titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Jackie

Roadmutsen met een has been

Vrouwenfilms. Je hoort erover, maar bestaan ze eigenlijk wel? Een heel genre waarin vrouwen zich kunnen verliezen terwijl mannen zuchtend & steunend de zaal verlaten… Marketeers geloven er heilig in. De overtuiging dat 3,5 miljard vrouwen uit 194 verschillende landen allemaal voor dezelfde thematiek vallen is natuurlijk erg verleidelijk. Maar wat zouden al die individuen in vredesnaam gemeen hebben – afgezien van hun fysieke overeenkomsten?

Wikipedia geeft niet thuis bij ‘vrouwenfilm’. En Google verwijst je als een luie portier naar de fora. Let wel: vrouwenbladfora, niet filmfora. Deze stemmen niet hoopgevend; zelfbevestigend gelegenheidsfeminisme (lust is goed, mannen zijn sukkels, single zijn is een uiting van onafhankelijkheid), gezwijmel (Depp & Clooney) en gedweep met chicklit (Heleen van Royen). “Echt lekkere films, waarbij je niet hoeft na te denken, een en al romantiek!” verzucht een liefhebster. Is de vrouwenfilm misschien een eufemisme voor mutsenfilm? Maar…3,5 miljard mutsen!?

Voor producent/regisseur Reinout Oerlemans kunnen het er niet genoeg zijn. 3,5 miljard x 10 eurie-per-kaartje is immers 35 miljard eurie. Tel uit zijn winst. Dus, toen hij het script van Neerlands eerste echte road muts movie Jackie op zijn bureau kreeg, liet hij niet zijn regiebaard staan maar huurde hij soap- annex en mutsconnoisseuze Antoinette Beumer (GTST, De Gelukkige Huisvrouw) in. Een vakvrouw.

De zusjes Sofie (Carice van Houten) en Daan (Jelka van Houten) zijn tegenpolen. De één een carrièregerichte tight ass, de ander een naïeve sloddervos. Ze zijn ook dochter van twee homo’s en een Amerikaanse draagmoeder. Als deze Jackie (Holly Hunter) na 30 jaar radiostilte opeens haar dochters vanuit de States om hulp vraagt besluiten de dames over te vliegen. In New Mexico aangekomen blijkt moederlief echter niet de moederkloek uit hun fantasie, maar trailer trash met een zwak voor cannabis en riot guns. De zusjes besluiten niettemin haar in d’r mobile home naar het revalidatiecentrum te rijden. Ruziënd en wel.

Nederlandse regisseurs kunnen misschien niet filmen, het zijn wel sluwe filmboeren. Steeds vaker werken ze met Engelstalige acteurs op een exotische locatie waardoor hun productie een internationaal (lees: professioneel) patina krijgt. Maar zelfs gedraaid op de Noordpool met Georgische schapenherders zie je de polder er doorheen. Zo ook Jackie. Alleen is het dit keer de bedoeling. Zogenaamd.

Zodra de dames ruziënd in de microkosmos van de camper zijn gestapt, voel je dat het bonding, hugging & learning op Hollandsch televisieniveau wordt. Sofie kickt af van haar workaholism en chagrijn met slangenbeet en koorts, Daan bouwt zelfvertrouwen op met rijden zonder rijbewijs en liedjes zingen in redneckbars. Stereotypen, plat spel, street unwise dialogen, cabareteske humor, alles onder de camoufage van culturele zelfparodie met oerhollandsche mutsen. Jackie stinkt zoals de camper. Zeker als de girlpower nog effe wordt onderstreept door de mannen thuis af te schilderen als seksistische lul (baas) en paternalistische zak (vriend). Zucht & steun.

Tussen dit gemuts door probeert Beumer alle Hollywoodiaanse road movie cliché’s te imiteren, maar ze mist de expertise of schwung om dit gedegen of anders te doen. Dat blijkt het duidelijkst uit haar regie van ex-filmster Holly Hunter, wier besmuikte glimlach zij zo nadrukkelijk in beeld brengt dat je je plaatsvervangend geneert. Hunters aanwezigheid op zich is al pijnlijk. Ingehuurd om de film te verontnederlandsen, is haar rol van pittig, eigenzinnig vrouwtje een staaltje typecasting waarmee ze haar Amerikaanse carrière reeds heeft uitgehold. Een Hollywood has been die de Nedercinema cachet moet geven.

Als vrouwenfilms voor mutsenfilms uitgemaakt kunnen worden is Jackie er zeker een. Maar ‘mutsenfilm’ is natuurlijk gewoon een eufemisme voor ‘slechte film’. Gelukkig kent, zoals iedere slechte film, ook Jackie één geweldig moment. Als de gezusters Van Houten voorin de camper luidkeels meezingen met de denderende soundtrack, zonder te acteren, zonder te mutsen, zonder leuk te doen, vangen we een glimp op van de meiden waar Jackie eigenlijk over had moeten gaan. En die waren bij zo’n mutsenfilm allang opgestapt.

Jackie
Moordmutsen

Salmon Fishing in the Yemen

Filmchemie tussen de woestijnzalmen

‘Chemie’ wordt het wel genoemd, als de flirt tussen de hoofdpersonages het acteerwerk lijkt te overstijgen. Casting-bureaus zijn amechtig op zoek naar de geheime formule van deze o zo onvoorspelbare scheikundige reactie. Welke acteur tegenover welke actrice om het reageerbuisje te laten bruisen? Want als de kijker ergens naar hunkert, is het naar Iets Echts in de illusie.

En soms is dat Echte ook écht Echt. De filmwereld is immers een oase van mooie mensen, dus de kans dat sterren op de set voor elkaar vallen is niet gering. Natuurlijk lezen we pas achteraf in de roddelbladen dat Echt écht Echt was. Kunnen we met terugwerkende kracht op metaniveau genieten als Lauren Bacall Humphrey Bogart een geile lel in zijn gezicht geeft (To Have and Have Not) of Brad Pitt en Angelina Jolie al knokkend een baltsspel uitvoeren (Mr. & Mrs. Smith). Die meerwaarde maakt die films mede tot klassiekers.

‘t Is echter niet zo dat acteurschemie garant staat voor kiloknallers. Mickey Rourke en Carré Otis deden het Echt in Wild Orchid, maar dat is toch een van de ergste tenenkrommers ooit. Daarbij zijn er duizenden voorbeelden van filmchemie te noemen waarbij er gewoon sprake was van matchend acteerwerk. En dito charisma.

De Britse Emily Blunt is zo’n zeldzame ster die bijna geen tegenspeler nodig heeft voor chemie. Haar helblauwe ogen, licht spottende mond en even vernietigende als kwetsbare blik veroveren iedere camera. Daarbij kan ze zeer verschillende rollen dragen, van fuck-upje in het charmante Sunshine Cleaning tot koningin in het geweldige The Young Victoria. Niet gering voor een meisje dat ooit ging acteren om van haar chronische stotter af te komen. In Salmon Fishing in the Yemen van Lasse Hallström heeft ze haar chemie hard nodig.

Sjeik Muhammed (Amr Waked) wil met behulp van waterbron en superdam zalmen uitzetten in zijn vaderland. Nou willen sjeiks wel vaker idiote dingen omdat ze idioot rijk zijn, maar Jemen is wel erg woestijnerig en visloos. Enter de Schotse professor Jones (Ewan McGregor). Hij weet alles van vliegvissen. En vindt het plan uitgesproken belachelijk. “Het is theoretisch mogelijk ja, zoals een bemande vlucht naar Mars dat is.” Maar als manager Harriet (Emily Blunt) ingenieurs van de British Oxygen Company en de Chinese Drieklovendam inschakelt, wordt het toch tijd voor een ruimtepak. Daarbij krijgt hij alle medewerking van Buitenlandse Zaken dat in haar nopjes is met deze ontspanningspolitieke geste naar het Midden Oosten. Dus off he goes richting woestijn. Om daar, in het stuifzand, te wortelen zoals hem dat in Schotland nooit gelukt is.

Een humanistische sjeik die zijn land wil irrigeren, saboteurs vergeeft en verfijnde grapjes maakt met westerse vrouwen. Een politieke PR-bitch die uitsluitend in foto-ops denkt. Een nerdy professor-met stropdas-onder-tweed. Een emotionele manager die vloeiend mandarijn spreekt. Als deze personages geen indicatie zijn voor een kinderfilm dan is Salmon Fishing op z’n best een anachronisme. Een romantische komedie uit de fifties, toen Kuifje onze meest betrouwbare informatiebron was. Nu lezen we op Wikipedia dat Jemen het armste Arabische land is, met een bruto nationaal jaarinkomen van $1.061 per hoofd, een wateroppervlakte van 0 vierkante kilometer en een kweekvijver voor terroristen. Natuurlijk, het is film en mag dus onzin zijn, maar in dit informatietijdperk is het wel erg moeilijk om je in zo’n sprookje te verliezen.

Als je er dan tóch heengaat met kids of dementerende ouders, dan mag je wel stiekem schateren om de schatbewaker van de Schotse zalm die zijn sportvissers als warriors omschrijft. Glunderen om het idiote irrigatieplan dat drijft op filmcliché’s geloof, hoop en liefde. Een traantje wegpinken als er traantjes weggepinkt worden. Zwijmelen als Blunts chemie de kleurloze McGregor tot filmmensch maakt. En zij samen, zonder ook maar een zoen uitgewisseld te hebben, onze harten even veroveren. Nu de roddelbladen erop naslaan of die zogenaamd gelukkig getrouwde Blunt en de tot in den doet gehuwde McGregor tóch aan elkaar hebben zitten frunniken in dat woestijnzand.

Salmon Fishing in the Yemen
Echt Echt of gespeeld Echt?

This Must Be the Place

Nazi-jagende poppompadour

Briljante filmstilisten zijn luie verhalenvertellers. Dat is ongetwijfeld deels te wijten aan ruziënde hersenhelften, maar komt zeker ook door het narcistische karakter van de makers. Kunstenaars zijn het, die weigeren zich te verlagen tot het ambacht der plotvertellers. Met name surrealisten als David Lynch (Cosmopolis) en Richard Kelly (The Box) maken er een potje van. En komen er nog mee weg ook. Hun filmnachtmerries hebben namelijk zo’n visuele impact dat we de inconsequente verhaaltjes en onwaarschijnlijke personages voor zoete koek nemen. Alles onder het mom van ‘inner logic’ en ‘why bother als beelden meer zeggen dan 1000 woorden’.

Het Italiaanse Il Divo: La Spettacolare Vita di Giulio Andreotti uit 2008 wil meer zeggen dan 1000 woorden. Veel meer. Dit visuele ballet over de slangenkuil van de machiavelliaanse politicus staat zo bol van de intriges dat je ook na twee uur niet weet wie waarom een loer draait. Maar wat een lust voor oog & oor! Een beeldenstorm van choreografische regie, pulserende montage, vette pop en perverse casting! Jammie! Bij zo’n filmcycloon ga je niet neuzelen over plotanalyse. “Stop met nadenken, geef je over aan mijn dope!” lijkt regisseur Paolo Sorrentino’s uitnodiging te zeggen.

Met effect, want Sorrentino werd door de internationale cultuurelite binnengehaald als stilistisch genie. Helaas voor hem. Want bejubeling is het ergste wat een narcist kan overkomen. Geloven in je eigen genie, dat corrumpeert. Zie This Must Be The Place, een road movie over een narcistische popmuzikant.

Cheyenne (Sean Penn) is een New Wave rocker-op-leeftijd. Zo een met het getoupeerde en geschminkte voorkomen van The Cure’s Robert Smith en het hersenletsel van Ozzy Osbourne. Daarbij is hij behoorlijk depri, want hij maakt geen muziek meer en twee van zijn fans hebben zelfmoord gepleegd. En laten we wel wezen, hij is mede beroemd geworden dóór dat depri imago. Toch is ie wel gelukkig getrouwd. En komt er af en toe een fan op bezoek op zijn Engelse landgoed. Maar zijn VUT wordt verstoord als ie naar Amerika moet afreizen om afscheid te nemen van zijn stervende pa. Hij heeft de man al dertig jaar niet gezien, maar neemt diens levenstaak over: het traceren van een nazibeul.

Een wauwelende, kromgetrokken poppompadour die met boodschappenkarretje door de super hobbelt. De toon is direct duidelijk: we worden geacht dit hoofdpersonage heel erg lachwekkend te vinden. Sean Penn versterkt de karikatuur nog eens met zijn even onpeilbare als onuitstaanbare acteerdiepte: een gebroken monotone stem met one liners, een seniel lachje, een haarpluk die steeds weggeblazen wordt en een koffertje op wieltjes. Oscarrr! Cheyenne is zo'n typetje dat ‘droogkomische humor’ haar slechte naam bezorgt.

Nou is een vet aangezet personage niet per se een dissonant in een filmnachtmerrie. Maar Paolo Sorrentino wil meer dan surrealistisch stileren. Hij heeft het onzalige plan opgevat ons ook een serieus verhaal te vertellen. Iets over familie, vernedering en vergiffenis. En dat vol echo’s van de Holocaust, gelardeerd met historische dia’s van kampslachtoffers. Deze poging tot verdieping ervaar je niet alleen als stijlbreuk, ook als bespottelijk, beledigend en zelfs misselijkmakend. Sorrentino lijkt te willen provoceren om zijn o zo eigenzinnige imago te spekken. Je zou er kwaad van worden - als je niet al ingedommeld was.

Want stilistisch gezien is de film op z'n best een tombola van effectbejag. We kijken nog wel door het oog van een visueel genie, maar dan door de bril van David Lynch. Trucs als verzadigde close-ups van alledaagse personages die daardoor een claustrofobische, fysieke nadruk krijgen - we kennen ze wel. Voeg daarbij een overbodige registratie van een David Byrne-concert en een wasmand vol grollen (Cheyenne rijdt met opzet Duitse toeristen nat om uit te stappen en zijn excuses nadrukkelijk niet aan te bieden), en je verlangt naar een rerun van Derrick.

De film wordt op de posters aangeprezen met persuitspraken over Sean Penns acteerprestatie. Geen woord over Sorrentino. Dat zegt al genoeg. En als hij straks tot armoe toe gesued wordt door Robert Smith wegens smaad en met een enkeltje Rome op de Costa Concordia wordt gezet, gaat ie misschien weer gewoon films maken die nergens over gaan. Die zien we toch het liefst.

This Must Be The Place
Sean does Bob

Headhunters

Soul searching in een Noorse beerput

‘t Komt door het kleine taalgebied! Het is een veelgehoord excuus voor onze beschamende filmcultuur. We zijn niet in staat een fatsoenlijke film voort te brengen doordat er zo weinig aardbewoners Nederlands spreken. Te weinig kijkers > te weinig kaartjes > te weinig geld voor een behoorlijke filmindustrie > te weinig ruimte voor een behoorlijke filmcultuur > te weinig ontwikkelingskansen voor filmtalent. Klinkt bijna aannemelijk.

Alleen, hoe zit het dan met onze bovenburen? In Scandinavië wonen een paar honderd zielen die, verspreid over wat dichtgevroren fjorden, in voor stervelingen onbegrijpelijke ø’s communiceren. En dat nog in drie verschillende talen ook. Desondanks bloeit juist in deze culturen het ene na het andere filmtalent op.

Denk aan Denen als Nicolas Winding Refn (Drive, Only God Forgives) en Lone Scherfig (Italian for Beginners, An Education). Of Zweden als Niels Arden Oplev (The Girl with the Dragon Tattoo) en Daniel Espinosa (Snabba Cash, Safe House). Let wel, dit zijn geen arti neuzelaars met een Dogma-dogma, maar oerdegelijke regisseurs waar Hollywood naar hongert. En wie denkt dat Noorwegen achterblijft, moet thriller Headhunters (Hodejegerne) zien van regisseur Morten Tyldum. Verkocht aan alle landen van de wereld, op Wit Rusland en Noord-Korea na.

Roger is een headhunter. Zo’n jongen met blitzkriegcarrière, designvilla en fotomodel-als-ega. Dat neemt niet weg dat Roger ver boven zijn stand leeft. Als bijbaantje rooft hij daarom kunst weg bij zijn cliënten. En doet dat met eenzelfde precisie en efficiency als zijn reguliere job. Gepakt wordt ie dus niet, als ie een Rubens steelt van een andere snelle jongen. Althans, niet door de politie. Zijn prooi blijkt echter zelf een headhunter. Een echte, zo'n alpha met militair verleden. Specialisatie: opsporen van vluchtelingen. Roger moet rennen voor zijn leven. Hij raakt Lexus, maatpak en haar kwijt om ondergesmeerd met poep en bloed op een tractor het Noorse hardhout in te vluchten. Uiteindelijk rest hem slechts zijn vernuft. En zijn vrouw. Of heeft die iets met de koppensneller?

Regel 1: Zorg dat je alles weet van je gastheer. Regel 2: Zorg dat je niet langer dan 10 minuten op de plaats delict verblijft. Regel 3: Zorg dat je geen spoortje DNA achterlaat. Regel 4: Zorg dat je je energie niet verspilt aan het stelen van een kopie. Regel 5: Zorg dat je je aan alle voorgaande regels houdt, anders word je gegarandeerd gepakt. Of deze gulden regels ontsproten zijn aan het brein een echte kunstdief of uit de duim komen van bestsellerschrijver Jo Nesbø, het doet er geen fluit toe. Ze geven de film een dijk van een opening, want je krijgt gelijk het gevoel dat je in de wereld van een pro duikt.

Dat gevoel wordt gespekt door de ultraprofessionele filmstijl. Het camerawerk lijkt geschoten door Christian Dior, de art direction verzorgd door Steve Jobs en de muziek raakt exact de juiste geile Latin grooves. Ontzettend gelikt allemaal, en perfect in tune met het narcistische en opportunistische hoofdpersonage, dat zowel jaloezie als weerzin oproept. Die ergernis is uiteraard de bedoeling, want opmaat voor Rogers loutering. En gelouterd wordt ie. Al na een half uur leven we helemaal mee met deze kleine man als hij fysiek en geestelijk door de mangel gehaald wordt. Going through it all.

De queeste naar Rogers ware ik is verpakt in een ingenieuze thriller met zoveel onverwachte wendingen dat je niet merkt hoe onwaarschijnlijk ze zijn. Daarbij wordt de spanning op de juiste momenten geblust met de nodige hilariteit (de achtervolging per tractor staat garant voor bulders) en welhaast absurdistische kwinkslagen (volvette politietweeling fungeert als airbags bij auto-ongeluk).

Het maakt van Headhunters misschien geen ontzagwekkende klassieker, wel een rollercoaster zoals ze die in Hollywood nog maar zelden maken. Met recht de best verkochte film van Noorwegen. Vakwerk waar wij Nederlanders alleen maar van kunnen dromen. Of zouden onze toppers Turks Fruit, Fanfare en Ciske de Rat nu juist in Wit Rusland en Noord-Korea gaan scoren?

Headhunters
Ff recapituleren...

Take Shelter

Apocalyptische onvoorspelbaarheid

Er is geen ontkomen meer aan. Bij ieder bioscoopbezoek word je overspoeld met minutendurende trailers waarin werkelijk iedere wending van de nieuwe filmplots uitgespeld wordt. En-toen-en-toen-en-toen promotie. Een ongewenste bijwerking van de informatierevolutie? Of denkt de Afdeling Marketing werkelijk dat we alles van een film willen afweten voordat we tot aanschaf van een kaartje overgaan? Dat veronderstelt een nauw gedefinieerde voorkeur (“Ik hou alleen van films die ergens over gaan”) in plaats van een open mind.

Wat de redenatie ook moge wezen, deze opgerekte samenvattingen hebben eenzelfde effect als een volgeplempt profiel op een datingsite: de overkill aan details vermorzelt iedere kans op verwondering. Daarbij laat de essentie van iets waardevols zich niet in informatie vatten, maar in stijl.

Het bizarre is dat de lange trailers ook voorafgaand aan de sneak vertoond worden. Terwijl juist sneakers niets van een nieuwe film willen afweten. Niet wat het genre is, niet wie de regisseur is, en al helemaal niet wie de hoofdrolspeler is. Voor hun part mogen alle filmrecensenten met een enkeltje HSL richting Elba.

Toch is er één naam die zelfs deze oogkleppers kunnen horen: Michael Shannon (The Iceman). Michael wie? Shannon is zo’n actor’s actor, een acteur die puur op kwaliteit carrière maakt. Moet ook wel, want hij oogt als een Poolse staalarbeider met obstipatie. Maar wat een uitstraling! Intens, brooding, gewelddadig, krachtig. Een ingehouden power waarmee hij iedere film brandmerkt, van Oscardarling Revolutionary Road tot off-off-Broadwayverfilming Bug tot cultfilm 13. Steeds weer die intense kop, steeds weer anders ingezet. Michael Shannon staat zowel voor kwaliteit als voor onvoorspelbaarheid.

En blijkbaar ook voor kassa, want hij krijgt steeds vaker hoofdrollen aangeboden. Nu in Take Shelter, een film over een man die denkt dat er een ramp op til staat en zijn familie daartegen wil beschermen. Een film waar je zo min mogelijk van af moet weten. Niet verder lezen dus.

Curtis is een normale man met een normaal leven. Opzichter bij een grondboorder, getrouwd met een lieve vrouw (Jessica Chastain) en vader van een allerliefste dochter. Maar sinds kort kampt deze normale man met abnormale dromen. Lucide nachtmerries over een natuurramp, met giftige gaswolk, wanhopige mensen en bijtende honden. De dromen lijken visioenen, maar hijzelf vreest schizofrenie, een erfenis van moeder. Niettemin geeft hij toe aan het apocalyptische voorgevoel. Hij koopt gasmaskers en sluit een onverantwoordelijke lening af om een schuilkelder in zijn tuin te bouwen. Niet verwonderlijk dat zijn manische gedrag huwelijk en baan op de proef stelt.

Een miljoen dollar heeft Take Shelter gekost. Van zo’n budget kun je niet eens een fatsoenlijke trailer snijden. Maar regisseur/scenarist Jeff Nichols heeft een dijk van een basis: een buitengewoon origineel verhaal met overtuigende personages. De droom van iedere cast en crew, die in dit geval dan ook voor een appel & een ei hebben meegewerkt. Daarbij is het verhaal zodanig opgebouwd dat je lange tijd niet weet welk genre het is. Science fiction, drama, horror - het kan alle kanten opgaan. De droom van iedere sneaker.

Toch zal Take Shelter die sneakers in twee kampen verdelen. Sommigen zullen lyrisch zijn over de sobere, bijna minimalistische stijl. Genieten van Shannons ongeschmierde spel en de hyperrealistische couleur locale. Anderen zullen zich, zeker het eerste uur, een beetje vervelen. Hunkeren naar actie en naar een filmster die aangenaam is om naar te kijken. Maar bovenal zullen zij Hollywoods magic touch missen, het sentiment dat misschien niet altijd even welriekend is maar o zo lekker aanvoelt.

In iedere geval zullen alle sneakers respect hebben voor deze film die gaat over waar alle films over willen gaan. Take Shelter geeft betekenis aan de platitude ‘integere kunst’. Nieuwsgierig? Bekijk met een gerust hart de trailer, want die geeft niets vrij van de onverwachte wendingen die deze ondefinieerbare no butgetter tot een bescheiden klassieker maken.

Take Shelter
Met hier en daar een bui

Haywire

Kooivechten à la Wim T. Schippers

Ze lijdt aan slapeloosheid. En doet voorzichtig aan met daten. Haar gezicht is een beetje hoekig, maar haar glimlach even stralend als verlegen. Een echte cutie, die tijdens interviews een authentieke en intelligente indruk maakt. Terwijl Gina Carano toch vooral Amerikaans kampioene cage fighting is. Yep, zo’n mixed martial arts-beest dat precies weet waar en hoe lang je op een hersenstam moet inbeuken om je tegenstander out te krijgen. Ze doet dat op zo’n meedogenloze én sexy wijze dat Hollywood star quality heeft geproefd.

Natuurlijk is Carano niet de eerste die voor zo’n cross-over wordt uitgenodigd. Bruce Lee, Dolph Lundgren, Jean-Claude Van Damme en nog een dozijn kerels met gezonde reflexen gingen haar voor. Maar dat waren dus allemaal mannen. En, op een enkele uitzondering na, acterende atleten die bleven steken in volkse actiefilms. Carano is ambitieuzer. Ze wachtte op een echte aanbieding: actiethriller Haywire van gerenommeerd regisseur Steven Soderbergh.

Soderbergh trekt sterren aan zoals een coke binge dat doet op een after Oscar party. Niet omdat alles wat hij aanraakt goud wordt, maar omdat zijn nonchalante, jazzy filmstijl met sepia beelden zo ontzettend lekker ranzig wegsnoept. In Soderbergh’s films lijken sterren opeens acteurs. Carano’s maiden voyage betekent voor haar dus behalve instant aanzien ook de kans eens ongegeneerd in te beuken op de hersenstam van sterrencast Michael Douglas, Ewan McGregor, Antonio Banderas, Michael Fassbender, Mathieu Kassovitz en Bill Paxton. En wie wil dat niet.

Gina Carano is Mallory Kane, zo’n Special Forces-type dat werkt voor een particuliere beveiligingsorganisatie à la Blackwater: duister en heel erg licensed to kill. We treffen Mallory als ze op de vlucht is voor haar eigen organisatie. Ze zou doorgeslagen zijn, een ongeleid projectiel, een terroriste die eigen teamleden vermoordt. Zelfredzaam is ze in ieder geval nog wel. Ze kaapt een auto en roept de hulp in van papa, een ijzervreter die in Irak heeft gediend. Semper fi!

Kapow! Zok! Oooof! Pwam! Zlott! Bam! Biff! Bap! De openingscredits zijn nog niet van het scherm afgedropen of Carano leeft zich met combat boots uit op Channing Tatum, een acteur die vooral naam heeft gemaakt met stierennek en 2x2 romp. Carano wint (uiteraard). En ja, het opent lekker, zo’n knokpartij. Alleen is de scène totaal niet spannend. Dat ligt niet aan Carano, want die kijkt alsof looks kunnen killen en haar gebeuk overtuigt volledig. Maar de knokpartij is houterig gefilmd, bijna campy. En dat geldt voor meer actiescènes. Ook veel dialogen zijn letterlijk op het absurde af (“She called to tell me she was going to Barcelona.” / “What did she say?” / “I'm going to Barcelona.”). De toon is soms zó Wim T. Schipperiaans dat je bloopers verwacht van sterren die in de slappe lach schieten.

Het is niet de eerste keer dat Soderbergh een genre 'liefdevol' ridiculiseert. Zo was retrocyclus Ocean's Eleven te melig om door te kunnen gaan voor de ‘ode aan de sixties’ die ze pretendeerde te zijn. Zo’n overdaad aan ironie schuurt immers al snel aan zelfgenoegzaam klooien. Zeker als het verhaal slordig verteld wordt - als Soderbergh’s stijl jazzy is, dan is de montage van Haywire sloppy bebop; pas na een uur begrijp je een beetje hoe vorken in stelen zitten. Natuurlijk, een thriller hoort te verwarren want dat spekt paranoia en dus spanning, maar dit is gewoon lui verteld.

Het enige dat Haywire de moeite waard maakt is Gina Carano’s charisma. Deze dame heeft de star quality waar Hollywood op aast. Terwijl de echte sterren erop los schmieren, doet deze atlete veel met weinig. Maar als Gina echt kloten heeft, kiest ze de volgende keer een rol zonder actie. En vooral zonder ironie - al is het een belevenis om deze kooitijgerin zelfgenoegzame sterren te zien wurgen met haar kickboksdijen.

Haywire
Een nieuwe uit de Kama Sutra

Intouchables

Conflictloze dwarslesie

Ieder verhaal heeft een conflict nodig. Zelfs in de meeste romantische komedie, plakkerige kinderfilm of tenenkrommende musical moet de held iets overwinnen of oplossen om het publiek te kunnen boeien. Moeilijkheden en drempels zorgen voor de broodnodige spanningsboog.

In het buddy genre ligt dat conflict in de personages besloten. Die vrienden zijn aanvankelijk tegenpolen die door omstandigheden met elkaar opgescheept raken en voortdurend hun vooroordelen ventileren. Het publiek voelt dat er onder al die wederzijdse ergernis iets moois kan opbloeien en wil niets liever dan dat de helden bonden. Het is dat verlangen naar harmonie wat een verhaal tot leven brengt - in iedere filmkijker schuilt een conflictoplosser, bij buddy movies een koppelaar.

Het scenario van Intouchables lijkt een perfecte blauwdruk voor een buddy movie. De personages zijn maatschappelijke uitersten en tot elkaar veroordeeld: een aristocraat die tot aan zijn nek verlamd is en verzorgd wordt door een dynamisch type uit een achterstandswijk. Cliché's? De makers hebben een troef achter de hand: het is allemaal ontzettend waar gebeurd.

Niet dat er veel gebeurt. Philippe (François Cluzet) gruwt van medelijden, dus ronselt charmante lomperik Driss (Omar Sy) als verzorger. Dat zal ie weten. Driss zet zijn kasteel en de rest van z'n leven op z'n kop. Er wordt gedanst, gelachen, geracet. Philippe komt tot bloei en Driss leert dat cultuur meer inhoudt dan snobisme. Hun geluk kan niet op. Tot Driss zijn baas voor het blok zet. Met een date.

Intouchables, geregisseerd door Olivier Nakache en Eric Toledano, is een van de drie meest succesvolle Franse komedies ooit. Er puilt inmiddels 50 miljoen euro uit de kassa, op IMDb krijgt ie een 8,6 en de pers is - op een paar kniesoren na die over racisme mekkeren - unaniem lyrisch. Maar laat u niets wijsmaken. Intouchables is ook een van de drie meest irritante Franse komedies ooit.

Niet omdat het contrast tussen de heren zwart-wit is. Rijk-arm, aristocraat-homeboy, verlamd-swingend, verfijnd-in your face, formeel-direct, kasteel-achterbuurt. Subtiel is anders, maar dat moet kunnen in een genrefilm. Bovendien is het allemaal ontzettend waar gebeurd.

Het probleem zit 'm in het gebrek aan probleem. Het klikt van meet af aan tussen heer en knecht. Ze koesteren hetzelfde gevoel voor humor en eenzelfde eerlijkheid. Ze zijn op slag buddy's. Dat kan natuurlijk niet in zo'n character driven genre. Eerst weerzin, dan (noodzakelijke) samenwerking, dan conflict en dán pas harmonie. Nu krijgen we gelijk een bos meurende rozen onder onze snufferd geduwd. Niks geen buddy movie, dit een Best Friends Foreververklaring.

Maar het zijn de personages die het hardst naar rozen rieken. Zo lijkt Philippe in het geheel geen probleem te hebben met zijn handicap en de mensonterende verzorging die het met zich meebrengt. Pas als ie gaat daten met een pen pal knijpt ie 'm even, verder geen spoor van wanhoop. Driss is te genant voor woorden. Een noble savage die ons moet verleiden met exotische flirt & schater & dans en ook nog eens in no time de haute culture van zijn meester absorbeert. De keuze voor een negroïde acteur is bijna discutabel, aangezien de 'ware' assistent Arabisch is en dus minder stereotypisch.

Geen personages van vlees & bloed. Geen conflict. Rest ons de subtiele Franse humor. Lachen als Driss een fout geparkeerde buurman intimideert. Lachen als Driss door een opera heenschatert omdat hij zich geen houding weet te geven. Lachen als Driss voetcrème in de baas z'n haar smeert in plaats van crèmespoeling. Lachen als Driss Kokend thee water over Philippe's been giet om te kijken of ie echt niets voelt...

Het zal allemaal ontzettend waar gebeurd zijn, het is geen excuus voor deze zouteloze filmBrinta. Verzin de problemen er maar bij. Temper de stereotypen. Lieg het drama. Voor welriekend 'realisme' hoeven we niet naar de bios, daar hebben we de STER-commercials voor.

Intouchables
Lekker jezelf zijn in je body

Extremely Loud & Incredibly Close

De ongewenste heling van een Asperger

Als landen lagere schoolkinderen zouden zijn, dan is Noord-Amerika een grote, verwende etter. Een pestkop die op klasgenootjes gaat zitten om hen stompend snoepgoed af te pakken. En die zelf natuurlijk niet tegen zijn verlies kan. Dus áls ie een keer in z'n kruis geschopt wordt, daar nog jaren over doorzeurt.

Een decennium lang om precies te zijn. Natuurlijk, 9/11 was erg. Maar het leed is inmiddels opgeblazen tot genocideproporties. Dat is niet alleen te wijten aan CNN’s snuff-tv, maar vooral aan Amerika’s megalomane zelfbeeld, waarin The American People steevast als more equal gepresenteerd worden. In plaats dat de supermacht eens hard in de spiegel keek en haar wonden likte, wilde het de aanslag eindeloos herbeleven. Niet om het trauma te verwerken, maar om zich steeds weer in die slachtofferrol te wentelen. America, the beautiful, in het hart geraakt! Barbaren!

Gezien dat zelfmedelijden is Hollywood opvallend terughoudend omgesprongen met de ramp. Geen enkele vette rampenfilm heeft de bioscoop veroverd. Die tact komt uiteraard niet voort uit ethische motieven, maar uit de vrees om op patriottistische tenen te stappen en uitgemaakt te worden voor de exploitatiemachine die Hollywood natuurlijk vaak is. Ook in de verfilming van bestseller Extremely Loud & Incredibly Close is slechts een bijrol weggelegd voor de ramp. Het biedt een kader voor het relaas van een getraumatiseerd knulletje wiens vader is omgekomen in het WTC. Maar zo’n decor wil nog wel eens een scène stelen.

De negenjarige Oskar kan zijn vader maar niet uit zijn hoofd zetten. Hij mist diens denkspelletjes, avonturisme, gekkigheid. En als hij een sleutel vindt in pa's kast is hij ervan overtuigd dat hij ermee contact kan maken met vader. De sleutel is van ene meneer of mevrouw Black geweest. De jonge onderzoeker gaat daarom systematisch alle Blacks in New York opzoeken. “My dad was killed at 9/11!” roept hij steeds en wordt met bear hugs onthaald. Maar de sleutel, die past nergens op. Dan krijgt hij hulp uit onverwachte hoek.

Extremely Loud & Incredibly Close ademt Literaire Bestseller. Een dichtgetimmerd scenario dat humor, vertedering en tragiek vakkundig doseert. De queeste naar vader vormt een perfecte rode draad. Dramatische boodschappen op het antwoordapparaat en het geheim dat het jochie met zich meedraagt garanderen volle zakdoeken. Scènes met paniek op straat, verdriet onder de kast en verlamming naast de telefoon maken van Oskar instant Oscar material. Dus waarom wordt deze film van de Britse regisseur Stephen Daldry dan door Amerikanen verguisd?

Misschien omdat de film riekt naar luie boekverfilming. Dat andere medium verraadt zich in een onbeschaamde voice over van het jochie, die bijna evenveel scènes dichtplamuurt als de melancholieke muziek. Gelukkig zijn we zijn geen filmpuristen die zo’n vertelstem als faux pas afdoen, en we gaan we helemaal mee met het brein van het hoogbegaafde Aspergerknulletje. Die wijsneuzerigheid werkt op de glimlachspieren, maar helaas ook op de zenuwen. Oskars knetterende synapsen benemen ons de adem - alsof we zelf autistisch zijn geworden.

Verder is de jongen wel erg cute geconstrueerd, met survivalpakket, tamboerijn en brutale oogopslag. Om maar niet te spreken van de fantastische vertolking door Thomas Horn. We worden bijkans doodvertederd. Tuurlijk, sentiment hoort thuis in zo’n sprookje, evenals een kinderlijk enthousiaste vader (Tom Hanks), een afstandelijke maar o zo bezorgde moeder (Sandra Bullock) en een warme maar evenzeer getraumatiseerde overbuurman (Max von Sydow). Maar wat echt niet past is een waargebeurde terroristische aanslag. Zodra 9/11 zich opdringt verandert het sprookje in drama. En als het jongetje instort wanneer hij op tv ziet hoe het WTC ’t begeeft, wordt het drama zelfs even een draak. Zelden was beeldrijm zo aangrijpend en kitscherig tegelijk.

Maar de ware reden waarom deze film het zo slecht doet in de States is de moed van het hoofdpersonage. Oscar heeft een manier gevonden om het verlies van zijn vader te verwerken. Zoals ook Amerika 9/11 eens zou moet afsluiten. Maar dat wil America, the beautiful, helemaal niet. Dat wil als een verwende etter op Oscar zitten. En alle heling uit hem meppen.

Extremely Loud & Incredibly Close
En dan bij het WTC linksaf...