titels films

Filmrecensies 1989 - 2015

Man on a Ledge

Vrije val in getemde elementen

Als angst en seks iets met elkaar hebben, dan is hoogtevrees hun ultieme one night stand. Verlies voor controle, vrije val… Makers van hoogtevreesfilms weten er alles van. Ze doen hun best om de illusie van diepte zo overtuigend mogelijk te verbeelden, zodat wij ons zo onveilig mogelijk voelen in onze veilige bioscoopfauteuil.

Probleem is dat filmsterren duur zijn en niet mogen doodvallen. Dus moet die hoogte in de studio gecreëerd worden. Toen er nog geen computer generated images bestonden werd er gebruik gemaakt van een blauwe achtergrond die weggefilterd kon worden om in de uiteindelijke film plaats te maken voor een berg of wolkenkrabber. Bij de opnamen hingen de acteurs dus een halve meter boven de studiovloer te drama queenen, terwijl het leek alsof ze boven een ravijn spartelden.

Toch voelde de geoefende kijker vaak dat er iets niet klopte aan de voorgrond. Het daglicht was te helder (en wierp meerdere schaduwen!), de wind was te zwak, het beeld te scherp, het geluid te helder. De elementen leken getemd. Omdat iedere generatie patent heeft op arrogantie denken de huidige filmmakers dat ze met digitale beelden wél volledig kunnen overtuigen. Helaas. Onze achterdocht is meegeëvolueerd. Ook computer generated shots van de K2 of het Empire State Building ogen vaak nep omdat de computerjongens de natuur te gladjes hebben gecomponeerd. Maakt niet uit. We blijven hopen op die ultieme hoogtevreesknaller. En wie de perspectivische poster van Man on a Ledge bekijkt staat al te trappelen om mee te springen.

Politieman Nick (Sam Worthington) zit in de bak wegens het stelen van een diamant. Niemand wil geloven dat hij erin geluisd is maar hij weet te ontsnappen. In plaats van dat ie een enkele reis Taka Tuka Land neemt, boekt hij een hotelkamer in NY om op de tigste verdieping buiten op een richel met zelfmoord te dreigen. De politie zet er gelijk een anti-springteam bovenop. Maar Nick vraagt om een specifieke bemiddelaarster (Elizabeth Banks). Een bij wie de laatste springer gesprongen is…

Politiebemiddelaar, da’s natuurlijk een vreselijk geil beroep voor een film. Professionals met stalen zenuwen en een overdosis macht (“this is MY scene!” tegen de trigger happy anti-terreurbrigade), gezegend met een overdosis psychologisch inzicht en dito overtuigingskracht. Het leverde in 1998 de strakke thriller The Negotiator op, over een gijzelingsbemiddelaar die zelf gaat gijzelen als hij valselijk beschuldigd wordt. De verbale één-tweetjes met zijn bemiddelaar waren ontzettend smulbaar omdat de gijzelnemer natuurlijk precies wist welke zetten zijn opponent zou doen. Schaken op niveau.

In Man on a Ledge is de situatie anders maar -potentieel- niet minder interessant. Deze springer heeft een geheim; hij leidt af en manipuleert en coördineert. Daarbij dwingt zijn bemiddelaarster respect af met kloten, hersens en een rappe tong. Dit is geen goedkope versierpartij, dit is schermen met IQ’s. Uiteraard wordt die romantische spanning seksueel gespekt met een flinke portie hoogtevrees. Het gewone camerawerk is ijzingwekkend en ook de digitale beelden bezorgen ons een hartverzakking. Helaas zijn er tevens legio scènes op die richel waarbij we aan de echoënde stemmen, het krappe kader en de lullige wind merken dat we besodemieterd worden met een studiowolkenkrabbertje. Het haalt ons uit de illusie. En dus uit de flirt.

Veel kwalijker echter is de beslissing van regisseur Asger Leth om extra suspense te kweken met een subplot die ook nog eens afleidt met high-tech gadgets en obligate piefpafpoef. Allemaal Ruis. Zo’n bemiddelingsfilm moet vertrouwen op de dialoog tussen de hoofdpersonages, dient zich te concentreren op hun bonding, als ware het een toneelstuk. Natuurlijk mag er afgewisseld worden met macho politie en joelend grauw, maar wij komen toch echt voor die hoogtevreesflirt. En die wordt onvoldoende uitgediept. Jammer, want we hadden het ‘t hen zo graag zien doen. Samen springen.

Man on a Ledge
Je oogleden worden heel zwaar...

The Woman in Black

Hunkeren naar piekenkermiseffecten

Spookfilmmakers kun je onderverdelen in twee types: spookhuisboeren en sfeerbouwers. De eerste soort probeert ons een hartverlamming te bezorgen met gemene shockeffecten. Denk half-vergane-dooien-die-opeens-krijsend-achter-de-held-staan. Een visuele en auditieve trukendoos die steeds krachtiger gemaakt moet worden om het sufgegamede bubblegumpubliek 't in de broek te laten doen.

Van een geheel ander kaliber zijn de sfeerbouwers. Zij passen voor effectbejag, appelleren aan onze kinderangsten met subtiele, suggestieve signalen. Denk wapperend kaarslicht en piepende deurklinken. Daarbij koesteren de sfeerbouwers de ambitie om de doodsangst op een hoger plan trekken door ons existentiële vragen voor te leggen. ‘Wat is de dood eigenlijk’, ‘Kunnen we contact leggen met gene zijde’, ‘Zíjn we misschien niet al dood’. Het levert halfevangelische draken op, maar een enkele keer worden we verwend met een The Sixth Sense of een The Others, briljante mindfuckers die ook de meest ervaren spookkijker slapeloze nachten bezorgen.

De poster van The Woman in Black lijkt gemaakt door een sfeerbouwer. Een familieportret met weggescheurde ogen, een pop die door spinrag in de tijd gevangen lijkt, opgedirkte jongedames met eindigheid in hun blikken - angst uit een tijd dat er nog echt spoken bestonden. Er is slechts één dissonant in deze Victoriaanse beklemming te bespeuren: een jongeman die verdraaid veel lijkt op… Harry Potter.

Het is inderdaad Daniel Radcliffe die Arthur speelt, een advocaat die de dood van zijn vrouw maar niet kan verwerken. Hij krijgt van zijn baas opdracht een onverkoopbaar spookhuis te verkopen. Daarvoor moet hij afreizen naar een zompig dorp vol argwanende, bange bewoners. Arthur verneemt dat het bewuste spookhuis ooit bewoond werd door een krankzinnige moeder wier zoon haar ontnomen is. De jongeman werd ondergebracht bij haar zus, maar kwam om in een naburig moeras. Sindsdien overlijdt het ene na het andere kind in het dorp. Arthur gaat resoluut op onderzoek uit, maar voelt steeds een koude adem in zijn nek.

Eigenlijk weten we het al bij de openingsscène, waarin drie jongedames op een zolderkamer zelfmoord plegen door kalm en synchroon uit het raam te springen. Zo’n gebeurtenis zou een enorme impact moeten hebben en de toon van de film moeten zetten, maar regisseur James Watkins is geen sfeerbouwer. Hij registreert meer dan dat ie schildert, vertelt alsof het om een Baantjerplot gaat. Ook de rest van de film kijkt meer als cryptogram dan filmpoëzie en ontbeert bovendien een onverwachte wending. Met als gevolg dat je je schouders ophaalt op momenten dat je zou moeten huiveren, zelfs als er een kinderlijkje uit het moeras getrokken wordt.

De televisielook van The Woman in Black is tevens te wijten aan de armoedige art direction en kleurloze cast. Vermoedelijk is het budget van 17 miljoen dollar opgegaan aan de gage van Daniel Radcliffe die door zijn stigma ook nog eens alle spanning ondermijnt. Toegegeven, Radcliffe heeft er alles aan gedaan om van dat Potterimago af te komen – hij stond zelfs naakt op de planken in verantwoorde stukken – maar je kunt niet straffeloos in een franchise opgroeien. Daniel zal nog jaren Harry blijven en Harry’s vloeken met volwassen spookfilms.

Weinig sfeer dus, en een hartverzakking is ons evenmin gegund. Een beetje spookhuisboer haalt zijn neus op voor de shockeffecten van de Zwarte Dame, die in de climax als een pop over rails op ons af komt gerold. Geld terug!

Slechts één beeld blijft op ons netvlies gebrand: een digitaal helikoptershot van het halfeiland waarop het spookhuis is gevestigd. Het maakt in één oogopslag duidelijk dat het huis bij vloed van de wereld afgesneden wordt. Niet dat dit enige functie krijgt in de plot, maar het symboliseert spookachtig fraai hoe het contact tussen de gekke moeder en kind ooit verbroken werd. Soit. Als we eenmaal in het house of horrors zijn aangeland verlangen we tevergeefs naar een paar stevige piekenkermiseffecten. Waar is pulp als je het nodig hebt!

The Woman in Black
En dan langzaam uitademen

Hugo

Flirten met een stalen beenprothese

Leuke familiefilms zijn zo zeldzaam als leuke families. Misschien wel omdat je een erg goed verhaal moet hebben om zowel jong als oud te kunnen boeien. En verhalenvertellers zijn een uitstervend ras. Ze hebben het veld moeten ruimen voor de Verzinners, scenariopoepers die denken dat In de Ban van de Ring op archeologisch onderzoek berust, en die proberen wanstaltige fantasy te persen uit 3D-cliché’s. Eigenlijk zijn de enige familiefilms die nog overtuigen afkomstig uit animatiestudio’s. Denk aan Pixar, die in Up liet zien hoe je met een chagrijnige bejaarde een zaal vol gezinnen aan het snotteren krijgt. Vijf minuten na aanvang.

Van regisseur Martin Scorsese verwacht je niet snel een familiefilm. Hij is meer van de volwassen genres, waarin personages elkaar net zo lang met een vulpen in de oogkas steken tot zelfs de cameraman onwel wordt. Dat maakt zijn gangsterfilms er niet minder betoverend op. Casino bijvoorbeeld is met al haar klatergoud een lust voor het oog. Je herkent er de filmgek Scorsese isn, die zich al decennia hard maakt voor het behoud van filmklassiekers die wegrotten in inferieure archieven. Nu heeft hij een ode gedraaid aan de Franse filmpionier Georges Méliès, gegoten in een magische familiefilm: Hugo.

We schrijven begin jaren dertig, Parijs. Hugo, zoon van een klokkenmaker in een groot treinstation, is verweesd en woont in de machinekamer van de enorme klok, hoog boven de bedrijvigheid. Sinds zijn vader omkwam zorgt Hugo zelf voor het mechanisme om te voorkomen dat hij in een weeshuis gestopt wordt. Maar hij leeft er niet alleen. Vader heeft hem een defecte robot nagelaten, die volgens Hugo een boodschap in zich herbergt. Om deze automaton te repareren ‘leent’ hij instrumenten van een speelgoedmaker in het station, als ie niet achter zijn broek gezeten wordt door de invalide stationsinspecteur en zijn Dobermann Maximilian. Maar dan Hugo krijgt hulp uit onverwachte hoek. En stuit hij op de aartsvader van het celluloid.

Sommige films beginnen zoals films moeten beginnen. Hugo start met een adembenemende (computer generated) helikopterview van de Arc de Triomphe, waarna de camera doorzweeft naar de hectiek van het station alwaar de film zich grotendeels afspeelt. Binnen luttele seconden weet Scorsese ons een toverwereld binnen te zuigen, zoals de eerste bioscoopbezoekers de eerste films ervaren moeten hebben. Dat zo’n illusie tegenwoordig 170 miljoen dollar kost mag de verwondering niet drukken.

Het is nog maar een voorproefje van een adembenemende art direction. Zo ervaren we het immense, gietijzeren station met haar gewelfde plafond, briesende stoomlocs, haastige reizigers, nijvere winkeltjes en spookachtige stoomslierten als het gesloten universum van een koortsdroom. Ook is het genieten van de precisie-low-tech zoals het mechaniek van de stationsklok en de automaton.

Uiteraard zou deze aankleding niets meer zijn dan peperduur behang als het niet gedragen werd door waarachtige personages. Daar is Scorsese grotendeels in geslaagd. Hugo’s Asa Butterfield speelt de Dickensiaanse wijsneus overtuigend en ook Ben Kingsley acteert vlekkeloos als winkelier-met-verleden. Gewaagd is de keuze voor komiek/egomaniak Sacha Baron Cohen als stationsnazi. Aanvankelijk schmiert hij erop los met zijn Dr. Strangelovemimiek en –toegegeven– vermakelijke idioom (“Maximilan’s upset by your visage, disturbed by your fysiognomy”). Maar uiteindelijk steelt Baron onze harten als hij met zijn stalen been vast komt te zitten tijdens een flirtpartij of zich aan zijn handen langs de muur van het station naar het kraaiennest annex politiebureau optrekt. Een freak met achilleshiel.

Dat Hugo toch geen Up is geworden komt door Scorsese’s oubollige kinderregie. Hij is niet gewend aan jonge acteurs en sommige dialogen verlopen traag of nadrukkelijk. Verder ervaar je zijn lesje filmgeschiedenis -hoe fascinerend het universum van filmmaker Georges Méliès (in feite een ‘one man's Pixar’) ook verbeeld wordt- als een verstoring van Hugo’s magische wereld. Want laten we wel wezen, of we nou nog in de luiers hangen of al in de VUT, we willen allemaal wegkruipen in die reuzenklok, spiedend naar de wond’re wereld beneden ons.

Hugo
Harold Lloyd revisited

Shame

Smachten in het TL-vacuüm van de subway

Filmliefhebbers zijn sletten. De ene week zijn we idolaat van filmster Jantje omdat ie z’n charisma zo subtiel weet te relativeren met charme, de andere maand dwepen we met method actrice Truus omdat zij zo totaal weet te transformeren. Helaas zien ze met al dat geflirt de minder opvallende sterren over het hoofd. Zo wordt het echt tijd voor slettebakken met Michael Fassbender.

Met wie? Precies, met die Iers-Duitse acteur die je nooit herkent. Niet omdat ie zo’n saaie kop heeft, maar omdat ie zijn werk gewoon goed doet. Fassbender hoeft geen scènes te stelen van collega’s of sier te maken met master class acting. Hij is geruisloos aanwezig. Terwijl hij toch schittert in zulke diverse producties als Jane Eyre, Centurion, Prometheus, Fish Tank en Inglorious Basterds. Nu heeft hij gekozen voor Shame, een filmhuisfilm met erg veel ruimte. Zodat hij kan laten zien wat ie kan.

Brandon (Fassbender) is een slet. Hij doet het met iedereen die zijn pad kruist. Collega’s, hoeren, kroegtijgerinnen. Daarbij is hij verslaafd aan porno. Surft en rukt zich suf, zelfs op zijn werk. Maar geilheid en onrust liggen dicht bij elkaar. En Brandons drive lijkt vooral geworteld in dat laatste. Hij worstelt met een eenzaam leven in de anonieme hectiek van de grootstad. Of is er meer aan de hand? Als ie al met iemand contact maakt is het met zijn zus (Carey Mulligan). Een begenadigd zangeres, maar maatschappelijke misfit. Daarom woont ze weer even bij hem in. Tot zijn ergernis. Zeker als ze in zijn huis met zijn baas in zijn bed duikt. Brandon is zo van slag dat ie maar weer de hort op gaat. Om te seksen uiteraard.

Er zijn legio trucs om een film een filosofische lading te geven. Bijvoorbeeld door een - liefst melancholieke - song te laten doorlopen onder opeenvolgende scènes, zodat een droomachtige sfeer ontstaat. Ook diep is het om een dialoog met één camera te draaien, vanuit één standpunt, met één brandpuntsafstand (niet inzoomen dus) en zonder montage. Dan weegt ieder woord al snel een ton. Ander vervreemdend effect verkrijg je door uitgebreid de tijd te nemen voor een irrelevante scène waarvan het onderwerp erg fotogeniek is. Als schoonheid plot overtroeft, dan maak je indruk.

Britse regisseur Steve McQueen (geen familie) gebruikt de trucs allemaal. Hij laat een nep-Satie zóveel scènes aan elkaar tingelen dat je speekselklieren naar een dubbele-zonder-ijs verlangen. Hij filmt een date met een collega in een restaurant zo statisch en dus hypnotiserend dat je niet in de gaten hebt hoezeer hun gezwam in de papiervernietiger thuishoort. En hij neemt niet minder dan vijf minuten de tijd om een zangpartij van het zusje - een heel erg langzame versie van New York, New York - integraal vast te leggen. McQueen filmt als ware hij een filmauteur.

Misschien wel omdat hij zo weinig te vertellen heeft. Leeg gevoel in disco, leeg gevoel tijdens seks, leeg gevoel in de taxi, leeg gevoel tijdens rukken. Een seksverslaving als uiting van upper class Weltschmertz-met-jeugdtrauma, lijden in The Big Apple met een vet inkomen en een RSI-pols, het komt allemaal erg leeg over. De stilistische trukendoos is een verleidelijk lapmiddel om zo’n plotje filmhuisfähig te maken.

Daarbij acteert Michael Fassbender erop los. Naakt, zowel emotioneel als fysiek. Hij is daardoor wel heel erg aanwezig. En dat verpest zijn magie. Slechts in één scène zien we zijn sierlijke onderkoeling. Dat is dan gelijk de meest opwindende subwayflirt uit de filmgeschiedenis. Stel je een wagon voor met TL-licht dat pendelaars tot zombies maakt. Op twee na. Hij met zakenkoffertje, zij met trouwring. Hij kijkt. Zij kijkt terug. Nog een keer. Hij smacht. Zij smacht terug. Dan twijfelt ze. Stapt ze uit. Hij er achteraan. Mensenmassa.

De non speaking part van deze anonieme vrouw wordt vertolkt door ene Lucy Walters, een relatieve nieuwkomer. Met een minimum aan mimiek weet ze ons binnen luttele seconden in te pakken. Geen woord gesproken, alles gezegd. Een filmster in notendop, die we eens uitgebreid gaan stalken op internet. Want we blijven wel filmsletten natuurlijk.

Shame
Niet vergeten uit te checken

A Good Old Fashioned Orgy

Schaters tussen gêne en fysio

Late night shows en humor gaan niet goed samen. Als David Letterman zijn publiek probeert op te warmen met grapjes over actualiteiten komt dat over als obligaat voorspel. Misschien willen zijn schrijvers ons onbewust laten voelen hoezeer zij gruwen van hun huurlingenwerk. Want laten we wel wezen, op commando grappen uitpoepen is zoiets als een orgasme faken op een pornofilmset. En wordt een stuk slechter betaald.

Seks en film, dat schuurt zo mogelijk nog erger. Als we een seksscène opwindend vinden leidt dat tot gêne in de bioscoopfauteuil, als de scène dat niet is krijgt ie al snel het karakter van een promoclip voor de Avondopleiding Fysiotherapie. Lang leve de censuur!

Een stevige huiver is dan ook gepast als twee Late Nighthuurlingen het plan opvatten een film te maken over een orgie. Alex Gregory en Peter Huyck, verantwoordelijk voor legio melige Lettermangrappen, hebben een comedy te geschreven én geregisseerd die luistert naar de onmogelijke titel A Good Old Fashioned Orgy. Dat is de goden verzoeken - en een nachtmerrie voor de afdeling Marketing.

Dertiger Eric (Jason Sudeikis uit Horrible Bosses en The Campaign) organiseert al sinds mensenheugenis liederlijke maar oergezellige themafeesten in het vakantiehuis van zijn vader. Omdat pa het huis gaat verkopen, wil Eric een laatste party geven met een speciaal karakter. Zijn vrienden reageren enthousiast tot ze horen wat de invulling van de zwanenzang wordt: een orgie. Yuk! Maar hoe meer ze erover nadenken, hoe intiemer het banale idee wordt. En uiteindelijk gaat iedereen overstag. Tot het uur der waarheid is aangebroken. En de plankenkoorts toeslaat.

Dat Gregory en Huyck de film zelf geregisseerd hebben heeft niet zozeer te maken met een onstuitbare cinematografische ambitie, maar met het feit dat ze niemand zo gek hebben kunnen krijgen om dit scenario te verfilmen. Op papier heeft A Good Old Fashioned Orgy namelijk alles tegen. Alleen al die titel. Welke doelgroep kun je hiermee verleiden? Dronken studenten? Swingers? Giebelmeiden? Orgie-abonnes? Geen mainstream paartjes in ieder geval, want orgie betekent veel seks, dus een buslading gêne of heel veel fysiotherapische shots.

Verder zijn de personages wel erg stereotiep, zelfs voor zo'n vederlichte komedie. Een Kuifje, een dikke clown, een nerd en een popmuzikant; een cerebrale muts, een lekker ding, een muis en een vriendin-van-de-popmuzikant. Ze zijn ook nog eens onbezorgd, rijk, blank, hoger opgeleid, heteroseksueel en aantrekkelijk. Bo-ring. Ruimte voor 'karakteropbouw' krijgen niet en ze worden vertolkt door onbekende want betaalbare acteurs. Kortom, nog voordat je de film gezien hebt zit je al klaar met een neerwaartse duim.

Maar. De film heeft twee ijzersterke troeven. Allereerst druipt het enthousiasme ervan af. De feesten zijn autobiografisch en stralen een authentiek plezier uit, alsof het op de set zelf one big party was. Daarbij worden de personages met zoveel plezier vertolkt dat ze werkelijk vrienden lijken. Hun likability maakt de plankenkoorts invoelbaar en zelfs realistisch. Voeg daarbij nog wat hugging & learning en je hebt een Disney met kloten.

Én humor. Want al zal je er op papier geen spier om vertrekken, wie zijn partner meelokt onder het mom van een 'kleine, autobiografische komedie over een eeuwenoud taboe', zit te schateren om seks in Winnetoupakken, gezwaai met dildo's in de kroeg, geneuzel over fallische prestaties en graaien in een chipsbak met de vorm van een minitoilet. Te flauw voor woorden, hilarisch in film.

A Good Old Fashioned Orgy heeft minder dan twee ton opgebracht. Daar kun je de Big Macs van de catering nog niet van betalen. Grote kans dus dat Gregory en Huyck weer terug naar af moeten. Maar wel met opgeheven hoofd. En met gepaste brutaliteit. Wees niet verbaasd als Letterman straks, voor het eerst in zijn 30-jarige carrière, zwaaiend met een dildo de zaal aan het schateren krijgt. Allé, in theorie dan.

A Good Old Fashioned Orgy
Vriendschap consumeren

The Iron Lady

Mild portret van een fluoriserend mantelpak

Do-gooders zijn oninteressante subjecten voor biopics. Niemand zit te wachten op een ode aan de difference die Nelson Mandela of Aung San Suu Kyi heeft gemaakt. Politiek correct is saai, nobel onverteerbaar. Maar ook massamoordenaars lijken ongeschikt voor de box office. Nooit is er een behoorlijke kaskraker gemaakt over het verzameld werk van Mao, Stalin, Hitler of Johnson. Ook genocide ligt blijkbaar zwaar op de maag.

Misschien is 'controversieel' dan het toverwoord. Intrigerende ego's die toch ook wel fout waren, discutabele leiders wier tekortkomingen invoelbaar gemaakt kunnen worden. Denk Malcolm X of Nixon. Maar zelfs binnen 'controversieel' heb je lastige gevallen. Zo mag Margaret Thatcher, die zich in de jaren '80 had opgewerkt tot eerste vrouwelijke premier in de westerse cultuur, beschouwd worden als topproduct van het seventies-feminisme. Maar haar ultraconservatieve, neokapitalistische gedachtengoed wrong behoorlijk met het linkse kader waarin vrouwenrechten om een of andere reden geplaatst worden. Daarbij had Thatcher de seksuele uitstraling van een Cobra-met-haarlak en droeg ze fluoriserende mantelpakjes waar zelfs The Queen voor gepast zou hebben. Not a pretty picture.

Een uitdaging dus om deze 'old girl' neer te zetten als een mens van vlees en bloed. The Iron Lady als Sexy Maggie? Relatieve nieuwkomers Phyllida Lloyd (regie Mamma Mia!) en Abi Morgan (tv-scenarist) deden een poging. Ze zetten in met zwaar geschut: Meryl Streep, Hollywoods schoolvoorbeeld van politiek correct feminisme.

Het verhaal van Margaret Thatcher behoeft weinig toelichting. Een kruideniersdochter die begeesterd raakt door vaders politieke activisme, in Oxford mag studeren, lid wordt van de Conservative Party, dan leider en vervolgens premier. De eerste vrouwelijke PM van Groot Brittannië. Niettemin regeert ze met ijzeren hand. Ze weet een chaotisch koninkrijk tot de orde te roepen en een Koude Oorlog te sussen, maar haar onverzettelijkheid brengt good old England uiteindelijk aan de rand van het faillissement en kweekt een cultuur waarin zwakkeren gestigmatiseerd worden als lui. Dik elf jaar mag ze met haar scepter zwaaien. Dan worden zelfs de Tories haar zat.

Wie op zoek is naar de mens achter de machine en de eerste publieke filmpjes van Thatcher bestudeert, zal huiveren. Van begin af aan heeft ze zich gepresenteerd als raspolitica. Ieder woordje, ieder glimlachje, iedere bezorgde blik lijkt gegenereerd door het softwareprogramma van een mannetjesmaker. Wat opvalt is hoe welbespraakt ze is, in de zin van foutloos formuleren. De ene volzin na de ander, zonder verspreking, zonder aarzeling. In control, op het angstaanjagende af.

Misschien juist daarom start de raamvertelling met een oude, kwetsbare Margaret. Een vrouw die lijdt aan Alzheimer, waardoor heden en verleden door elkaar heen lopen en een dode echtgenoot (Jim Broadbent) haar moed influistert. Maar zelfs als geestelijk gehandicapte laten de makers Maggie niet tot muts verworden. Deze dame is one tough cookie die haar dokter onder de neus wrijft dat hij zich beter kan richten op patiënten die hem wél nodig hebben. Uiteraard moeten we ook kennis maken met de machine Thatcher. In flash-backs wordt geschilderd hoe haar idealisme steeds meer plaats maakt voor blinde ambitie. Dat gebeurt overtuigend, omdat Meryl Streep zowel de oude als de middle aged Maggie neerzet met master class acting. Dat wordt weer een Oscar.

Zoals iedere biopic kent ook The Iron Lady obligate momenten. En mist de film de broodnodige rust of catharsis. Handicaps van 'waar gebeurd'. Wat deze biopic zo genietbaar maakt is de betoverende jonge Maggie. De makers durven haar neer te zetten als een meid met lef en brains, een begaafde analist die haar male chauvinist universum aan d'r voeten krijgt door te oreren als Brugman. Maar ook als een vrouw die danst, schatert, flirt, verliefd wordt en zielsveel van man en tweeling houdt. Omdat we deze Maggie niet kennen, is er voor deze rol ook geen Streep of masterclass nodig. De onbekende Alexandra Roach, gewoon een actrice van vlees en bloed,

The Iron Lady
Old girl

Trespass

Besmettelijke überschmierung

Een zeilschip. Een vrouw. Een echtgenoot. Een psychopaat. En een windstille oceaan. De ingrediënten van Dead Calm, een ultrasobere low budgetfilm uit 1989. En een van de fraaiste thrillers ooit gemaakt. Regisseur Phillip Noyce bewees hoeveel je met hoe weinig kunt doen: een vlakke oceaan gefotografeerd als woestijn waarin ontsnappen onmogelijk is, een psychopaat die zo sexy grijnst dat je het Stockholmsyndroom bijna ruikt. Dead Calm broeide onder de kokende zon.

Meeste indruk maakte hoofdrolspeelster Nicole Kidman. Zij gaf haar heldin de power van een Sigourney Weaver. Geen gejank, geen gepiep, geen gejammer; een amazone die haar cool bewaart om te focussen op het uitschakelen van kwalijke elementen. Dergelijk charisma is met name bij een gijzelingsthriller een verademing, omdat de kijker maar tot op zekere hoogte bereid is mee te lijden met 't slachtoffer, zeker als de setting benauwend is. Thrillerliefhebbers willen eigenlijk helemaal niet thrillen, ze willen payback time. En Kidman heeft een grote portemonnee.

De Australische actrice maakte zoveel indruk met haar doorbraak dat fans d'r opnieuw als amazone wilden zien, net als Weaver in de Alienfilms. Maar dan niet in een Dead Calm II, want dat was een afgerond verhaal. Het is er nooit van gekomen. Pas 22 jaar later worden we getrakteerd op ingrediënten die proeven als een reprise: een villa, een vrouw, een echtgenoot, drie psychopaten en een injectienaald in Trespass. Dat kan alleen maar goed gaan.

Die echtgenoot is een stinkend rijke diamanthandelaar (Nicolas Cage). Hij woont met vrouw (Kidman) en puber in een kast van een villa. Maar hecht is het gezin niet. Het huwelijk is tanende en de puber pubert. En er is meer aan de hand. Dat blijkt als ze bezoek krijgen van drie ongenode, gemaskerde gasten. Die diamanten willen. Dat kunnen ze wel willen, maar, zo legt de handelaar uit, die stenen zijn niets waard op de zwarte markt want tot in detail geregistreerd. Dan willen ze geld. Dat kunnen ze wel willen, maar, zo legt de handelaar uit, hij heeft iedere cent in het huis gestoken. Dan willen ze zijn nieren. Dat kunnen ze wel willen, maar... wat?

Regisseur Joel Schumacher is een echte Hollywoodfilmer, niet vies van een portie franchise op z'n tijd. Er prijken Batmans en James Bonds op zijn cv, en nog wat filmhamburgers die niet allemaal even lekker verteren. Maar Schumacher is ook de man achter de kwaliteitsthriller Phone Booth, die zich voor 90% rond een telefooncel afspeelt. Ergo: als hij wil kan hij erg veel met erg weinig. Dat blijkt ook weer uit de fraaie setting van Trespass, een koude gouden kooi die schreeuwt om drama. Hier moet iets ergs gaan gebeuren.

Maar wat? Afgezien van de obligate intimidatie dan. Suggestieve shots (close-ups en nauwe kadrering) en cryptische teksten ("I'm dead worth more than alive") moeten ons doen geloven dat pa en ma iets sluws van plan zijn, maar echte meesterzetten of werkelijk onverwachte wendingen blijven uit. Het is filmische manipulatie die riekt naar misleiding van de kijker, want juist in het thrillergenre moet iedere scheet een functie hebben. Of is er simpelweg sprake van amateurisme? Alleen zo kunnen we de flash-backs verklaren die zo nadrukkelijk en kitscherig gepresenteerd worden dat we ons in een soap wanen.

Trespass grootste manco zijn de sterren. Het leek al geen geweldige combi, überschmierder Nic Cage en kwaliteitsster Nic Kidman. En inderdaad, ook in Trespass hoop je dat Cage zo snel mogelijk iets vreselijks overkomt zodat we van zijn cocker spanielkop en getormenteerde zeikstem verlost zijn. Daarbij blijkt zijn method gedweil besmettelijk, want Kidmans vertolking van damsel in distress is ronduit ontluisterend. Gejank, gepiep en gejammer, afgewisseld met smachtende blikken. Kidman als megamuts. Misschien conform het rammelende scenario, niet conform de sobere cool waarmee ze Hollywood veroverd heeft. Wat moet Cage zich opgelucht voelen dat hij niet meer de ergste is.

Trespass
Emo

The Rum Diary

Dagboek van een bekkentrekkende kater

Elvis Presley was idolaat van James Dean. En James Dean wilde eigenlijk Marlon Brando worden. Ook idolen hebben hun idolen, al noemen ze die idolatrie zelf natuurlijk liever vriendschap. Zo ook Johnny Depp. En dan hebben we het niet over zijn vriend Keith Richards, al probeert Depp met bohemienchic outfits graag de rocker van de loper uit te hangen. Nee, Depp is vooral into outlaw journalist annex romancier annex gun freak annex dopehead Hunter S. Thompson.

Thompson is meer rock 'n roll dan rock 'n roll zelf. Hij trok op met de Hells Angels toen dat nog gewelddadige hippies waren, schreef over LSD alsof het kauwgom was en ageerde tegen het establishment met een passie die even uniek als absurd was. Tel daarbij een authentieke pen, onbetrouwbare humor en een voorliefde voor automatische wapens en je hebt een geëngageerd kunstenaar met rechtse kloten. Cool as can be, iets wat Depp al een carrière lang ambieert.

Maar Hunter S. Thompson is tevens een binnensmonds ratelende bipolaire neuroot die geteisterd wordt door paniekaanvallen. Geen kinnesinne om zo'n cocktail van eigenschappen neer te zetten. Depp deed dat niettemin briljant in Hunters autobiografische trip Fear and Loathing in Las Vegas, misschien wel omdat zijn handelsmerk, bekkentrekkerij, door Terry Gilliams hallucinatoire cinematografie vakkundig vervormd werd tot de perfecte LSD-mimiek. Nu doet Depp opnieuw een Thompson in The Rum Diary, maar moet het stellen zonder Gilliams groothoeklens.

We schrijven eind fifties. Journalist Raoul (Depp) heeft een baantje gekregen bij het kattenbakkrantje van Puerto Rico. Weinig carrièremogelijkheden, maar het alcoholistische sfeertje op de redactie bevalt hem wel. Hij trekt in bij collega's en voor ie het weet is ie rumkenner met chronische kater. Ook maakt hij kennis met een lokale zakenschurk (Aaron Eckhart) die Raoul voor zijn karretje wil spannen. Maar Raoul heeft meer oog voor diens vrouw (Amber Heard). Een tropische verrassing waarvan de melkchocolade aan het smelten is.

Tijdens de promotie van The Rum Diary zit Depp helemaal op zijn praatstoel als over zijn vriendschap met Thompson gaat. Hoe ze samen dingen opbliezen, uppers popten alsof het Smarties waren en aan de zuurstof hingen bij een killerkater. Rock 'n roll! Ook zouden ze samen op het vergeten manuscript van The Rum Diary (1959!) zijn gestuit toen ze Thompsons werkkamer uitspitten. Ergo: zonder Johnny was de roman nooit uitgegeven. En al helemaal niet verfilmd. Helaas is dat wel gebeurd.

Grootste probleem van de film is het onderwerp: de kick van dronkenschap. Die is veel moeilijker interessant te verbeelden dan de spirit van hallucinatie. Zeker omdat regisseur Bruce Robinson niet - zoals collega Terry Gilliam - over een eigen visuele stijl beschikt. Robinson komt niet verder dan registratie van veel te nadrukkelijk geënsceneerde zuipgrappen: Raoul die 161 miniatuurflesjes drank verbrast in het hotel omdat hij denkt dat dat gratis is - haha!; Raoul die zijn nadorst lest met water uit een vissenkom omdat de waterleiding kaduuk is - haha! Studentenhaver, Thompson onwaardig.

Maar The Rum Diary kampt met meer problemen. Misplaatste en daardoor hypocriete maatschappijkritiek (Puerto Rico's luxe is geschoeid op uitbuiting!), karikaturale personages vertolkt door schmierende acteurs (Giovanni Ribisi tenenkrommend als eloquente wino die LP's van Hitler draait) en een nachtkaarseinde dat begrijpelijk maakt waarom dit manuscript 50 jaar op de planken is blijven liggen.

Wat het dagboek echt onverteerbaar maakt is Depps Thompson. Depp stuiptrekt met zijn laatste restje good looks en bekkentrekkerij, waardoor deze Hunter afvalmateriaal lijkt van een Tim Burtonproject. Uitgehold heeft hij fenomeen Hunter S. Thompson. En misschien is het toeval, maar sinds Hunters zelfmoord '05 zien we Johnny steeds meer aanpappen met Keith. Vette kans dat hij straks Mr. Rock 'n Roll mag uithangen in de verfilming van diens autobiografie. Werktitel: The Heroin Diary

The Rum Diary
Lekker zuipen