deze sukkels die de film kleur geven, net als de Romeinen Asterix doen sprankelen. Hilarisch is de scène waarin de Lords hun neuspeuterende nageslacht aanprijzen als onbevreesde warriors. Maar ook de kromgetrokken kraai van de heks, de drielingbroertjes-from-hell en een paar slapstickgrappen met de harige moeder doen je beseffen dat je naar een echte Pixar kijkt in plaats naar een tv-drama over moeder-dochter-bonding.

Brenda Chapman werd tijdens het filmen vervangen door Pixar-collega Mark Andrews, notabene assistent-director en medescenarist van box office-ramp John Carter. Blijkbaar was Andrews al na één echtemensenfilm de nukken, grillen en aanstellerij van de homo sapiens zat. En blijkbaar heeft de studio tijdig ingezien dat de zwaar gehypte Spice Girlformule niet Pixarisch genoeg was en gaf ze verloren zoon Andrews carte blanche voor de zijgrapjes die Brave alsnog tot een echte Pixar maken. Hoe dan ook, er is nu een mooie plek vrij gekomen voor onze Brenda in de echtemensenfilmindustrie. Kunnen de heren van Pixar zich weer naar hartenlust op hun godscomplex uitleven.

Brave
Hoezo geen character flaws!

How I Spent My Summer Vacation

Rehabilitatie met penitentiaire orgaanhandel

Amerika houdt van haar bad boys. Sterren die paparazzi op de bek slaan, uitglijders maken met adult actresses, een decennium aan de heroïne gaan, studiobazen intimideren met Hells Angels... de Mickey Rourkes, de Robert Downey Juniors, de Charlie Sheens. Hell, hun testosteron zorgt ervoor dat Hollywood Hollywood blijft. Dus als deze verloren zoons weer aan de deur kloppen wacht hen doorgaans een Opraësk onthaal.

Er bestaat echter een variant die voor altijd in ongenade valt. Misschien wel omdat deze échte bad boys Amerika een onvervormde spiegel voorhouden. Zo heeft Michael Richards (Seinfelds Kramer) zijn carrière geruïneerd door, toen hij tijdens een stand-up optreden geheckled werd door twee zwarte mannen in het publiek, minutenlang toespelingen te maken op een lynchpartij door de Klan. Racisme is bad, maar bepaald niet lekker bad. Exit Kramer.

Was Richards 'slechts' een televisiester, Mel Gibson is een van de machtigste spelers binnen de filmindustrie. En ongekroonde koning van Malibu. Dus toen hij in zijn woonplaats stomdronken van de weg geplukt werd en een tirade afstak over joden, dacht iedereen: die koopt zijn weg wel uit deze PR-nachtmerrie. Maar de geruchten over Mels dronken fuck-ups en het molesteren van zijn gold digging ‘ex houden nu al zes jaar aan. Exit Mad Max?

Misschien niet. Mel heeft in Hollywood - volgens hem een Joods bolwerk - naast vijanden ook legio trouwe vrienden. Zo castte Jodie Foster hem voor een film over een getraumatiseerde man die communiceert via een eh… handpop. Niet echt de kop thee waar Mad Maxfans op zaten te wachten (‘t verkeerde soort mad) en The Beaver belandde ongezien in de DVD-grabbelbak. Tijd voor Plan B: aanval als verdediging. En de beste aanval is natuurlijk zelfspot. Producent Mel castte zichzelf in een zelfgeschreven zwarte komedie over een sjoemelaar in de bak. How I Spent My Summer Vacation, ook Get the Gringo genaamd.

Mel Gibson speelt een bad boy. Hij heeft een paar miljoen gejat en is naar Mexico gevlucht. Daar komt hij terecht in de gevaarlijkste gevangenis van ’t land, een microkosmos waar een mensenleven niets waard is en alles verhandeld wordt dat het mensenleven bekort: van sigaretten tot wapens tot SOA’s tot organen - “The world’s most shittiest mall.” Maar ex-marinier en full time zwendelaar Mel is street wise. Binnen enkele dagen heeft ie cash, een pistool en een 10-jarige informant geregeld. Dat gozertje staat op een dodenlijst, want hij heeft dezelfde zeldzame bloedgroep als de corrupte baas van de gevangenis, wiens lever kapotgezopen is. En ja hoor, nét als Mel zijn eigen ontsnapping geregeld heeft, wordt het jochie naar de operatietafel afgevoerd.

De posters beloven weinig goeds: een grimmig ogende Mel met schiettuig in de knuist. De trailer is echtergeweldig. Hilarisch, hard, strak, vies. Nou zijn trailers notoire instinkers (haute cuisine als voorgerecht van 5-gangen hutspot), maar de film zelf is ook behoorlijk onderhoudend. Een on-Hollywoodiaanse couleur locale van het gevangenisleven, een Wild Bunch-achtige shoot out met vertraagd bloed en heel erg veel foute grappen, alles vakkundig geregisseerd door Adrian Grunberg, eerder assitent director van Gibsons onderschatte Apocalypto.

Maar de kracht van de film zit ‘em in de casting van de hoofdrolspeler. Wisten we reeds dat Gibson een intense présence kan hebben (Signs, Ransom), nu met extra alcoholgroeven, nicotinerimpels, manische pupillen en dunnende coupe is hij helemaal op zijn plek in deze hogedrukpan van ‘t maatschappelijk riool. Daar kunnen de Mickey Rourkes, Robert Downey Juniors en Charley Sheens slechts van dromen.

Helaas is ook deze productie in de VS straight-to-The-Pirate-Bay gegaan. Niet vanwege de irritante voice-over die werkelijk alle ironie uitspelt, of vanwege toch wel erg de sentimentele momenten met het knulletje of de lollig bedoelde foltering met een teenknipper. Nee, het komt doordat Mel off screen zijn bek weer eens heeft opengetrokken: John Lennon zou volgens hem terecht vermoord zijn (blijkbaar behoren nu ook de Fab Four tot het Joodse bolwerk). Jammer, want kwaliteitspulp als How I Spent My Summer Vacation had voor een even onwaardige als terechte rehabilitatie van Hollywoods baddest boy kunnen zorgen.

How I Spent My Summer Vacation
Eigenlijk zijn Mexicanen ook erg Joods

Starbuck

Onanistisch vaderschap voor de hele familie

Een genre kun je het niet noemen, maar er wordt jaarlijks wel een heel festival omheen getimmerd. ‘Family-friendly films from all around the world that leave the audience feeling good’ zijn te zien op het Feel Good Film Festival te Hollywood. Opmerkelijk, dat ingrediënt ‘family-friendly’, alsof alleen family values ons dat warme-gevoel-vanbinnen zouden kunnen bezorgen. Aan de andere kant zijn er op Internet zat cynische definities van feel good films te vinden. Wat dacht u van ‘characterized by or designed to encourage a feeling of often superficial happiness or satisfaction’. Alsof gelukzaligheid te meten valt in termen van authenticiteit.

Feit is dat filmliefhebbers zeer verschillend kunnen reageren op eenzelfde film. Zo waren er hele volksstammen lyrisch over de Franse feel good-komedie Intouchables (street wise verzorger brengt leven in de brouwerij bij steenrijke verlamde intellectueel), terwijl andere kijkers zich in de foyer op hooliganeske wijze moesten afreageren. Wat voor de een good feelt, ervaart de ander als misselijkmakend.

Maar laten we er even van uitgaan dat er zoiets bestaat als een universele feel good film. Welke ‘neutrale’ eigenschappen zouden we deze dan toebedelen? Happy end is een must. Hartveroverende en dus waarachtige personages zijn onontbeerlijk. Een niet al te gecompliceerde plot, want intrige leidt maar af. En vooruit, wat hugging & learning. Wat de film vooral moet doen is je vertrouwen in de mensheid spekken (of herstellen natuurlijk). Een boud streven. Of daar family values voor nodig zijn en oppervlakkige gevoelens van gelukzaligheid het resultaat, dat kunnen we testen in Starbuck, nu al gedoodverfd als Canada’s feel good film van het jaar.

David (Patrick Huard) is een rukker. Een professionele rukker that is. Decennia lang heeft hij onder codenaam Starbuck zijn zaad verkocht aan de spermabank. Uiteraard loopt hij niet te koop met deze nevenverdienste. David is ook een overdrachtelijk rukker. Alles wat ie doet verklooit ie. Te goedgelovig, te optimistisch, te aardig. Niet zo vreemd dat ie voor 80 mille in het krijt staat bij loan sharks die hem hardhandig met de kleine lettertjes confronteren. En dan wordt ook zijn knipperlichtvriendin Valérie (Julie LeBreton) nog eens zwanger. David als vader! Voor de eerste keer! Alhoewel... David wordt benaderd door een advocaat met de mededeling dat zijn zaad niet minder dan 533 kinderen heeft voortgebracht, waarvan 142 contact met hem zoeken. Of ie zich aan hen bekend wil maken. Dahág. Maar zijn nieuwe kinderen maken ook iets wakker in hem. En al rap ontpopt hij zich als beschermengel van de grootste familie ter wereld. Incognito. Nu nog even die 80 mille ophoesten.

Sukkels, en dan met name rukkende sukkels, maken de beste helden. Met hun gebreken zijn ze immers herkenbaar en dus likable. Daarbij wordt David perfect vertolkt door Teddy bear Huard. Maar ook de nevenpersonages zijn heerlijk politiek incorrect. Davids vriend (Antoine Bertrand), een zwaarlijvig advocaat en meervoudig vader, waarschuwt hem dat kinderen krijgen je hartstikke impotent maakt. Davids aan/uit vriendin Valérie bekent met dikke buik bij de zandbak hoe graag ze irritante kinderen op hun flikker zou willen geven. En ja, alle geintjes over El Masturbator, zoals Starbuck al rap genoemd wordt, werken ook echt.

Maar de grappen & grollen zouden in slapstick verzand zijn als regisseur/scenarist Ken Scott ze niet vakkundig had afgewisseld met heart felt feelings. We blijven de zakdoek maar trekken als David zich geleidelijk ontpopt als oervader: bescheiden, zorgzaam, vol vertrouwen, met engelengeduld - zoals een ware filmvader betaamt. Starbuck voelt zó goed dat je helemaal geen zin hebt om te checken of de film wel aan alle criteria voldoet. En dat in onverstaanbaar Canadees Frans.

Helaas heeft Hollywood - Dreamworks om precies te zijn - kassa geroken. En regisseur Scott himself ingehuurd om – een jaar na het origineel – een remake te maken van zijn eigen film. Over creatieve zelfmoord gesproken. Moet-ie wel nog even iets verzinnen op dat masturberen, want dat doen ze in Amerika natuurlijk niet. Zeker niet op een family-friendly feel good festival.

Starbuck
Wil de ware vader nú opstaan...

Somewhere Tonight

Troebele vissenkom zoekt lege kanariekooi

Hij zou er zelf het hardst om gelachen hebben. Jarenlang hing hij Nederlands cultregisseur uit door toneelstukjes met een camera te registreren en deze speelfims te noemen, nu draaien Amerikaanse cultregisseurs als Steve Buscemi en Stanley Tucci indie’s die gebaseerd zijn op diens ‘oeuvre’. Theo does - alsnog - Hollywood!

Van Gogh was niet zozeer cineast als wel een gedreven filmliefhebber die zelf ook zo nodig moest. De Pijnbank, Interview, Blind Date; het zijn goedbedoelde probeersels van een amateur die denkt dat je het vak onder de knie kunt krijgen door heel veel naar meesterwerken te kijken. Helaas, ‘t Tarantino-syndroom werkt slechts bij een enkeling. Wat Theo aan vakmanschap en visuele handtekening miste probeerde hij te compenseren met provocatieve thema’s. Battle of the sexes, sado-masochistische duels, ethische dilemma’s. Bij Theo was parental guidance altijd adviced. Helaas brachten deze schokgolven hoogstens wat rimpels teweeg in de vijvers van zijn eigen bourgeois roots. Theo van Gogh provoceerde in een tijd dat provocatie allang tot norm was verworden.

Waarom hij wel mee wist te shockeren was zijn dood. Vermoord door een godsdienstwaanzinnige pluisbaard, kreeg Theo voor het eerst aandacht van de internationale pers. Je hoeft dan ook geen cynicus te zijn om te stellen dat zijn films toen pas cultstatus onder Amerikaanse regisseurs verwierven. En dan nog slechts dienden ter ‘inspiratie’, want de scripts werden grondig gerenoveerd voor de remakes. Na Interview en Blind Date krijgt nu 06 een grote beurt. Omdat nulzeslijnen in de States heel anders heten, heeft regisseur Michael Di Jiacomo hem Somewhere Tonight genoemd. Op filmwebsite IMDb krijgt ie een 4,1. Kan alleen maar meevallen. Toch?

Leroy (John Turturro) is dik over de helft. En nog steeds maagd. Hij leeft samen met zijn hond, een stofzuigende Basset genaamd The Amazing Helmut, in een appartement waar de tijd al 50 jaar stilstaat. Om aan zijn gerieven te komen belt hij wel eens een sekslijn. Zo komt hij in contact met Patti (Katherine Borowitz). Ze delen een passie voor plakboeken en vissticks maar niet voor telefoonseks, want Pat vindt spicey talk maar jakkie bah. Daarbij is ze zo fobisch dat ze al jaren niet meer de deur uit komt. Maar het klikt. Ze lullen wat af over de foon. En na een langdurig verbaal baltsspel besluiten ze af te spreken in het park. Live life to the maxx!

Probleem met het verfilmen van een toneelstuk is dat het, wel, een toneelstuk is. Eenheid van plaats & tijd zijn onfilmische eigenschappen. Daarbij is het script van 06 niet zozeer een toneelstuk als wel een verhaaltje dat gecomponeerd lijkt om kosten te drukken. Voor deze 89 belminuten heb je nauwelijks set nodig, kan de cameraman op automatische piloot en is de montage met een paar lassen gepiept. Maar als cinematografische magie bij voorbaat is uitgesloten, komt er wel erg veel druk te liggen op de personages, dialogen en het acteerspel. Daarom waren Theo’s films onkijkbaar: Nederlanders kunnen noch acteren noch schrijven.

Yanks zijn daar beter in. Mag ook wel met zo’n rijke filmcultuur. Toch zijn Leroy en Patti niet overtuigend. Leroy draagt vintage fifties terwijl het verhaal zich afspeelt in het computertijdperk. Hij praat te plat Brooklyns voor de arti Pat. Terwijl Borowitz - in het dagelijks leven Mrs Turturro - een slecht gecamoufleerde schoonheid is, tot ouwe vrijster geschminkt met sepia kleuren en stoffige make-up. Een eeuwige maagd met fietshelm en troebele vissenkom, een eeuwige muts met lege kanariekooi achter geblindeerde ramen, Leroy en Patti rieken naar Personages; hun dialogen, hoeveel scherper ook dan die van 06, naar copywriting (Leroy: “I’m an astronaut.” Patti: “Hahaha! I always tell people that agoraphobia is fear of sweaters.”).

Er ontbreekt respect voor deze verloren zielen. Daardoor diepgang en betrokkenheid. Slechts één moment, als Leroy het melancholieke vioolspel van haar buurvrouw Patti door de telefoon laat horen, worden we geroerd en plengen we zelfs een traan. Maar als Leroy masturberend aan de lijn hangt terwijl Patti haar hart uithuilt, verlangen we naar Theo’s boerenhollandsche provocatieve onzin. En begrijpen we waarom hij met 06 wél een vette 6 scoorde. Ware meesters, ze laten zich niet te imiteren.

Somewhere Ttonight
Lekkâh!

Cosmopolis

Verbaal faillissement in soundproof limo

Het is hip om de term 'cultfilm' te gebruiken. ’t Geeft aan dat je verder durft te kijken dan mainstream en filmhuis, dat je echt ‘into' film bent. De term is zó hip dat hij te pas en te onpas gebruikt wordt. Maar waar staat ie eigenlijk voor? Wikipedia komt aanzetten met een lijst van 14 criteria, variërend van ‘controversiële thematiek’ tot ‘absurde plot’ tot ‘maakt deel uit van een subcultuur’. Die hadden we zelf ook wel kunnen ophoesten. Wat echter opvalt is de grote gemene deler: toeval. Een film wordt cult of niet - daar heeft de cineast zelf niet de hand in.

Of toch een beetje? Áls je een regisseur zou willen noemen die doelbewust cultfilms probeert te maken, dan is het David Cronenberg (Wild at Heart). Cronenberg kun je omschrijven als een intellectualistische splatterspecialist. Hij kickt op plastische effecten, zoals ontploffende hoofden en in-strontvlieg-muterende wetenschappers, maar verwerkt deze B-stijl wel in maatschappelijk-filosofische-fysiologische betoogjes. Anders gezegd: Cronenberg wil met zijn kunstbloed de diepte in.

Die visuele mindfucks leveren geen bijster evenwichtig (Naked Lunch), wel een fascinerend (eXistenZ) oeuvre op. En een schare trouwe fans. Zij krijgen het steeds lastiger omdat Cronenbergs films met de jaren een steeds aardser en conventioneler karakter hebben gekregen. Denk aan het even trieste als sobere Spider, over een getraumatiseerde man met chronische waanbeelden. Maar ook kunstbloed kruipt waar het niet kan gaan. Cronenberg is terug met de visionaire SF Cosmopolis, gebaseerd op de cultroman van Don DeLillo uit 2003, waar Cronenberg – voor het eerst sinds jaren – zelf een scenario op voortborduurde.

We schrijven De Toekomst. Of is ‘t Het Heden? De jonge Eric (Robert Pattinson) heeft het in ieder geval gemaakt. Hij is miljardair geworden met cyberprojecten. De wereld mag dan zijn oyster zijn, hijzelf balanceert op ’t randje van emotioneel faillissement. Zijn versbakken huwelijk is prut, zijn vriendschappen leeg, zijn prognose gitzwart. En zijn prostaat blijkt nog asymmetrisch ook. Hij zit nu vast in de file met zijn limo, doodt de tijd met vreemdgaan, zelfdestructie en vooral ouwehoeren met informanten uit het veld. Ondertussen zijn de stuiptrekkingen van het kapitalisme een feit. Vanuit zijn bullet- en soundproof auto ziet hij toe hoe de stad geteisterd wordt door chaos en rellen. Volgens zijn beveiligingsman willen er ook elementen een aanslag op Eric plegen.

Niets zo snel gedateerd als science-fiction, niets zo snel beschimmeld als visionaire SF. Zeker als de bron een decennium op de planken heeft gelegen en het visioen tot dagelijkse sleur is verworden. Banken die op hun stuitje vallen, berooide burgers die protesteren tegen beursverkrachters, een cybersnotneus die Big Brother speelt met een smoelenboek… Een achterhaald visionair klinkt al snel als een oudtante op een familiefeest.

Dat Cosmopolis onverteerbaar is geworden komt echter niet doordat de fictie is ingehaald door de feiten. Het zijn de pretenties. De film is volgestampt met academische borrelpraat, met literaire darlings die een metasfeer moet creëren (“the logical extension of business is murder”, “I think you are dedicated to knowing”, “life is too contemporary”, “talent is more erotic when it’s wasted”). Het lijkt wel of Cronenberg zijn scenario simpelweg heeft overgepend van het boek. "Schat, ik ga me drie dagen in het Chelsea opsluiten met een typmachien en een baal espresso en ram het script er dan in één ruk uit!" Resultaat is een derderangs Pinter zonder enige visuele verwenpartij.

Cosmopolis is met afstand David Cronenbergs slechtste film. Het is ook zo'n postmodern construct waarover men graag praat op filmfestivals. Want de ooit controversiële 'Cronenberg' is een hippe merknaam geworden. Intellectuele provocatie met een ranzig randje! Echte cult! Maar we willen helemaal geen cult. We willen een mooie ingetogen Spider. Of een bizarre splatter. Trieste gekken en ontploffende hoofden kunnen namelijk ook over een decennium nog boeien. Voor gewauwel over de economische apocalyps hebben we de kattebakkrant al.

Cosmopolis
Daar zit je dan met je visionaire blik

Prometheus

Ongewenste antwoorden tegen ademstokkend decor

'Aards ruimteschip landt op vreemde planeet, krabachtige alien bevrucht astronaut, foetus muteert in buitenaards bijtbeest, bijbeest vreet bemanning op'. Met zo’n synopsis en de tagline In space no one can hear you scream, is ’t niet zo vreemd dat snobby recensenten in 1979 geneigd waren Alien af te doen als B-film. Filmfreaks wisten beter. Ze herkenden een klassieker – niet vanwege het verhaal, maar vanwege de atmosfeer. De levensechte, industriële uitstraling van het aardse ruimteschip was een verademing in een genre dat gedomineerd werd door de cleane, kinderavontuurlijke look van Star Wars. Daarbij zette de hyperventilatieve vertolking van theateractrice Sigourney Weaver – een rol geschreven voor een man – een nieuwe standaard voor filmamazones. En bezorgde de loeistrakke, suggestieve regie van commercialfilmer Ridley Scott je ook na 10 keer herzien gemene hartkloppingen. Alien was een instant cultfilm.

Wat Alien tot Kunst maakte was de hand van H.R. Giger. Deze Zwitsterse schilder/’sculpteur’ is gespecialiseerd in Lovecraftiaanse, bio-mechanische ontwerpen met een diepseksuele lading. Scott was zo onder de indruk van Gigers kunstboek Necronomicon, dat hij hem inhuurde voor de art direction. Met overdonderend resultaat. Giger ontwierp een metamorfische alien, een even sierlijk als agressief wezen met penisachtige, oogloze schedel en uitwendig, insectachtig skelet. Dit was geen man-in-rubberen pak (wat het wel was), maar een creatuur dat zich rechtstreeks uit ons onderbewustzijn naar ons netvlies had gevroten. Nog meer indruk maakte Giger met het decor van de buitenaarde planeet en dito ruimteschip: zo onheilspellend, zo overtuigend onaards, dat we getuigen leken van een close encounter. Alien was écht alien.

33 jaar hebben we moeten hunkeren naar een nieuwe Alien. Van Scotts hand dan. Om onverklaarbare reden werd de regisseur niet gevraagd voor sequels Aliens, Alien³ en Alien: Resurrection, die dan ook niet in de schaduw kunnen staan van het origineel. Inmiddels is het monster zodanig uitgemolken (“They squeezed it dry. I saw him in Disneyland, Jesus Christ!”) dat Scott er niets voor voelde om de alien te reanimeren. In plaats daarvan richtte hij zich op de geschiedenis van de vreemde planeet. Scotts sequel werd een prequel: Prometheus.

Over het verhaal gaan we zo min mogelijk verklappen. Wel is het raadzaam om eerst Alien te zien, maar dat is toch verplichte kost voor iedere filmliefhebber. Prometheus roept veel echo’s op aan het origineel. Opnieuw landt een aards schip op een vreemde planeet en is er sprake van een charmante robot en een opdrachtgever met hidden agenda. Dit keer stuiten de astronauten niet op een alien, maar op een achterneef van De Mens. Op een behoorlijke bad hair day.

Onze diepste angst en dito verwondering zullen we nooit op het filmdoek treffen. Die zit tussen onze oren. Dat weet Scott als geen ander. In de klassieker krijgen we het bijtbeest maar een paar seconden te zien, terwijl we in het ongewisse blijven over het buitenaardse ruimteschip en de overblijfselen van de piloot. Maar nu de alien ijshorentjes verkoopt in Disneyland en Scott zich wil focussen op de mystiek hebben we een probleem: geen angstbron want geen bijtbeest, en minder verwondering want verklaring. Terwijl we helemaal niet willen hoe het zit. Daar hebben we namelijk zelf al 33 jaar over kunnen fantaseren.

Onverwachte tegenvaller zijn dit keer de personages. De cast, met Noomi Rapace, Michael Fassbender, Charlize Theron, Guy Pearce en Patrick Wilson toch behoorlijk likkebaardbaar, is verspild aan archetypen. Zelfs Rapace, die in de Millennium-trilogie toch een gaatje in het doek brandde, mist dit keer haar laser als stripboekwetenschapper. Daarbij worden sommige nevenpersonages zo onverklaarbaar banaal neergezet, dat we naar een - heel erg kostbare - B-film lijken te kijken.

Dat iedereen Prometheus toch moet zien, en moet herzien, is vooral te danken aan de stijl van H.R. Giger. Prometheus bevat zulke schitterende decors dat we het magere scenario met open mond slikken – eigenlijk net zoals bij het origineel. Maar een klassieker zal Prometheus nooit worden. Al was het alleen maar omdat onze held ontbreekt. Heimelijk hopen we dat ie, als hij alle kinders in Disneyland heeft opgevroten, een feestelijke comeback maakt. In space no one can eat ice cream.

Prometheus
Vader!

On the Road

4000 mijl stijf van de Bennies

De westerse populaire cultuur snakt naar Toen. Met name de fifties en de sixties worden al decennia geplunderd door creatieven die het niet aandurven opnieuw ‘t wiel uit te vinden. Van de catwalk tot de music business, van de chopperbouwscene tot car design, het retrovirus heeft epidemische proporties aangenomen. Nou gaat ‘t wat ver om te stellen dat er al 50 jaar geen authentieke stijl meer ontwikkeld is. Feit is wel dat de populaire cultuur haar naïviteit heeft verloren. En een overbewuste cultuur een impotente cultuur is.

De fifties zijn met hun birth of cool zo mogelijk nog verleidelijker dan de hippe jaren zestig. Nou ja, in films dan. Manische jazz, verleidelijke crooners, claustrofobische kokerrokjes, golvende autocarrosserieën, vierkante pakken, filterloze mondhoeksigaretten, hete films noirs, amfetaminen als mondverfrisser. En On the Road. Het is moeilijk om je in 2012 voor te stellen welke impact deze road novel had op de burgermaatschappij van 1957, gedicteerd door puritanisme, seksisme, racisme en Red Scare. Het autobiografische reisverslag van Beat Generation-romancier Jack Kerouac, die samen met zijn kameraad Neal Cassady Amerika herontdekt tijdens een manische 4000 mijl tellende trip vol seks en dope en intellectueel geratel, was subversief in een tijd dat subversie nog levensgevaarlijk was. In plaats van trendy.

Onbegrijpelijk dus dat het 55 jaar geduurd heeft voordat Hollywood zich over deze bestseller ontfermde. Of Hollywood... het was Francis Ford Coppola, peetvader van de indie, die samen met zoon Roman de filmrechten wist te veroveren. Dat zij daarbij de Braziliaan Walter Salles (Diarios de Motocicleta, Central do Brasil) inhuurden als regisseur getuigt van creatieve lef.

Over het verhaal van On the Road hoeven we niet meer kwijt dan eerder genoemde synopsis. Over de casting des te meer. Het succes van de roman was namelijk deels te danken aan het imago van Kerouac en Cassady. Ze staken elkaar naar de kroon qua coolness: Griekse neuzen, rauwe jukbeenderen, dope-pupillen, strakke coupes. Probeer die uitstraling maar eens te vinden bij een huidige filmster. Daniel Craig is 20 jaar te oud en te Engels, Richard Burton is 28 jaar te dood en te Engels. Mickey Rourke, met heel veel digitale facelifts?

De keuze voor Sam ‘Control’ Riley als Kerouac is even gewaagd als verkeerd. Hij ziet eruit als een snotneus in plaats van als Mr. Cool, maar dan wel als een snotneus die al drie dagen op een speed binge doordendert. Garrett Hedlund (Tron) als de nóg coolere Mr Cool Cassady overtuigt meer met zijn testosteronische fysiek. Wat beide acteurs missen is lingo. Deze Beat-persoonlijkheden stonden stijf van de amfetaminen en met name Cassady was een eloquente ouwehoer, een prediker van losse zeden. In de film praten en doen ze toch vooral als studentjes.

Terwijl juist bij de verfilming van deze plot- en catharsisloze road novel alles afhangt van overtuigende hoofdpersonages. Want de ooit subversieve elementen als trioseks, benzedrine, diefstal en dumpen van ega’s zijn schouderophalertjes geworden in onze post-fin de siècle. Niets zo snel gedateerd als rebellie.

Op haar zwakste momenten doet On the Road denken aan Olivers Stone’s The Doors. Een period piece waarin acteurs vintage kleding aantrekken om lekker gek te doen. Dansen op zwarte muziek! Scheuren in een ouwe brik! Zuipen als Bukowski! Dan is On the Road toch vooral voor mensen die zin hebben in een avondje ‘I Love de Fifties’ en denken dat ‘The Beats’ een popbandje is.

De sterkste scènes zijn die met de gastrolspelers. Een opvallend ongewassen Amy Adams die plastisch illustreert hoe je als vrouw een man naar je pijpen kunt laten dansen. Een onherkenbare Viggo Mortensen die in hilarische tongval Cassady ontmaskert als de psychopaat die deze levensgenieter in wezen was. En een hete Kristen Stewart die de vampierkitsch van Twilight achter zich laat om als lustige bijrijdster filmgeschiedenis te schrijven. Op die momenten ben je even zelf on the road, hunkerend naar kicks die nooit kapotgeretroot kunnen worden.

On the Road
Hop in!